Nu aan het lezen:

Cine Sounds: Krzysztof Komeda, Luboš Fišer, Zdeněk Liška

Cine Sounds: Krzysztof Komeda, Luboš Fišer, Zdeněk Liška

In deze editie kijken George Vermij en Elise van Dam naar een aantal toonaangevende Poolse en Tsjechische filmcomponisten en soundtracks.


Krzysztof Komeda – Rosemary’s Baby

Rosemary’s Baby (1968) begint met een paar echoënde pianotonen die wegsterven. Ze klinken als een waarschuwing, een waarschuwing die verloren gaat in de onschuldig wiegende noten van Lullaby. Het vat Roman Polanski’s film uit 1968 mooi samen. Een film waarin het kwaad zich hult in onschuld en waarschuwingen steeds net te laat gehoord worden. Echtpaar Rosemary en Guy Woodhouse (Mia Farrow en John Cassavetes) neemt intrek in het New Yorkse appartementencomplex de Bramford. Ze worden warm ontvangen door hun buren, die erg verheugd reageren wanneer ze horen dat het stel een kindje wil. Polanski werkte voor de film met de Poolse componist Krzysztof Komeda, met wie hij al een aantal eerdere films had gemaakt.

Lullaby vormt de ruggengraat van de soundtrack die Komeda voor Rosemary’s Baby componeerde en komt in meerdere varianten terug. Het is een voortkabbelend slaapliedje vol korte motiefjes, en een door Mia Farrow gezongen ‘la la la’-tekst. Maar er is ook een onheilspellende ondertoon voelbaar. Wellicht door Komeda’s instrumentkeuze. Zo klinkt hier en daar een motiefje van een klavecimbel, toch een beetje de profane variant op het orgel en een instrument dat direct associaties oproept met vroegere eeuwen en gebruiken. Maar misschien zit de ondertoon vooral in de oren van de toehoorder. Het lieflijk, half-fluisterend gezongen slaapliedje voorspelt in horrorfilms immers nooit veel goeds.

Een ander muziekstuk dat in varianten de kop opsteekt is The Coven, meest uitgebreid in de scène waarin Rosemary bezwangerd wordt door de duivel. De nachtmerrie(achtige?) sequentie begint in stilte. Het getik van een wekker gaat over in twee traag afwisselende tonen, als in een sirene. Rosemary ziet zichzelf terug op een boot, waar ze wordt uitgenodigd benedendeks te gaan, waarbij de twee tonen wegsterven en een baslijn overneemt. Alsof de muziek mee afdaalt naar de onderwereld. Vervolgens begint het fluisterend chanten van de heksenkring die zich naakt rond het bed heeft verzameld. Wanneer de duivel zijn intrede doet en Rosemary’s lichaam beroert klinkt een snerpend en schurend fluiten alsof het rechtstreeks uit Satans klauwen komt. Ook in deze compositie combineert Komeda oude en nieuwere instrumenten, elkaar opstuwend naar een bezwerende en huiveringwekkende climax.

https://www.youtube.com/watch?v=qff2RXfp2DQ

Vanaf die scène wordt de muziek aanweziger en gevarieerder. Er is nog een instrumentale, lieflijke versie van Lullaby wanneer Rosemary het telefoontje krijgt dat haar zwangerschap bevestigt en wanneer ze last begint te krijgen van duizelingen, klinkt het simpele maar sterke Expectancy, vol samen omhoog en omlaag ‘vallende’ strijkers en blazers, alsof de wereld losgeschoten aan het rond tuimelen is. Komeda’s jazzachtergrond komt in deze composities in de tweede helft van de film sterker naar voren. Vooral in de scènes waarin Rosemary er van overtuigd raakt dat de buren uit zijn op haar nog ongeboren kind, laat hij de noten over elkaar heen buitelen.

