Lachen om poep en plas is niet slechts weggelegd voor hen die deze lichamelijke functies net leren kennen. Soms opent onderbroekenlol nieuwe dimensies. Dat geldt zeker voor het 16e-eeuwse meesterwerk Gargantua en Pantagruel van François Rabelais. In vijf boeken beschrijft hij de avonturen van de reuzen Gargantua en zijn zoon Pantagruel. Die beschrijvingen gaan gepaard met een breed scala aan vunzige grappen. Legendarisch is bijvoorbeeld het relaas van een jonge Gargantua die uiteenzet wat de beste methode is om zijn billen af te vegen (een donzige jonge gans). Zelfs voor moderne begrippen zijn de boeken grof. Het regent scatologische grappen en vele koppen rollen. Rabelais’ obsceniteiten over lichamelijkheid omarmen echter het leven, in tegenstelling tot de onderbroekenlol van hedendaagse filmkomedies.

De boeken kenmerken zich door absurd exces. Rabelais noemt graag precieze aantallen bij gebeurtenissen, al zijn deze overduidelijk onrealistisch. Zo is er een exact aantal drenkelingen veroorzaakt door Gargantua’s zondvloed van urine. Soms zijn er pagina’s lange opsommingen van scheldwoorden. Het werkt absurd om alle curiositeiten zo exact beschreven te zien worden. Wetenschappelijke beschouwingen vloeien daarbij naadloos over in lomp gejouw. Met name de grofgebekte monnik Broeder Jan speelt daarbij een hilarische rol vanaf het moment dat hij een onwaarschijnlijk grote hoeveelheid vijanden de pan in hakt.

Deze overdaad heeft een positief karakter. Er zit een levensvreugde in, die aansluit bij de filosofische intermezzo’s. De vrolijke speelsheid pakt dogma’s aan (zo krijgt de filosoof Duns Scotus er regelmatig van langs). De boeken prijzen genot van het leven op een spirituele, universele wijze. In Gargantua en Pantagruel is iedereen materie en zal iedereen tot materie wederkeren. Eenzelfde gepassioneerde overdaad zit ook in de aimabele komedie Beerfest (2006). Het trainen voor een bierdrinkcompetitie gaat voor vijf typetjes gepaard met absurd gebral. Zo heeft Landfills gigantische boer een Pantagruwelijke kwaliteit. Een wezenlijk verschil is echter dat het exces hier puur hedonistisch werkt.

Zoals het onderbroekenlol betaamt uit de overdaad van Gargantua en Pantagruel zich dikwijls lichamelijk. Naast de urinezondvloed vliegt de stront in het rond en zijn de maaltijden overmatig. Veelzeggend spreekt Rabelais de lezers toe in de introducties als drinkebroers. De drank vloeit dan ook rijkelijk en uiteraard kan een breed scala aan seksuele toespelingen niet ontbreken. Alle schunnigheden zijn echter niet zozeer vies. Het schelden om meer wijntjes of grollen over het mannelijk lid zijn zowel klucht als lofzang. Het lichaam brengt ons in contact met de rest van de schepping. Het leven is een eindeloze creatie en daar horen alle lichamelijke uitvloeisels bij.

Dit vieren van het lichaam an sich is moeilijk terug te vinden in de hedendaagse filmkomedie. Daar dienen uitvloeisels vooral het doel om te gruwelen. In de futloze tienerkomedie Van Wilder (2002) krijgt een rivaliserend dispuut broodjes gevuld met hondensperma cadeau. Nietsvermoedend peuzelen zij deze op. Dat dit smerig is moet de grap zijn. Recenter is er de gigantische orgie aan het einde van Sausage Party (2016). Die is er het resultaat van dat de zich realiseren dat er geen hoger doel in het leven is. En daarmee puur cynisme. De diepere laag van Rabelais’ lichamelijke excessen ontbreekt. Er is geen motiverend universalisme.

Jackass 3D (Jeff Tremaine, 2010)

Het is exemplarisch voor de huidige tijd, waarin de technische samenleving een steviger grip heeft gekregen op de menselijke psyche. De monnik Rabelais deed niet aan de zelfkastijding die het individu tegenwoordig bezigt in naam der productiviteit. Het leven is kaal nu productiemaximalisatie de enige waarde is. Het lichaam is binnen deze logica een machine, die onderhouden dient te worden ten einde altijd bezig te kunnen blijven. Filosoof Jean Baudrillard zag het joggen als representatief voor deze houding. Een eindeloos vooruit rennen waarbij het lichaam zichzelf in stand houdt tot het uitgeput raakt.

De gedachtegang van de jogger komt ook naar voren in de onderbroekenlol van tegenwoordig. In plaats van overdaad werkt de humor reducerend. Grappen cijferen het lichaam weg in plaats van het te loven. In Vacation (2015) komt dit cynisme duidelijk tot uiting. De doldwaze queeste van een familie om naar een pretpark te gaan is de aanleiding voor totale vernietiging van elke waarde. Elke grap werkt destructief, zonder iets met de resulterende brokstukken te doen. Een aangereden koe leidt tot sadistische woordgrappen. Nietsvermoedend zwemmen in rioolwater is louter smerig. Het stuitendst is de terugkerende poging van het jongere broertje zijn doetje van een oudere broer te laten stikken in een plastic zak. Deze poets heeft weinig met humor van doen. Vacation laat bij uitstek zien hoe komedies van nu vooral afbreken.

Het is een vergissing te denken dat de obsceniteiten van Gargantua en Pantagruel ook louter smerig zijn. Rabelais’ humor verschilt op fundamentele wijze. Als Pantagruel met zijn beste vriend Panurge de meest absurde waarzeggerijen raadpleegt om laatstgenoemde raad te geven over zijn voornemen te trouwen, breekt de klucht niet zozeer af, maar bouwt die eerder op. De maffe contest in gebarentaal met een geleerde toont het speelse element van het leven. De pantomime viert het lichaam op uitbundige wijze als verbonden met een in essentie zich continue herscheppende wereld, die tot spirituele vreugde leidt.

Een van de weinige keren dat de komedie wel nog opbouwt is met de clowneske groep van Jackass. Ogenschijnlijk debet aan hetzelfde cynisme als menig andere onderbroekenlolkomedie. Het lichaam van de kornuiten is een extreme versie van de slapstick uit de jaren 20, gereduceerd tot kanonnenvoer. De jackasses cijferen zichzelf weg in naam van de meest vulgaire stunts. Waar Rabelais gaat voor precieze beschrijvingen, kiest regisseur Jeff Tremaine vaak voor een slow-motion-herhaling van pijnlijke shots om ook het absurde te accentueren. Toch bouwt Jackass indirect wel op. Het wegcijferen van elkaar binnen de groep legt de onderliggende camaraderie bloot, met name in sluitstuk Jackass 3D (2010). Het is niet alleen lachen om elkaar, maar ook met elkaar, zoals in de high five sketch. Dat maakt de serie een bizarre uiting van de waarde van vriendschap.

Toch maakt het lezen van Gargantua en Pantagruel in deze tijd duidelijk dat Rabelais’ gedurfde vorm van Middeleeuwse klucht zelden terug te vinden is. In plaats van een optimistisch universalisme die het creatieve leven viert via het lichaam is er reducerend cynisme. Te vaak gaan komedies voor smerigheid omwille van de smerigheid. Maar dan zonder de kinderlijke verwondering die komt met de ontdekking van lichamelijke uitvloeisels.