Nu aan het lezen:

De hemel voor de cinefiel: Il Cinema Ritrovato 2019

De hemel voor de cinefiel: Il Cinema Ritrovato 2019

Afgelopen juni vond de 33e editie van Il Cinema Ritrovato plaats onder de broeiende zon van Bologna in Italië. Dit jaarlijkse festival voor de klassieke film vertoont herontdekte films, presenteert door restauratie in oude glorie herstelde meesterwerken en eert de geschiedenis van de film in meest brede zin. Kortom, als film meer voor je is dan de waan van de dag, dan kun je niet zonder een jaarlijkse bedevaart naar Bologna. Zonder dergelijke festivals zouden veel waardevolle films en fragmenten uit het collectieve filmgeheugen verdwijnen in de vergetelheid. Toen het festival begon in 1986 duurde het maar vijf dagen en werden er slechts acht films vertoond, terwijl het festival tegenwoordig negen overvolle dagen duurt en er honderden films te zien zijn. De openluchtvoorstellingen op het Piazza Maggiore en bij de Cineteca di Bologna zijn ondertussen legendarisch. Vóór de recente plaatsing van airconditioning in de bioscoopzalen, kon alleen de cinefiel die moedig genoeg was om de bedrukkende warmte te trotseren de dagen doorbrengen in de bioscoop. Gelukkig kunnen de meer tere filmliefhebbers nu ook terecht in de zalen.

De waarde van het festivalprogramma laat zich in zijn imponerende veelomvattendheid moeilijk precies omschrijven, maar misschien wel illustreren door twee onderdelen naast elkaar te plaatsen: A Hundred Years Ago: 1919 (samengesteld door Mariann Lewinsky en Karl Wratschko) en een introductie tot het ontstaan van de West-Duitse cinema kort na het einde van de Tweede Wereld Oorlog, “We Are the Natives of Trizonia”: Inventing West German Cinema, 1945-49, samengesteld door Olaf Möller. Met elkaar vergeleken tonen deze programma’s namelijk hoe verschillend en tegelijkertijd verwant de reacties van filmmakers waren op de ontreddering na de wereldoorlogen, en hoe ze werden gedwongen tot een zoektocht naar een filmtaal die recht deed aan de nieuwe omstandigheden.

Met het verschijnen van het Oberhausen Manifesto in 1963 zette een jonge groep radicale regisseurs (onder wie Alexander Kluge, Edgar Reitz en Christian Doermer) zich af van de cinema van het verleden: ‘Der alte Film ist tot. Wir glauben an den neuen’ (‘De oude film is dood. Wij geloven in het nieuwe’). Dit manifest was het begin van een beweging die zou uitgroeien tot wat nu bekend staat als de Nieuwe Duitse Cinema (bekend geworden door regisseurs als Rainer Werner Fassbinder, Werner Herzog en Wim Wenders) gedurende de late jaren 60 en 70. Deze stroming werd (onder meer) gekenmerkt door een radicaal andere benadering van Duitslands nazi- en oorlogsverleden. Het overgrote deel van de films die in West-Duitsland na de oorlog werden geproduceerd leken immers gemaakt vanuit een collectief geheugenverlies. Het verleden was in de cinematografie van de jaren na de oorlog doodgezwegen. Misschien mag dat niet verwonderen. De Duitse samenleving was moreel en cultureel bankroet en de bevolking kon, zoals Möller beschrijft in de festival catalogus, maar moeilijk de ‘monstrosity of the crime against humanity they were involved in’ accepteren. Tot overweldigende ‘reactions of conscience, guilt and remorse among the German population’ leidde het, zoals Alexander Mitscherlich betoogt, dan ook niet; wel tot een collectief wegkijken van het verleden. De vraag hoe, en misschien belangrijker nog, waarover een film te maken, deed zich ook met enige urgentie voor in de Duitse cinematografie van die tijd.

De film die dit probleem misschien het duidelijkst aan de orde stelt is Rudolf Jugert’s Film ohne Titel (1948), een buitengewoon opmerkelijke film waarvan het script werd geschreven door Helmut Käutner (die ook de film In Jenen Tagen (1947) heeft geregisseerd, een van de eerste films die werd geproduceerd in West-Duitsland, die ook onderdeel is van dit programma). Eerder dan een directe reflectie op de naoorlogse Duitse samenleving, is dit een film over het maken van een film drie jaar na het einde van de oorlog. Een regisseur (Peter Hamel), een schrijver (Fritz Odeman) en een filmster (Willy Fritsch speelt zichzelf) zitten tezamen in een zonovergoten weiland, terwijl ze ideeën voor een nieuwe film bespreken. Deze discussie wordt onderbroken door de komst van een stel (gespeeld door Hans Sohnker en Hildegard Knef), waarna de drie mannen hun verleden bespreken en gebruiken voor het verloop van de film.

