In 1980 werd Rainer Werner Fassbinders versie van Berlin Alexanderplatz voor het eerst uitgezonden op de Duitse televisie. Een beeldenmarathon van ruim vijftien uur schetst het leven van een man die niet aan zijn noodlot kan ontsnappen. Fassbinder bleef trouw aan de tijdsetting van het bronmateriaal: Alfred Döblins roman (1929) en de eerste filminterpretatie daarvan (1931) situeerden hoofdpersoon Franz Biberkopf al in het Berlijn van het interbellum. Anno 2020 eert regisseur Burhan Qurbani, die dit jaar zelf óók veertig wordt, de veertigste verjaardag van Fassbinders cultepos met een eigentijdse bewerking.

Op het nieuwe Alexanderplatz heeft het interbellum plaatsgemaakt voor het heden. Franz, in de serie nog een geboren Berliner, stapt Qurbani’s film in als Francis (Welket Bungué), een vluchteling uit Guinee-Bissau. Toch hebben de twee iets belangrijks gemeen: ze weten allebei hoe het is om in gevangenschap te leven. Fassbinders Biberkopf zweert tevergeefs de criminaliteit af na vier jaar achter slot en grendel te hebben gezeten. Francis moet zijn wens om eerlijk de kost te verdienen rijmen met zijn economische status: ongewenst en illegaal. In een fatalistische vertelling vervullen protagonisten hun rol echter altijd tegen wil en dank. Wie niet tegengewerkt wordt door het systeem, vindt zijn noodlot wel in het bestaan.

Qurbani (Wir Sind Jung. Wir Sind Stark., 2014) zet het naïeve idealisme van Francis zo scherp af tegen de verstikkende realiteit dat die realiteit in de loop van de film steeds verder vervaagt. Berlin Alexanderplatz is een bedwelmend anti-sprookje, een donkere allegorie die religieuze types gebruikt om het lot van de personages kracht bij te zetten. Helaas trapt scenarist Martin Behnke (die ook meewerkte aan de hitserie Dark) daarbij in de valkuil die iedere allegorische film idealiter zou pogen te vermijden: als de referenties (in dit geval onder meer naar de duivel en de apocalyptische ‘hoer van Babylon’ uit het boek Openbaring uit het Nieuwe Testament; ook wordt Francis op Bijbelse wijze ‘Franz’ gedoopt) té expliciet zijn, kan dit ten koste gaan van de dramatiek. Dit is precies wat er in Berlin Alexanderplatz gebeurt: de lotgevallen van de hoofdpersoon hangen te veel van hardop uitgesproken ideeën aan elkaar, waardoor de film nogal hermetisch aanvoelt en je je als kijker beperkt kunt voelen in je beleving en interpretatie. Het helpt in dit kader ook niet dat het scenario is opgebouwd uit vijf episodes, die het noodlot verder faseren en onderstrepen. De eigenaardige epiloog valt uit de toon en weet in die zin wel weer te prikkelen, maar niet meer te overtuigen.

Dat Qurbani’s bewerking in grote lijnen teleurstelt, betekent niet dat er tussen de regels door niets te ontdekken valt. De film laat niet alleen zien hoe Berlijn als stad veranderd is, ze geeft ook een beeld van de etnisch diverse bevolkingssamenstelling en de manier waarop verschillende sociale groepen zich tot elkaar verhouden. Franz’ afdalen naar de onderwereld van Berlijnse nachtclubs dompelt hem onder in een bedrieglijk prinselijke droom van dans en Cabaret (Bob Fosse, 1972). Ondertussen onthult de teloorgang van ‘klassieke’ criminaliteit (niet langer een maffiastructuur met een grimmige voorman in een limousine, maar een drugsnetwerk gerund door migranten) bovengronds de machtsdynamiek binnen die andere onderwereld.

Op het meer persoonlijke niveau besteedt Qurbani veel aandacht aan de ontluikende seksualiteit van de hoofdpersoon in verhouding tot de groots uitgespeelde ‘giftige mannelijkheid’ van zijn perverse criminele mentor Reinhold (Albrecht Schuch). In een van de eerste scènes van de film confronteert een sekswerker Francis met zijn onmacht (en/of onwil) om haar te bevredigen en daarmee zijn mannelijkheid te bevestigen. De scène culmineert zo plotseling en direct dat het beoogde innerlijke conflict om Francis’ seksuele oriëntatie te geforceerd doorschijnt. Relatief kort daarna belandt hij opnieuw in een ongemakkelijk seksueel intermezzo en waar het de regisseur er waarschijnlijk vooral te doen is om het psychologische machtsmisbruik (door ‘witte duivel’ Reinhold) dat aan het moment vooraf gaat, voelt de scène toch aan als een vorm van exploitatie. Dat gevoel hangt samen met het dreigende noodlot dat het handelen van deze protagonist tegen wil en dank sowieso continu overspant: welke stap hij ook zet, het universum heeft altijd het slechtste voor hem in petto. Dat onmachtige gegeven past uiteindelijk beter bij een politiek statement over de maatschappelijke positie van vluchtelingen (in en buiten Duitsland) dan bij een film die de klok driemaal rondgaat.