Het meest uit de toon valt het swingende Rosemary’s Party (of: Moment in Time), dat klinkt als een willekeuren jaren zestigliedje, maar wel degelijk een compositie is van Komeda, met samenwerking van Hal Blair, die onder meer liedjes schreef voor Elvis Presley. De scène komt op een moment dat Rosemary het gehad heeft met haar bemoeizuchtige buren en een feestje organiseert voor hun oude vrienden. Of eigenlijk jonge vrienden, corrigeert ze zichzelf. ‘It’s gonna be a very special party. You have to be under sixty to get in.’ De komst van de vrienden doorbreekt de claustrofobische bubbel in de Bramford. Maar wie goed luistert hoort in Rosemary’s Party dat het maar voor even zal zijn: ‘What is it I face, what is that ahead. Moment in time an illusion or real.’

Ook de jazzplaat die Rosemary ergens in de film opzet is een compositie van Komeda. De wetenschap dat elk stuk muziek in de film, ook diëgetisch, is gecomponeerd door Komeda past perfect in het idee van de film dat er aan de duistere kracht op de achtergrond geen ontsnappen is. Toen ik erachter kwam voelde ik me toch even als Rosemary die ontdekt dat zelfs de door haar zo vertrouwde dokter Saperstein tot de heksenkring behoort: ‘All of them. All of them!’

Overigens is er één uitzondering. Een paar keer horen we flarden van Beethovens Für Elise. De eerste keer al tijdens de bezichtiging van het appartement. Het pianospel is diëgetisch, maar waar het precies vandaan komt, wordt nooit duidelijk. Mijn vermoeden is dat het van buiten de Bramford komt en bedoeld is als een waarschuwing of een sein. Want een van Rosemary’s beste vriendinnen heet Elise en zij is het die Rosemary op het feest tracht te doen inzien dat het toch echt niet goed met haar gaat en ze hulp moet zoeken. Maar tegen de tijd dat Rosemary die woorden ter harte neemt, is het te laat.
Elise van Dam


Luboš Fišer – Valerie a týden divů

Jaromil Jires’ surrealistische sprookje uit 1970, Valerie a týden divů, gaat zoals vele sprookjes over grenzen. En dan vooral die tussen kind en volwassene, dat grensgebied waar blijkt dat niet alles taboeloos ontdekt mag worden. De film is een storm van beelden en muziek boordevol symboliek waarin de seksuele ontwaking van een dertienjarig meisje wordt getoond tegen een achtergrond van religieuze zeden en een zoektocht naar wie haar ouders zijn. Waarin het veranderen van een lichaam zich uit in een wereld die constant lijkt te vervormen. Jires vangt de verwarrende en tegenstrijdige ervaring die opgroeien is in een fragmentarisch labyrint van beelden en hetzelfde doet Luboš Fišer in zijn soundtrack met geluid.

Valerie wordt geïntroduceerd in een sequentie die in alles onschuld en maagdelijkheid uitstraalt. In een witte jurk ligt ze in het gras in de zon, speelt met het water van een fonteintje, ruikt aan de bloemen die net in bloei staan (want: seksuele ontwaking, dus lente). Over de beelden heen horen we The Magic Yard, een lieflijk melodietje van dwarsfluit en klarinet, voortkabbelend op het getokkel van een gitaar. In de tweede helft horen we een kinderkoor en klavecimbel. De sequentie eindigt wanneer er druppeltjes bloed op een hagelwit madeliefje vallen. Valerie’s eerste menstruatie, haar eerste stappen op weg naar de verwezenlijking van haar seksualiteit. Maar eindigt daar ook de onschuld?

