Flashback naar 1998. Toen barstte het Lewinsky-schandaal los rond president Clinton; werd Elle Fanning geboren; en kreeg Titanic een hele sloot Oscars uitgereikt. Van twintig jaar afstand is het makkelijk die tijd te idealiseren: hadden we de problemen van toen nog maar.

Pleasantville herinnert ons eraan dat we het verleden vaak door een iets te rooskleurige bril bekijken. De wereld waar tieners David en Jennifer in opgroeien lijkt helemaal niet zo tof: er wordt gewaarschuwd over de desastreuze gevolgen van klimaatverandering (ja, toen ook al), over de kleine kansen op toegang tot een goede universiteit en op een goede baan, en dan is je moeder ook nog gescheiden en ongelukkig.

Jennifer probeert er het beste van te maken, met de vastberadenheid die we Reese Witherspoon nog steeds regelmatig zien spelen. David – Tobey Maguire, een ideale filmtiener die moeite leek te hebben zich als volwassen acteur te bewijzen – vlucht liever naar de plezante versie van de jaren vijftig die getoond wordt in de televisieserie Pleasantville. Maar als David en Jennifer op magische wijze opeens in Pleasantville worden getoverd, als hoofdpersonen Bud en Mary Sue, komen ze er achter dat die versie van het verleden niet houdbaar is.

Aan de andere kant van het scherm
Al vanaf de vroege dagen van de film hebben makers geprobeerd om de grens tussen film en werkelijkheid op te lossen; om gaten te prikken in het scherm. In Sherlock Jr. uit 1924 speelt Buster Keaton een operateur die in z’n eigen projectie belandt, en van film naar film tuimelt. In The Purple Rose of Cairo (Woody Allen, 1985) gebeurt het omgekeerde: een filmpersonage, gespeeld door Jeff Daniels, besluit uit zijn film te stappen om kennis te maken met trouwe kijker Mia Farrow. De andere personages in de film blijven in rep en roer achter. Er ontstaat uiteindelijk een soort driehoeksrelatie tussen Farrow en twee Danielsen: het filmpersonage en de acteur die hem in de film speelt.

In het ondergewaardeerde Last Action Hero (uit 1993, mede door Shane Black geschreven) is er sprake van tweerichtingsverkeer: een jongetje belandt in een actiefilm met zijn idool Arnold Schwarzenegger als held Jack Slater, maar later in de film komen ook filmpersonages in de werkelijkheid terecht. Nou ja, ‘werkelijkheid’, natuurlijk – en een extra meta-niveau wordt bereikt omdat Schwarzenegger daarin ook een versie van zichzelf speelt.

Jeff Daniels speelt ook een rol in Pleasantville; Schwarzenegger (helaas) niet. De acteurs uit de oude serie blijven buiten beeld. Dat had ook wel veel verouderingsmake-up vereist. De film mag dan in 1998 zijn gemaakt, hij heeft iets anders in gedachte dan de postmodernistische meta-slimmigheid die in de jaren negentig zo populair was. Pleasantville is namelijk een aanklacht op de gedachte dat alles vroeger beter was.

Make America great again
Alles is zo fijn in het dorpje Pleasantville. Als vader thuiskomt hangt hij zijn hoed op en roept hij vrolijk ‘Honey, I’m home!’ Moeder heeft altijd versgebakken koekjes in de aanbieding. Elk tuintje wordt netjes bewaterd; de brandweermannen hoeven alleen maar katten uit bomen te redden; elke basketbal vindt het net. Alles is, nou ja, gewoon plezant.

Als je dieper kijkt zijn er echter allemaal rare dingen aan de hand. De brandweermannen hebben weinig te doen omdat er niks brandt. De bladzijdes van alle boeken in de bibliotheek zijn leeg. En er is domweg geen buitenwereld: het einde van Main Street is gewoon weer het begin van Main Street.