Film ohne Titel werd redelijk bekend binnen Duitsland, maar de film was niet populair te noemen in zijn eigen tijd, behalve misschien tijdens de vertoning op de Kurfurstendamm in Berlijn gedurende 1948. Volgens een recensie geschreven door een Nederlandse journalist die de film zag tijdens de vertoning op het Film Festival van Locarno, was Film ohne Titel erg on-Duits, en misschien wel om die reden erg aantrekkelijk. Deze opmerking is enigszins raadselachtig, maar moet misschien worden gelezen als een verwijzing naar het feit dat de film stilistisch behoorde tot de zogeheten Trümmerfilme (puinfilms), de naoorlogse avant-garde-beweging, die zich onderscheidde door een voorkeur voor kapot gebombardeerde stadswijken als locatie.

Ook het programma A Hundred Years Ago: 1919 gaat grotendeels over de cinematografische reactie op een oorlog die een eind maakte aan de wereld zoals men die tot dan toe gekend had. 1919 was een van de meest turbulente jaren in de geschiedenis van Europa en een voorbode voor de politieke onrust en een nieuwe revolutionaire geest die zich ontwikkelden in de jaren tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. 

Een van de opmerkelijkste films uit dit programma is de in de Weimar Republiek geproduceerde Anders als die Andern (Richard Oswald, 1919). Dit is een van de vroegste films die een queer-verhaal presenteert en pleit voor homorechten. In dit opzicht past Anders als die Andern perfect in de tijd waarin de oude opvattingen werden verbrijzeld en er werd gezocht naar een nieuwe orde. Helaas werd de film uiteindelijk gebruikt door de conservatieve en rechtse kringen om in 1920 opnieuw de filmcensuur in te stellen, en vervolgens onmiddellijk verboden.

Gezien vanuit hedendaags perspectief toont Anders als die Andern overigens ook dat in een ander opzicht weinig veranderd is. De openingsscène laat de protagonist Paul Korner (Conrad Veidt) zien terwijl hij terneergeslagen door een stapel krantenartikelen over zelfmoorden kijkt. Hij denkt verslagen na over het feit dat al deze jonge mannen (seksuele relaties tussen vrouwen waren toen niet verboden) zich waarschijnlijk van het leven hadden beroofd vanwege hun seksuele ‘abnormaliteit’, in de steek gelaten door vrienden, familie en de gehele samenleving. Dit deed me denken aan de introductie van Eve Kosofsky Sedgwick’s Queer and Now (Tendencies, Durham: Duke University Press, 1993), waarin ze begint met het aankaarten van het beangstigende feit dat queer jongeren in 1993 twee tot drie keer vaker zelfmoord te plegen. Ze vervolgt: ‘The knowledge is indelible, but not astonishing, to anyone with a reason to be attuned to the profligate way this culture has of denying and despoiling queer energies and lives.’

Zo kan Anders als die Andern als een voorvechter van homorechten worden gezien — hoewel de film nog steeds moet worden geplaatst in de tijd waarin hij werd gemaakt — en laat de film zien dat de ouderwetse opvatting omtrent genderidentiteit en seksualiteit nog altijd moeten worden betwist. In een wereld waarin het Vaticaan nog steeds uitdraagt dat het veranderen van genderidentiteit is gebaseerd op niets meer dan een verward idee van vrijheid, seksualiteit nog steeds onderdrukt wordt en de meeste samenlevingen nog steeds worden gekenmerkt door diep gewortelde politieke tegenstellingen, racisme en geweld tegen de LGBTQ+ community – het is dit jaar precies vijftig jaar sinds de Stonewall rellen in 1969 en volgens een recent artikel van The Guardian zijn homofobe en transfobe haatmisdrijven meer dan verdubbeld in de laatste vijf jaar in Engeland en Wales – is het nodig om een duidelijk standpunt in te nemen ten gunste van openheid omtrent seksualiteit en genderidentiteit.

Zoals gezegd laat het belang en de waarde van een festival als Il Cinema Ritrovato zich nauwelijks overschatten. De historische cinema, van erkende meesterwerken tot de meest marginale producties, levert het materiaal waarop ons collectieve filmgeheugen leeft en vormt bovendien een belangrijke bron voor onze kennis van het verleden, want films vormen een spiegel van de tijd waarin ze gemaakt worden en tonen de drang om door representatie grip te krijgen op de altijd weerbarstige realiteit. Voor wie van film houdt, is Il Cinema Ritrovato de hemel.

Leuk? Deel het even!
Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken