Tot nu toe heb ik in Cine Clip voornamelijk gevestigde namen besproken, zoals Jonas Åkerlund, Joseph Kahn en Dave Meyers. Zo nog meer: namen die veelvuldig aandacht hebben gekregen in de media als het gaat over videoclips als kunstvorm. Mensen als Spike Jonze, Anton Corbijn en Michel Gondry hebben allemaal compilatie-dvd’s op hun naam staan, en dat geldt zelfs voor het iets minder bekende duo Hammer & Thongs.

Maar ik wil deze maand het licht schijnen op een vrij nieuw talent, met minder dan 20 clips op zijn naam. Het gaat om Ninian Doff, die nu ongeveer tien jaar in het vak zit, en inmiddels ook de sprong naar het grote doek heeft gemaakt, met Boyz in the Wood (die te zien was op IFFR).

Ninian Doff begon zijn carrière bescheiden, met clips voor de niet bijster bekende artiesten Fulton Lights en Martin Brooks, maar in deze eerste paar clips zijn al enkele paradepaardjes van Doff te zien. In de no-budget-clip Golden Tree zien we zijn speelse humor, zijn oog voor vormgeving en de high concepts waarmee hij later hoge ogen zou gooien. In dit geval is het interpretatieve dans op een fiets, inclusief leuk vormgegeven titels die de naam van de move aanduiden. Dat de combinatie fietsen en dansen onvermijdelijk fout gaat is ook een ‘Doffisme’, want in zijn clips laat hij vaak twee werelden of ideeën met elkaar botsen. Zo zien we in de clip van Peace’ Money twee uitersten, een kinderlijk potje handjeklap en het brute ellebogenwerk binnen de financiële sector, met elkaar verenigd worden. Het effect is hilarisch, en een perfecte metafoor voor haantjesgedrag op de werkvloer. 

Dit gebeurt vaker in de clips van Doff: twee ideeën worden aan elkaar gefrankensteind om een metafoor te visualiseren. Dat is het meest duidelijk in Doffs beroemdste clip, die van Miike Snows Genghis Kahn, waarin een Fred Astaire-musical gecombineerd wordt met een James Bond-film. Wat volgt is een homoseksuele romance tussen schurk en spion, volledig geuit via tapdans. Het huwelijk tussen de twee genres legt de latente homoseksuele spanning in Bond-films bloot, maar functioneert daarnaast ook als metafoor voor jaloezie en onuitgesproken liefdesproblemen. 

Die botsing tussen twee concepten wordt soms wel érg letterlijk: meerdere clips gebruiken het concept van twee werelden, twee visies, twee perspectieven of zelfs meer, die in een collage aan elkaar gesmeed worden. Graham Coxons What’ll It Take is een collage waarin videobeelden van de afzonderlijke lichaamsdelen van mensen bij elkaar worden gevoegd worden tot één groot mensfiguur, dat steeds groteskere vormen aanneemt. JJ Dooms Guv’nor gebruikt splitscreen om twee verschillende tijdlagen samen te smeden tot één eng symmetrische performance. In Mykki Blanco’s horrorcore-nummer The Initation worden twee Mykki Blanco’s samengevoegd in één lichaam, maar ditmaal met veel morbidere consequenties. 

Maar de beste clip in dit rijtje is toch Figure It Out van Royal Blood, waarin we afwisselen tussen twee kleuren, rood en blauw. Elke switch tussen kleur onthult nieuwe informatie: zo blijkt de vrouw die we eerst badend in rood licht zien rondlopen in een winkelcentrum, bij de eerste switch naar blauw onder het bloed te zitten. Dit is Doff op zijn best: hij gebruikt een high concept om onvermoede onderlagen zichtbaar te maken. 

Figure It Out wacht nauwelijks twintig seconden voor de eerste onthulling, en voegt in vijf minuten nog minstens drie plottwists toe. Doff heeft zelf in een interview gezegd een hekel te hebben aan videoclips waarin het high concept pas tegen het einde onthuld wordt waardoor een groot deel van de clip voelt als het toewerken naar een apotheose. 

