Nu aan het lezen:

Flashback: Cat People

Flashback: Cat People

In een interview met Charlie Rose voor The Narrative Art krijgt Stephen King de vraag wat voor schrijver hij is. Een horrorauteur, zo zou je denken, maar zelf voelt hij meer iets voor de term suspense. Het onderscheid tussen horror en terror wordt door meerdere auteurs gemaakt, eigenlijk al sinds schrijvers uit het gothic genre zoals Ann Radcliffe (The Italian, 1797; The Mysteries of Udolpho, 1794). Mark Ryan heeft het (in het kader van zijn onderzoek naar Australische horrorfilms) dan weer over het onderscheid tussen creep-out en gross-out.

De twee stijlkenmerken sluiten elkaar niet uit. Na de spanning (creep-out) volgt vaak de inlossing ervan (gross-out). De lange tocht naar de deur waar het monster achter verborgen zit, eindigt meestal in het openen van de deur. Het onbestemde gegrom gaat over in het beeld van de harige poot die doorheen de deurspleet grijpt. De deur wordt open gebeukt en daar is de horror in volle glorie: harig, slijmerig, met scherpe tanden.

In de meeste horrorfilms is de dreiging spannender dan de visualisatie. Liever de haaienvin dobberend op de zee, dan de wijd opengesperde bek in de lucht; liever de rimpeling in het glas water, dan een horde stampende dino’s in de verte. In zijn non-fictie boek Danse Macabre (1981) plaatst King terror als gevoel boven horror – het is subtieler, verfijnder en bijgevolg ook enger (al pleit King vaak schuldig in het gross-out segment). King behandelt in het bewuste hoofdstuk niet toevallig Robert Wise’s The Haunting (1963) en Cat People, de versie van Jacques Tourneur uit 1942 (niet de remake van  Paul Schrader uit 1982).

Cat People en The Haunting vormen het officieuze begin- en sluitstuk van een hele reeks horrorfilms die bijna uitsluitend op suggestie en anticipatie drijven, “keeping the object of dread concealed in the shadows,” zoals Geoffrey O’Brien het verwoordt in zijn essay bij de uitgave van Cat People door The Criterion Collection. De film was ook de eerste uit een reeks van tien succesvolle films van producer Val Lewton bij RKO. Lewton en Tourneur hadden elkaar al leren kennen bij MGM toen Tourneur er extra opnames maakte voor de Charles Dickens-adaptatie A Tale of Two Cities (1935) en ze zouden na Cat People ook nog samen voor RKO I walked with a Zombie en The Leopard Man (beiden 1943) maken.

De keuze voor een horrorfilm vol suggestie was natuurlijk slechts deels artistiek. Er was ook gewoon te weinig geld om de gedaanteverwisseling van vrouw tot panter geloofwaardig in beeld te brengen. Het was een overweging waar elke regisseur voor staat die zo’n metamorfose in beeld moet brengen: die van harige man in weerwolf, die van vampier in vleermuis, die van Jekyll in Hyde. De beste keuze blijkt vaak: liever de suggestie van transformatie dan een knullige transformatie.

De (vermeende) gedaanteverandering in Cat People is die van de Servische Irena Dubrovna (Simone Simon) in een zwarte panter. De arme vrouw gelooft immers dat ze een afstammeling is van duivelaanbidders uit de Balkan. Die werden grotendeels uitgeroeid door een koning op een paard, maar enkelen konden ontsnappen. Zoals een weerwolf de kriebels krijgt bij volle maan, zo voelt Irena zich onverklaarbaar aangetrokken tot de kooi van de zwarte panter in Central Zoo, New York. Is er een connectie met het dier? Voelen ze elkaar aan?

De wat naïeve Oliver Reed (Kent Smith), tekenaar bij een scheepvaartbedrijf, voelt zich in elk geval tot de exotische Irena aangetrokken. Hij laat er geen gras over groeien: ze gaan naar haar appartement, ze drinken een kopje thee, en hij vraagt haar al ten huwelijk. Oliver negeert daarbij te veel voortekenen: Irena’s voorliefde voor het donker (‘I like the dark; it’s friendly’) en de bizarre reactie van andere dieren, telkens Irena in de buurt is.

We zijn nooit honderd procent zeker of Irena ook echt in een panter verandert of ze aan waanideeën leidt, zoals haar psychiater Louis Judd (Tom Conway) beweert. Als kijker krijgen we nooit het verlossende beeld te zien dat ons zekerheid verschaft. Het wordt alleen gesuggereerd. Rick Worland heeft het in zijn boek The Horror Film naar aanleiding van Cat People dan ook over suggestive horror, ‘horror films that depended on careful construction of foreboding mood rather than bloody, violent shocks.’

Twee van die knap opgebouwde, suggestieve scènes blijven in het collectieve horrorgeheugen hangen en twee keer speelt eigenlijk een derde personage daarin de hoofdrol: Alice Moore (Jane Randolph), een collega van Oliver die door Irena als liefdesrivale bestempeld wordt. In de eerste scène wandelt ze door Central Park, terwijl ze door Irena achtervolgd wordt. Tourneur maakt de scène heel donker, er zijn enkel verlichtingspalen die licht op het voetpad werpen. Alice kijkt voortdurend om, maar het dreigende gevaar komt niet in beeld. Het gegrom van wat misschien wel de panter zou kunnen zijn, blijkt eigenlijk het remmen van de bus die aankomt. De tweede scène is de nog beroemdere zwembadscène die meesterlijk op suggestie leunt: het spel van schaduwen, het gebrul op de achtergrond, de paniek in de ogen van Alice.

Het is niet toevallig dat de twee beste scènes draaien rond de confrontatie tussen Irena en Alice. Cat People is immers ook het verhaal van een driehoeksrelatie tussen een vrouw die haar seksualiteit onderdrukt (Irena) en een vrouw die daar duidelijk geen moeite mee heeft (Alice). Oliver is de speelbal tussen beide uitersten. Aanvankelijk kiest hij voor de mysterieuze Irena, maar de vele nachten op de slaapbank drijven hem in de armen van de onbekommerde Alice: passie in plaats van passief. Woede en jaloezie zetten bij Irena de transformatie in gang. Ze heeft er net zo weinig vat op als Bruce Banner op het groene beest dat in hem huist.

Cat People is behalve sfeervol vooral ook somber. Het is een noodlotsdrama dat voor de protagonist onvermijdelijk slecht afloopt. De manier waarop Irena ten onder gaat, wordt in de loop van de film door Tourneur weinig opvallend voorbereid, maar richt de blik meteen ook in het hart van Irena. Wat haar drijft is misschien wel niet de angst voor de vloek van de katmensen, niet haar onderdrukte seksualiteit, niet haar jaloezie voor Alice – maar een diepgeworteld onderhuids schuldgevoel. Filmmakers proberen in hun werk dieperliggende gevoelens als schuld vaak te visualiseren aan de hand van beelden en symbolen. Tourneur bewijst in Cat People hoe je dat kan doen door vooral subtiel te zijn en te suggereren.

Leuk? Deel het even!
Written by

Hans studeerde Taal en Letterkunde. In 1993 publiceerde hij zijn eerste recensie en sindsdien is hij voor diverse media blijven schrijven over film, waaronder sinds 2007 voor Schokkend Nieuws. Verder kijkt hij theater en leest hij boeken.

Typ en klik enter om te zoeken