Nu aan het lezen:

Brexit Countdown: Hammers Frankenstein

Brexit Countdown: Hammers Frankenstein

Mary Shelley (Frankenstein), Bram Stoker (Dracula), Robert Louis Stevenson (The Strange Case of Dr Jekyll and Mr Hyde), M.R. James (Ghost Stories of an Antiquary): het Verenigd Koninkrijk was vroeger dé plek voor koersbepalers in het horrorgenre. Toen film de rol van proza overnam als belangrijkste horrormedium, leek die tijd voorbij. Britse horroriconen Dracula en Frankenstein kregen hun bekendste gestalte in de Amerikaanse monsterfilms van Universal. Maar in de jaren vijftig kwamen ze weer thuis. De Britse studio Hammer, sinds 1935 leverancier van allerlei goedkope komedies en genrefilms, ontketende een revolutie met haar versie van gothic horror.

Eerste wapenfeit was The Curse of Frankenstein (1957), waarin de formule meteen al staat. Een zeer losse bewerking van een klassiek Brits verhaal; goedkoop gemaakt maar flamboyant; serieus van toon, met af en toe wat onderkoelde humor; en natuurlijk zeer bloederig. Voor die tijd, dan. Professor Patricia MacGormack omschreef Curse als ‘the first really gory horror film, showing blood and guts in colour.’ Bloed is bij Hammer dikke, helderrode verf, en de camera is er gek op. Regisseur Terence Fisher is misschien de eerste auteur die de filmische charme van bloed echt uitbuitte. Zijn kleurrijke close-ups zijn van enorme invloed geweest op het moderne horrorgenre – alleen al daarom is het jammer dat zijn naam vaak ontbreekt in lijstjes met iconische genreregisseurs. De scène in Curse waarin Frankensteins monster in het gezicht geschoten wordt is tegenwoordig niets bijzonders, maar de stroom rood vocht was destijds reden voor morele ophef. Dylis Powel van The Sunday Times schreef dat ze door dit soort films niet meer in staat was de cinema te verdedigen tegen ‘the charge that it debases.’ In Amerika was men wat enthousiaster. Film Bulletin noemde de film een ‘rattling good horror show‘ en schreef: ‘Screenplaywright James Sangster and director Terence Fisher have pulled out all the stops within their grand guignol creation.’ Ook maakte de helaas anonieme auteur van die recensie een observatie die later nog vaak herhaald zou worden over Hammerfilms in het algemeen: ‘Peter Cushing as the Baron performs as if he actually believes in the creation of monsters. Christopher Lee, as the monster, on the other hand, appears not to believe a word of it.’

De twee grootste sterren die Hammer Horror voortbracht hebben allebei een aantal iconische rollen neergezet (in Horror of Dracula (1958) zien we Lee en Cushing als respectievelijk Dracula en Van Helsing), maar de conventionele opvatting is inderdaad dat Cushing het allemaal een stuk serieuzer nam dan Lee, die zich te goed zou voelen voor het genre. Cushing sprak ter voorbereiding op zijn rol als Frankenstein met chirurgen over hoe een hersentransplantatie eruit zou zien. Hij zorgde dat hij altijd de benodigde medische apparatuur bij zich had, ook als dat in de film niet zichtbaar was. Lee, daarentegen, had vaak wat te klagen over de scenario’s (‘niet trouw genoeg aan de bron’, ‘stompzinnige dialogen’) en moest telkens weer overgehaald worden om deel te nemen aan de vervolgen in de Dracula-reeks. Naar verluidt deed hij vooral mee omdat hij het goed kon vinden met Cushing en de vaste crew.

Maar daarvan is weinig te merken in het spel van Lee, die ooit opmerkte: ‘Every actor has to make terrible films from time to time, but the trick is never to be terrible in them.’ Ook als Frankensteins monster vind ik hem niet zo ongeloofwaardig als Film Bulletin beschrijft. Zijn vlakke, haast afwezige spel is juist wat die rol zo sterk maakt. Zoals Guillermo del Toro zei: ‘The only guy that has ever nailed for me the emptiness, not the tragic, not the Miltonian dimension of the monster, but the emptiness, is Christopher Lee in the Hammer films, where he really looks like something obscenely alive.’

Maar de echte ster van Hammers Frankensteinfilms is Cushing. In tegenstelling tot Universals reeks, zet Hammer niet het monster, maar de dokter centraal. Frankenstein is hier geen goedbedoelende geleerde maar een onvervalste schurk. Voor het bouwen van zijn wezen maakt hij zijn handen niet vuil op het kerkhof: hij zorgt zelf dat er doden vallen. Cushing speelt hem beheerst, rustig en ijskoud. Geen sadistische maniak, maar een beschaafde intellectueel voor wie het vanzelf spreekt dat zijn ambities zwaarder wegen dan de levens van anderen.

In de zes vervolgfilms keerde Lee niet terug, maar Cushing wel (behalve in The Horror of Frankenstein). Met name The Revenge of Frankenstein (1958) en Frankenstein Must Be Destroyed (1969), ook allebei van Terence Fisher — Hammers meest stijlvolle regisseur — zijn de moeite waard. Hier is Dr. Frankenstein nog meer dan in het eerste deel de voornaamste attractie: in Revenge verschijnt het monster slechts een paar minuten, in Destroyed komt überhaupt geen monster voor. We volgen de pogingen van de dokter om de hersenen van twee mannen te verwisselen, waarbij hij wederom niet kijkt op een dooie meer of minder. Cushing is vileiner dan ooit, flink geholpen door de snedige dialogen van Bert Batt. Tegen een aantal heren die zich zorgen maken over de toekomst van de wetenschap, zegt Frankenstein: ‘Had man not been given to invention and experiment, then tonight, sir, you would have eaten your dinner in a cave. You would’ve strewn the bones about the floor then wiped your fingers on a coat of animal skin. In fact, your lapels do look a bit greasy. Good night.’

Leuk? Deel het even!
Leuk? Deel het even!
Written by

Redacteur bij Cine, Schokkend Nieuws en The Cult Corner. Schrijft ook voor Hard//hoofd. Daarnaast editor en scenarist. Houdt van lange openingstitels.

Typ en klik enter om te zoeken