Tijdens onze nachtelijke uitstap naar een onbekende plaats maken we soms de gekste avonturen mee. Maar wat als die droom werkelijkheid zou worden? En dan heb ik het niet over een hemelse droom vol rozengeur en maneschijn. Neen, een nachtmerrie van de ergste soort waarin geesten de hoofdrol spelen. Waarvan je wakker wordt en je ogen niet tranen maar bloeden. Maar vooral, waar blijkt dat niet jij diegene bent die zal vermoord worden, maar net de persoon die moordt. Dit angstaanjagende idee staat centraal in Anthony Scott Burns’ Come True.

De achttienjarige Sarah Dunn (Julia Sarah Stone) kampt met terugkerende nachtmerries. Geheel toevallig valt haar oog op een experimenteel onderzoek in een slaapkliniek en ze besluit hieraan deel te nemen. Twee maanden lang zal ze bestudeerd worden tijdens haar slaap, maar wat de onderzoekers precies te weten willen komen, is zowel Sarah als de kijker een raadsel. Als blijkt dat een van de onderzoekers, Riff (Landon Liboiron), interesse blijkt te hebben in meer dan alleen Sarahs slaappatroon verklapt hij zijn geheim en komt Sarahs wereld op zijn kop te staan.

Burns geeft zijn huiveringwekkende fantasie vorm in koude, grauwe tinten. Blauw in allerlei varianten domineert en brengt de ijzige emoties van de personages over. Dankzij muziek van Pilotpriest en Electric Youth wordt elke actie ondersteund door een intense golf geluid die je het verhaal in zuigt. De manier waarop de camera speelt met de emoties van de personages, door prachtige close-ups van lichaamsdelen, toont de flinterdunne grens tussen werkelijkheid en fictie.

Come True zou niet zo schitterend zijn zonder de meesterlijke vertolking van Julia Sarah Stone, die dankzij haar sprekende ogen, ostentatieve mimiek en koele bewegingen de kijker doet hunkeren naar meer.

Toch een kanttekening: waarom wordt Sarah alleen benaderd vanuit haar zwakste positie Terwijl ze slaapt, en dus machteloos is, wordt ze bekeken en geanalyseerd door een team van mannelijke onderzoekers. De enige vrouw, Anita (Carlee Ryski), krijgt niet alleen een kleine rol in het verhaal, maar wordt ook meteen de mond gesnoerd zodra ze iets wil bijdragen aan het onderzoek. Burns geeft ons ook geen antwoord op Sarahs vraag waarom er meer mannen dan vrouwen nodig zijn in het onderzoek. Het cliché van de vrouw als mysterie voor mannelijke analytici toont Burns hier te letterlijk.

Come True laat de kijker achter met een hoofd vol vragen. Waar is Sarahs moeder? Waarom zien Riff en Sarah dezelfde schaduwen in hun nachtmerries? Probeert Burns ons te waarschuwen voor de gevaren van technologie? Neemt hij ons mee naar een dystopische wereld die niet zo onrealistisch is als hij lijkt? Niet per se de inhoud van Come True bezorgt ons slapeloze nachten – al kijk je de film beter niet net voor het slapengaan – maar wel wat Burns ons probeert te vertellen. Zijn de meeste dromen bedrog of houden wij onszelf een fictieve waarheid voor? Waarom willen we onze dromen registreren? Kunnen we niet gewoon aanvaarden dat sommige dingen nu eenmaal een mysterie zijn? Misschien moeten we daar eens een nachtje over slapen, want Come True is zacht gezegd een thriller om van te dromen.