In de muziek van Fišer in elk geval niet. De hele soundtrack is gebouwd op en rond dualiteit. Tussen de onschuld en het kwaad, het licht en het duister, het profane en sacrale. Volkse melodieën worden afgewisseld met religieuze gezangen. Die tegenstelling komt ook in beelden terug, zoals wanneer een processie langs een stelletje komt dat ligt te vrijen in de bosjes. De blikken worden snel een andere kant opgedraaid. Zoals ik al schreef in mijn analyse van de muziek in Rosemary’s Baby is het klavecimbel de profane variant van het orgel. Omdat het een veel goedkoper instrument was, werd het al snel een graag gebruikt instrument voor meer volkse muziek. Ook in de soundtrack van Valerie a týden divů is het klavecimbel een belangrijk instrument, vooral in de wijze waarop het wordt afgezet tegen het orgel. Want het is juist dat orgel dat hier onheilspellend klinkt. En ook de kerkgezangen klinken duister tegenover de kinderkoortjes in The Magic Yard.Het is niet de seksualiteit die bedreigend is, maar de taboesfeer die er omheen gecreëerd wordt.

In de stroom van beelden die Valerie a týden divů is, biedt de muziek van Fišer enerzijds houvast. Vooral in dat terugkerende, immer onschuldig blijvende deuntje van The Magic Yard dat bijna op een Peter en de wolf-achtige wijze Valerie begeleidt. Tegelijk laat Fišer de muziek net zo verraderlijk van gedaante wisselen als de mensen rond Valerie. Het is een film over kijken. Over de blik van anderen die verandert, wanneer je transformeert van meisje naar vrouw. De mannen worden wellustig, de vrouwen jaloers. De jeugdigheid verandert in een prooi waarop gejaagd wordt. En onder al die veranderende blikken verandert jouw kijk op de wereld onherroepelijk ook. Dat vertaalt de film in personages die letterlijk van gedaante veranderen of zich verschuilen achter maskers. En Fišer laat er in zijn muzikale begeleiding altijd twijfel over bestaan of deze mensen zijn wie ze zeggen of lijken te zijn.

De muziek in Valerie a týden divů is meer dan achtergrond. Het is een integraal onderdeel van de wereld die Valerie betreedt op die drempel naar volwassenwording. In een specifieke sequentie lijkt de muziek zelfs rechtstreeks vanuit de omgeving te komen, wanneer Valerie door haar grootmoeder (die haar bloed gebruikt om jong te blijven) wordt opgesloten in een ruimte met een enorm weefgetouw en het stampende ritme van die machine weerklinkt in Awakening. Want eigenlijk net zozeer als Valerie a týden divů een film is over grenzen, is het een film die geen grenzen kent. Waarin het onderscheid tussen diëgetisch en non-diëgetisch er niet toe doet, net als dat tussen het reële en surreële, tussen onschuld en seksualiteit.
Elise van Dam


De filmmuziek van Zdeněk Liška

Op de tentoonstelling over Jan Svankmajer die recent in EYE te zien was, werd het oeuvre van de Tsjechische animatiegrootheid geëerd. Toch ontbrak er op de expo een belangrijke persoon die veel met Svankmajer had samengewerkt en ook zijn stempel op de films zou drukken. Zdeněk Liška (1922-1983) was in de beginperiode de vaste componist van Svankmajer en deed ook de sound design door gebruik te maken van elektronische instrumenten. Geluid is een belangrijk element in die korte surrealistische animatiefilms, omdat de montage daar erg strak op is afgestemd.

Liška’s composities vielen de gebroeders Quay (EYE organiseerde al eerder een expo over hun werk) ook erg op. In een Tsjechische documentaire over Liška zien we ze luisteren naar zijn muziek. Hun blikken nog steeds vol verwondering als ze zich mee laten voeren door Liška’s klanken. Ze vertellen hoe zij in New York de film The Shop on Main Street zagen en gelijk op zoek gingen naar de soundtrack. Een van de broers somt het effect van zijn muziek als volgt op: ‘You hear the images and you see the music.’

