De Berlinale die van 20 februari tot en met 1 maart haar 70-jarige jubileum vierde, was een van laatste grote filmfestivals die plaats kon vinden voordat de corona-pandemie het filmfestivalcircuit verlamde. Voor Cine zag Sofie Maas Orphea, een gezamenlijk filmproject van de Duitse veteraan Alexander Kluge en de excentrieke Filipijnse multikunstenaar Khavn De La Cruz. 

Tijdens de 70e editie van de Berlinale spreekt voor de vertoning van Orphea, de prachtige nieuwe film van Alexander Kluge (1932) en Khavn De La Cruz (1973), de Filipijnse kunstenaar Khavn het publiek toe: “I hope your eyes will pop, your nose will explode, your innards will become delicious desserts.” Dat gebeurde tijdens de vertoning niet, maar het bleek een perfecte introductie van het tweede project van deze twee kunstenaars. Na het succes van hun eerste samenwerking Happy Lamento (2018), die op het filmfestival van Venetië werd vertoond, besloten Kluge en Khavn de samenwerking voort te zetten en een verfilming van de oud-Griekse mythe van Orpheus en Eurydice te maken. Een simpele hervertelling is het niet geworden. Onder hun handen werd het verhaal van liefde, verlies, hoop en wanhoop die al als inspiratiebron diende voor talloze kunstenaars, een aansprekende metafoor voor het heden.

Vanzelfsprekend staat de macht en betekenis van muziek centraal in de film. In de originele mythe is Orpheus een fenomenale en bovennatuurlijke bespeler van de lier, die mensen, dieren en de natuur kan betoveren met zijn muziek. Wanneer zijn vrouw Eurydice omkomt door de beet van een giftige slang, is zijn klaagzaag zo hartverscheurend dat hij, eenmaal afgedaald in de onderwereld de heerser over het dodenrijk Hades met zijn muziek weet te vermurwen. Hij mag zijn geliefde mee terug nemen naar de bovenwereld, maar moet erop vertrouwen dat ze hem volgt en mag onder geen beding naar haar omkijken. Ze gaan op weg, maar overmand door bezorgdheid kan Orpheus zich niet bedwingen en kijkt om, daarmee zijn geliefde onherroepelijk dodend. Ontroostbaar keert hij terug naar het land van de levenden. Daar wil hij niets meer van de wereld weten en maakt hij alleen nog maar muziek, de enige menselijke uiting sterk genoeg om vorm te geven aan zijn wanhoop en verlangen. Kortom; een prachtige allegorie over artistieke scheppingskracht, verzet tegen het lot, liefde en kunst als ultieme drijfveer en reden tot bestaan.

Geen wonder dus dat zoveel kunstenaars – van componisten tot schilders, van dichters tot cineasten – dit verhaal gebruikt hebben. Weinigen echter hebben zich daarbij de vrijheid veroorloofd die Kluge en Khavn zich gunnen. De waarschijnlijk het meest in het oog lopende verandering is dat Orpheus, koning der klanken, hier geen man, maar een vrouw is genaamd Orphea. Een schitterende rol van de Duitse actrice Lilith Stangenberg (Der Staat gegen Fritz Bauer, Whatever Happens Next, Ich war zuhause, aber…), die als de charismatische leadzangeres van de rockband Orphea’s Lament haar publiek betovert en in haar greep houdt. Als haar geliefde, prostituee Euridiko (Ian Madrigal) plotseling overlijdt, ontwikkelt het verhaal zich als verwacht: Orphea laat het er niet bij zitten, en zet koers naar de onderwereld. Onderweg probeert zij echter een revolutie van verworpenen der aarde te laten uitbreken, wordt de westerse consumptiemaatschappij aan de schandpaal genageld en xenofobie veroordeeld. Geheel in overeenstemming met dit maatschappelijk engagement is Orphea’s doel dan ook niet om alleen Euridiko te bevrijden, maar alle doden – wel zo rechtvaardig.

Maar zie de film niet aan voor het product van twee brave gutmenschen. Dit is tegendraadse punk die de toeschouwer een geweten probeert te schoppen. En wel door middel van baanbrekende cinematografie, een caleidoscopische tornado van rauwe, dan wel poëtische beelden, rockmuziek en teksten. Een artistieke hybride als uitkomst van een confrontatie tussen visies van twee heel verschillende artiesten. De mythe wordt een manier om kunst met het leven te verbinden en om parallellen te trekken tussen het verleden, het heden en zelfs de toekomst. Dat in de zoektocht naar harmonie eenheid geen noodzakelijk vereiste hoeft te zijn, wordt duidelijk door de gefragmenteerde structuur van de film. Het geheel is ingedeeld in hoofdstukken, heeft een eigen ritme en vormt door de specifieke montage een originele compositie van beelden en geluiden. Orphea lijkt overal tegelijkertijd te zijn, een verwarrend effect dat vaak door een duidelijk zichtbaar green-screen achter Stangenberg wordt veroorzaakt en dat haar continu naar andere plekken transporteert – van de Filipijnen via Centraal Europa naar Griekenland en Silicon Valley.

