Je moet het als regisseur maar durven, een concertfilm maken voor David Byrne. Stop Making Sense (1984), Jonathan Demme’s concertfilm voor Byrne’s band The Talking Heads, wordt nog steeds gezien als de gouden standaard voor het genre. Demme’s werk is onnavolgbaar en David Byrne’s American Utopia, geregisseerd door Spike Lee, haalt dat niveau dan ook niet. Dat betekent echter niet dat American Utopia slecht is. Sterker nog, het is een van de beste concertfilms van de afgelopen pakweg tien jaar, die niet verbleekt naast Stop Making Sense. Meer mag je eigenlijk niet verwachten.

Wat American Utopia interessant maakt is dat Spike Lee en Byrne werken met relatief weinig middelen: een podium, elf muzikanten en een lichtshow, en hier en daar een paar simpele props. Byrne legt in de show uit dat hij wilde kijken wat de basis was van live optreden, de mens en het podium, en dat hij niet meer nodig dacht te hebben. Dat betekent niet dat er in die basiselementen geen ruimte is om het een en ander op te rekken. Zo zijn de grijze kostuums van de muzikanten  een in het oog springend beeld vanwege de uniformiteit.

Ook de choreografie, ogenschijnlijk kinderlijk simpel, haalt veel rendement uit gelijkheid van de bewegingen van de performers. Door de Utopia uit de titel krijgen de militaristische elementen van de vormgeving een prikkelend randje. Ook details, zoals het feit dat de performers blootvoets op het podium staan, krijgen vanzelf een grotere betekenis door associatieve vormgeving, montage en monologen.

Zo speelt Byrne ook in zijn monologen met flarden van gedachten, die gezamenlijk de vorm aannemen van grotere thema’s: de zoektocht naar zelfontplooiing; wat progressie betekent in een maatschappij met een grote verscheidenheid aan ideeën; het individu versus de massa; de rol van media.

Lee vindt genoeg interessante shotkeuzes om het geheel dynamisch te houden en een meerwaarde te geven aan de filmervaring. De camera komt vaak op plekken die de toeschouwer in het theater niet kan komen: in vogelperspectief en van achter de performers. Ook speelt Lee met elementen die niet in de theatershow zaten, zoals een aftiteling waarin de performers door New York fietsen. Of bijvoorbeeld tijdens het krachtige nummer Hell You Talmbout, een cover van Janelle Monáe. Daar gebruikt Lee inserts van portretten van zwarte Amerikanen die vermoord zijn door de politie, op het moment dat hun naam gezongen wordt in het nummer. Als aan het einde Lee het scherm vult met tientallen namen, in bloedrode letters, van zwarte Amerikanen die op eenzelfde manier vermoord zijn sinds het uitkomen van het nummer, is het moeilijk onberoerd te blijven.

Wat betreft de muziek zelf hebben we te maken met een verzameling van greatest hits van zowel Byrne als Talking Heads, en een paar deep cuts. Voor fans van het eerste uur een feest der herkenning, maar ook nieuwkomers in het oeuvre van Byrne zullen vermoedelijk geraakt zijn door de kracht van veel van deze nummers. Muzikaal staat dit als een huis, mede door de begeesterde performances van het muzikale elftal dat Byrne ondersteunt. Op het moment dat Road to Nowhere in wordt gezet en Byrne en muzikanten een polonaise beginnen door het theater is het onmogelijk niet te smachten naar de tijd van live optredens. American Utopia spreekt over saamhorigheid, menselijk contact en de kracht van kunst. Die boodschap komt zonder meer binnen.