Bij Doff hoef je nooit lang te wachten op het eerste money shot maar knallen we er meteen goed in, en blijven we opbouwen naar nieuwe hoogtepunten. Zo bevat Lost On Me van Peace niet alleen een concept dat meteen in de eerste minuut al grappig is, het blijft escaleren tot een onvermijdelijk, maar alsnog erg grappig einde. 

Sometimes I Feel So Deserted van The Chemical Brothers begint al met een shot waar de meeste clips mee zouden eindigen, van een vrouw die een benzinepomp in haar nek boort om zich te laven aan de olie, maar blijft constant opbouwen naar een nog grotere apotheose. Run the Jewels’ Love Again is een hilarisch expliciete en pornografische versie van de bloemetjes en de bijtjes, maar eindigt zoals het goede (insecten-)porno betreft met het meest in het oog springende shot: een vleesetende plant die post-coitus een sigaret rookt. En het recente We’ve Got To Try van The Chemical Brothers is een kort science-fiction-epos, waarin we we beginnen met een straathond, om via een omweg via een formule 1-circuit en een ruimtereis uiteindelijk te eindigen op een hondenplaneet. Dat is meer verhaal dan menig regisseur in een film van anderhalf uur stopt in een tijdsbestek van vijf minuten. 

Hetzelfde geldt voor Boyz in the Wood, Doffs regiedebuut, waarin vier onaangepaste jongens op survival gaan, onder het mom van heropvoeding. Daar verandert de film in een versie van The Most Dangerous Game wanneer de jongens opgejaagd worden door een aristocratisch echtpaar, dat wel erg veel wegheeft van Koningin Elizabeth en Prins Phillip. Ook hier bestaat de film min of meer uit een handvol aan elkaar geplakte scènes, waardoor elke tien minuten een toonwisseling plaatsvindt. Veel sequenties in de film voelen zelfs aan als videoclips, met name die waarin een van de jongens, een aspirant-rapper genaamd DJ Beatroot, een optreden geeft aan de lokale bevolking onder invloed van hallucinante konijnenpoep. 

Het is de valkuil van veel regisseurs die de overstap maken naar film. De spanningsboog van videoclips blijkt heel anders dan die van film, dus de films voelen ofwel als een kort verhaal uitgesmeerd over een té lang tijdsbestek, zoals die van Jonas Åkerlund (met name Spun en Small Apartments) en Johan Renck (met name Downloading Nancy), of ze voelen als een verzameling videoclips, het werk van Michel Gondry (vooral Human Nature en Science of Sleep), Joseph Kahn (Detention) en Hammer and Thongs (The Hitchhikers Guide to the Galaxy, Son of Rambow). Bij Boyz in the Wood is dat niet echt een euvel, want de ‘fout’ lijkt er bewust in te zitten voor komisch effect. De film blijft namelijk steeds escaleren, tot alle uitgezette lijntjes en herhaalde grapjes terugkeren in een oerflauwe maar ook erg grappige apotheose met heerlijke deus ex machina. Boyz in the Wood hangt als los zand aan elkaar, maar kent ook geen dooie momenten, want elke vijf minuten bouwt Doff toe naar een nieuw tijdelijk hoogtepuntje.

En voor wie bang is dat Doffs oog voor metafoor ondergesneeuwd zou raken, vrees niet: de film bevat scherpe speldenprikken over klasseverschilllen, generatiekloven en geografische verschillen. Boyz in the Wood is OK Boomer: The Movie. Die vinger aan de pols van de tijdsgeest is een van de redenen dat Doff een clip- en filmmaker is om niet te negeren. Ik verwacht dat hij over een paar jaar genoemd wordt in het rijtje Åkerlund, Jonze, Gondry, Hammer and Thongs, Sigismondi, Corbijn, Renk, Kahn. Ninian Doff. Onthoud die naam.