Op het eerste gezicht is de samenwerking tussen Kluge en Khavn weinig voor de hand liggend, aangezien hun esthetische opvattingen nogal uiteenlopen. Als het over hun ideeën over film gaat hebben zij echter meer gemeen dan op het eerste oog lijkt. De Duitse regisseur Alexander Kluge is vooral bekend als een van de grondleggers  van de Nieuwe Duitse cinema van de jaren zestig. Niet alleen als filmmaker, maar ook als prominent schrijver en televisiemaker is Kluge de afgelopen decennia van grote invloed op de Duitse cinema met films als Abschied von gestern (1966), Gelegenheitsarbeit einer Sklavin (1973), en zijn bijdrage aan Deutschland im Herbst (1978) waar onder andere ook Rainer Werner Fassbinder, Edgar Reitz en Volker Schlöndorff aan meewerkten.

Net als Kluge is de Filipijnse Khavn een veelzijdig kunstenaar. Als regisseur, schrijver, dichter en musicus vooral bekend om zijn controversiële “non-cinematische” digitale werk plaatst Khavn zich net zoals Kluge buiten de wereld van traditionele en institutionele film. Wat Kluge in 1962 als mede-auteur voorstelde in het beruchte Oberhausen manifesto, namelijk een fundamentele en definitieve breuk met de traditionele cinematografie, bracht Khavn jaren later in de praktijk met zijn eigen productiebedrijf dat niet voor niets Filmless Films is genoemd.

Een belangrijk kenmerk van de stijl van beide kunstenaars is dat zij geen films lijken te willen maken waarin de betekenis van de beelden en het narratief vastligt. Zo wordt Orphea interessant in relatie tot het nog steeds voortgaande debat rondom de cinematografische auteurstheorie, een term die in de jaren vijftig werd geïntroduceerd door de critici van het Franse filmtijdschrift Cahiers du Cinema. Orphea is niet enkel een hybride kunstwerk omdat het bestaat uit twee verschillende artistieke visies van twee regisseurs – drie zelfs, als we het zeer beeldbepalende acteerwerk van Stangenberg meenemen – maar ook omdat de film  een perfect voorbeeld is van een auteursfilm. De film is verankerd in de persoonlijke visie en de specifieke politieke ideeën van zijn makers, terwijl de film tegelijkertijd een statische interpretatie weigert, zodat de toeschouwer de vrijheid heeft om zelf het werk te interpreteren. Toch blijkt dit doel in de praktijk niet altijd goed te verwezenlijken. Per slot van rekening is de vrijheid van de kijker is nu eenmaal altijd beperkt. Dit is in het geval van Orphea niet anders. Ook hier geldt: ‘the spectator has neither control, responsibility, nor the power of decision […]: we are the prisoners of language, and language is ideology made concrete’ zoals Robin Wood schreef in zijn bekende artikel Authorship Revisited (1990).

Hoe dit zij, uiteindelijk bestaan er zoveel verschillende versies van een kunstwerk als er toeschouwers zijn. De camera staat daarmee voor een tweedeling die niet eenvoudig opgelost kan worden. Aan de ene kant wordt de camera vaak beschouwd als een onzichtbare waarnemer (de kijker), terwijl aan de andere kant de camera vaak wordt geïdentificeerd met de directe visie van de regisseur (de auteur). Orphea lijkt te spelen met deze dualiteit, aangezien de camera herhaaldelijk de toeschouwers uit de cinematografische omgeving die het creëert haalt door de gefragmenteerde structuur, wat de kijkers uiteindelijk dwingt om te reflecteren op wat zij zien en niet simpelweg gedachteloos op te gaan in de beelden en het verhaal. Zo maakt Orphea vaak muziek in een gesimuleerde omgeving, wat een vervreemdend effect heeft. Door continu te wisselen tussen ruimtes waarin Orphea zich daadwerkelijk bevindt en gesimuleerde ruimtes, zichtbaar gecreëerd met green screen, wordt de aandacht van de kijker gevestigd op de essentie van film: het scheppen van ruimte die we als kijker waarnemen als ‘echt’, maar die er niet werkelijk is. Waardoor je nooit de kans krijgt te vergeten dat je naar een film kijkt.

Orphea is het resultaat van een creatief project dat op zichzelf veel verschillende uitkomsten mogelijk maakt. Kluge’s en Khavn’s film laat zien dat het effect dat cinema heeft altijd mysterieus is, omdat het nooit vaststaat. Dit geldt voor zowel regisseur als toeschouwer; beide worden verrast door de verschilde betekenissen die worden gecreëerd. Uiteindelijk laat Orphea zien dat film altijd uit conflict bestaat – de onvermijdelijke dialectiek van de cinematografie. Een film om te koesteren.