In de wereld van de film is dit prima te verklaren: een televisieserie is beperkt tot wat er strikt noodzakelijk is. Toch zegt het wat dat Pleasantville – de serie binnen de film – klaarblijkelijk alleen zo plezant kon zijn als de echte wereld angstvallig genegeerd werd. De serie toont het ideaalbeeld dat veel mensen nog steeds hebben bij de jaren vijftig (en waar sommigen graag naar terug willen keren). Het kerngezinnetje staat centraal, er zijn alleen maar witte mensen, en niemand wijkt af van de norm. De film legt bloot dat zo’n beeld alleen kan als je met oogkleppen op naar het verleden kijkt.

Mensen van kleur
Pleasantville toont zo dat de jaren vijftig van Pleasantville nooit echt hebben bestaan. Bovendien wordt heel snel duidelijk hoe wankel een dergelijk idyllisch beeld is. De komst van David en Jennifer als Bud en Mary Sue gooit alles omver.

Veel komt door de introductie van seks – in een geinige scene is het hier de dochter die mamma alles vertelt over de bloemetjes en de bijtjes (en, als moeder opmerkt dat ze niet denkt dat vader interesse zal hebben, de wonderen van masturbatie toelicht). Het vullen van de pagina’s van de boeken brengt nog een grotere revolutie teweeg: isolatie was klaarblijkelijk nodig om de plezantheid in stand te houden.

De gimmick van de film is dat verandering ervoor zorgt dat de zwart-wit personages in Pleasantville opeens (letterlijk) kleur krijgen. Daardoor valt de verandering niet lang te negeren. Daarom komt er ook verzet, en keren de nog zwart-witten zich tegen de gekleurden. Het is een handige, maar nogal wollige metafoor: dan weer over racisme (‘no coloreds’), dan over homofobie (moeder gaat via make-up als het ware de kast in), dan weer over fascisme (de film kan niet van subtiliteit beschuldig worden: er is een letterlijke boekverbranding).

Met de bril van vandaag op eindigt de film wel erg optimistisch, op het naïeve af. Waren onze huidige fascisten maar zo makkelijk te, eh, kleuren. Jennifer besluit zelfs achter te blijven – kennelijk wegens de hogere kansen om aangenomen te worden aan de universiteit. Iets dat blijkbaar zwaarder voor haar weegt dan (om maar iets te noemen) het gebrek aan makkelijk verkrijgbare anticonceptie. Natuurlijk waren sommige dingen wél daadwerkelijk beter in de jaren vijftig dan dat ze nu zijn. Toch voelt die conclusie te… plezant.

Terug naar nu
Pleasantville zou vandaag de dag niet meer te maken zijn: het is een vrijwel exclusief witte film. Dat kan het ook alleen maar zijn: sitcoms uit de jaren vijftig staan nou niet bepaald bekend als toonbeeld van diversiteit in welke zin dan ook. Toch is er de laatste tijd – terecht – kritiek op films en series die een allegorie willen bieden voor ras zonder dat er échte mensen van kleur in voorkomen; een allegorie voor homofobie zonder daadwerkelijk homoseksuele personages; of enig ander punt willen maken over discriminatie zonder representatie van de gediscrimineerde groep.

Misschien zou je nu wel een film kunnen maken waarin mensen terechtkomen in een sitcom uit de jaren negentig. Nee, niet Friends, of Seinfeld. Dat lost het bovenstaande probleem op geen enkele manier op. En laten we over Roseanne maar niet beginnen. Maar The Fresh Prince of Bel-Air, bijvoorbeeld: dat speelt zich af in een heel aparte wereld die vast een mooie bubbel biedt. Of Saved by the Bell, of wat mij betreft (het witte, maar wel heel klassebewuste) The Nanny.

We zullen waarschijnlijk nooit stoppen met het romantiseren van het verleden. En dat is ook niet erg. Maar Pleasantville herinnert ons eraan dat zelfs de meest geïdealiseerde versie van het verleden geen plek is om naar terug te willen keren.