Liška was een bijzonder veelzijdige componist die naast filmmuziek ook openingstunes schreef voor tv-series zoals Thirty Cases of Major Zeman. Een communistisch getinte detectiveserie waarvan het deuntje bleef steken in de Tsjechische popcultuur. Zijn werk voor de animatiepionier Karl Zeman beperkte zich niet alleen tot muziek maar ook vreemde en verrassende geluidseffecten die je bijvoorbeeld terughoort in Baron Prášil –een inventieve bewerking van het verhaal van Baron Munchausen.

Ik leerde zijn onvergetelijke muziek kennen door de vele korte films van Svankmajer zoals Byt (The Flat). Luister ook eens naar The Ossuary. Een atypische film in het oeuvre van Svankmajer over het knekelhuis van Kutna Hora waar schedels, skeletten en botten zijn gebruikt in barokke decoraties die uiterst macaber ogen. Opmerkelijk genoeg werd Liška’s muziek achteraf toegevoegd toen de oorspronkelijke geluidsband met een vreemde vertelstem door de filmcensuur werd gezien als te subversief.

Ondanks die aanpassing is de muziek meeslepend en een vreemde mix van jazz, klassieke zang en experimentele tussenstukjes. Er ontstaat zo een pakkende spanning tussen toegankelijke delen en muzikale momenten die daar tegenaan schuren. Het laat ook Liška’s voorkeur zien voor een hoge vrouwelijke zangstem die op momenten bijna archaïsch en geheimzinnig klinkt. Hij maakte goed gebruik van dat element in zijn muziek voor The Cremator van Juraj Herz. Een sinistere zwarte komedie over een overijverige begrafenisondernemer die zich afspeelt als de nazi’s Tsjechië zijn binnengevallen. Hij besluit om lastige mensen ‘op te ruimen’ en doet dat als medewerker in een crematorium op zeer efficiënte wijze. Zijn wankele psychische gesteldheid wordt in de film benadrukt door een mysterieuze jonge vrouw die opduikt als een engel des doods. Het is die omineuze verschijning die een stem krijgt in Liška’s muziek die een schijnbaar sereen thema iets duisters meegeeft door onwerkelijke zang.

Zang is ook belangrijk in de soundtrack die hij zou maken voor het middeleeuwse epos Marketa Lazarová van František Vláčil. Een film die nog steeds door veel Tsjechen wordt gezien als het beste wat het land heeft voortgebracht. De proloog begint met een krachtig koor dat een verheffend gevoel overbrengt. Als contrast is er later een verdwaalde vrouwelijke zangstem. Op momenten is het koor net onder de oppervlakte nog te horen. Een muzikale tegenstelling die ook goed past bij het verhaal. Hoofdpersoon Marketa is een jonge vrouw in een tijd waarin heidenen en christenen tegenover elkaar staan. In een duister Bohemen van bloedige oorlogen en gewelddadige opstanden moet zij haar eigen weg vinden tussen de strijdende partijen.

Vanuit het oude Bohemen kon Liška zich moeiteloos verplaatsen naar een ruimteschip dat rondom een mysterieuze planeet cirkelt in Ikarie XB-1. De middeleeuwse klankwereld is daarbij ingeruild voor een elektronische score met wat orkestrale elementen die voor zijn tijd erg vernieuwend is. Ondanks al die verschillende stijlen behield Liška altijd zijn herkenbare signatuur. Een ongemakkelijke bombast tegenover verstilde en raadselachtige momenten die af en toe door een komische noot wordt gekanteld. Dat Liška ondanks zijn geringe bekendheid toch door een nieuwe generatie fans wordt bewonderd blijkt wel uit recente reissues. Het Britse label Finders Keepers heeft met liefde weer veel oude soundtracks op vinyl geperst en uitgebracht in bijzondere collector’s editions. En terecht voor een componist met zijn bijzonder diverse oeuvre nog steeds origineel en eigenzinnig klinkt. Tot slot daarom de bedwelmende beelden van Vera Chytilová’s The Fruit of Paradise waar Liška zijn karakteristieke klanken op los laat.
George Vermij

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken