Now Reading:

Beats

Beats

In Simon Reynolds’ Retromania: Pop Culture’s Addiction to Its Own Past stelt deze Britse muziekjournalist de vraag: ‘Could it be that the greatest danger to the future of our music culture is… its past?’ Volgens Reynolds was popmuziek ooit de plek waar vernieuwende artiesten elk tijdsgewricht opnieuw definieerden met een eigen geluid. Maar het was meer dan alleen muziek. Het was ook een energie die je terugzag in de subculturen die ontstonden bij elk genre. Elke muziekstijl was een belofte op verandering, rebellie of een nieuw tijdperk vol ondenkbare mogelijkheden.

Voor Reynolds vond die laatste periode van muzikale vernieuwing en vitaliteit plaats in de jaren 90: ‘As much as they catalysed belief, nineties movements like grunge and rave also triggered relief – finally something on a par with the storied glory of the past was actually happening in our own time, in real time.’ 

Maar vanaf 2000 verandert er iets naar zijn mening: ‘Rock history is now a gigantic archive, virtually every recess of the past accessible to us all. (…) you might say that this archive serves as a wardrobe into which new bands dip at will. Bands can do nostalgia layering of sonic garments from different eras. (…) All these dressing-up games can be played without the degree of emotional investment and identification that characterised the era when rock was seen fundamentally as art or rebellion. Musical style was not a consumer choice but a matter of expressive urgency, generational allegiance or identity politics.’

In het nu zijn er geen nieuwe genres meer, alleen een continue wisseling, mengeling en opvolging van gerecyclede stijlen die oppervlakkig putten uit het verleden. Daarbij is er volgens Reynolds geen verband meer tussen de ooit eens rebelse idealen en de muziek die nu gemaakt wordt. Alles is een kopie geworden die tijdelijk meelift op wat modieus is om vervolgens weer te worden gedropt. Je hoeft het natuurljk niet met Reynolds eens te zijn en er is ook genoeg op zijn visie aan te merken. Toch moest ik steeds aan zijn boek terugdenken bij het zien van Beats. Een film over een ander tijdperk, maar die onder de oppervlakte misschien wel meer zegt over het nu.

Beats is een liefdevolle en rauwe reconstructie van het Schotland van de jaren 90 gebaseerd op een toneelstuk van Kieran Hurley. Het is een Schotland dat we kennen uit films zoals Trainspotting en de boeken van Irvine Welsh. Regisseur Brian Welsh volgt twee trouwe jeugdvrienden die het moeten doen zonder vaderfiguur. Spanner is een tuig van de richel gast die geterroriseerd wordt door zijn criminele oudere broer Fido. Johnno zit een treetje hoger op de sociale ladder en zijn alleenstaande moeder heeft net een nieuwe man in haar leven. Hij werkt voor de politie en kan de ‘perfecte’ eengezinswoning kopen. Hierdoor moet Johnno verhuizen uit zijn vertrouwde omgeving, ver weg van zijn maat Spanner. Deze jong volwassenen missen duidelijk iets in hun leven en daar is opeens de opkomende dance- en ravecultuur die hen als een lonkende sirene weet te verleiden met onwereldse geluiden en pompende beats.

Als iemand die in 1994 net zo oud was als de helden van het verhaal kan ik me de plotselinge impact van de Britse dancecultuur nog goed herinneren. Het was eclectisch, rauw, hoopvol, exotisch, maar ook lethargisch, duister en agressief. Na het zien van Beats ging ik weer naar wat tracks luisteren die destijds, heel cliché, de soundtrack van mijn leven vormden. Nummers zoals Voodoo Ray van A Guy Called Gerald, het album Surfing on Sine Waves van Polygon Window of On van Aphex Twin. En dan had je obscure verzamelaars die een schatkist waren van nieuwe geluiden, onwerkelijke sferen en ongehoorde sensaties: de Headz-reeks van het Mo’ Wax label, Funkungfusion van Ninja Tune of bijna alles van Warp uit Sheffield. 

Beats weerspiegelt in zijn soundtrack deze zeer vruchtbare periode in de Britse muziekgeschiedenis met wat rave klassiekers, maar ook het verrassende Optimo van de Amerikaanse cultband Liquid Liquid. We zitten nog in de beginfase van de stroming en het establishment bestempelt deze tegencultuur als decadent, gevaarlijk en subversief. Labels die het alleen maar aantrekkelijk maken voor antiautoritaire jongeren. 

Gaandeweg wordt Beats een soort moderne odyssee naar een illegaal feest. De jonge helden moeten beproevingen doorstaan en je merkt de onzekerheid bij Johnno en Spanner die niet weten wat ze kunnen verwachten van hun eerste rave en ecstasypilletje. Hun hang naar nieuwe ervaringen wordt door de muziek versterkt, maar Welsh is zo wijs om ook de kwetsbaarheid van dat verlangen te laten zien in relatie tot de troosteloze realiteit waar de personages in leven. De bitterzoete en soms komische toon is oprecht ook al voelt het verloop van de film op momenten gekunsteld en voorspelbaar aan.

Welsh filmt het allemaal in zwart-wit met af en toe een klein rood lampje dat je ziet op een radio of een gettoblaster. Daarmee doet hij erg denken aan Mathieu Kassovitz’ La Haine , maar ook aan Francis Ford Coppola’s Rumble Fish. Films over makkers, broers en afwezige vaders, maar ook over de jeugd- en straatcultuur als een alternatief op het gebrek aan compassie, liefde en gemeenschap die jongeren in hun leven ervaren. 

Dichter bij huis zijn de vergelijking met Trainspotting en Human Traffic makkelijk te maken. Die films hadden het voordeel dat ze uitkwamen in een tijd waarin de veranderingen binnen de jeugd- en tegencultuur nog actueel waren. In Trainspotting zag je het kantelpunt tussen het nihilisme van de punk naar het hedonisme van de dancescene. Iets dat je ook terughoorde in een soundtrack die van Lou Reed en Iggy pop ging naar Underworld en zo van de lethargie van heroïne naar de verrukking van ecstasy. Human Traffic is misschien de film die het enthousiasme en de kameraadschap van het hele Britse club-gebeuren het beste probeerde te vangen. Ondanks de manco’s is Justin Kerrigans film ambitieuzer dan het veel kleinschalliger en intiemere Beats.

Beats doet vooral zijn best om een simulacrum te zijn van een verloren tijdperk dat ergens in de jaren 90 opbloeide. En gezien de veranderingen die Reynolds in Retromania aankaart is die nostalgie misschien niet zo vreemd. Recentelijk zag ik op een tentoonstelling het werk 7 Square Meters van de Belgische kunstenaar Karl Philips waarin hij kritiek levert op de toenemende festivalisering. Voor Philips is een popfestival een kleine politiestaat geworden waar mensen met armbandjes ter controle rondlopen, hekwerken ervoor zorgen dat mensen buiten blijven en de beveiliging alles constant in de gaten houdt. Een plek die ooit gezien werd als een utopie en als reactie op repressie is verworden tot een gereguleerd pretpark dat draait op het kopen van hedonisme.

Het is die tegenstrijdigheid die je nu terugziet in de huidige dance- en festivalcultuur. Waar het illegale van toen nog rebels was en tegen alles aan schopte, zijn feesten nu juist een deel van het systeem geworden. Van een ongewild fenomeen zijn ze een graadmeter van gentrificatie en een speler binnen het hele circus om een stad aantrekkelijk te maken voor ambitieuze jong volwassenen. In het ergste geval worden ze cynisch verkocht als een soort alternatieve realiteit die te mooi is om waar te zijn zoals wel blijkt uit het hele FYRE-fiasco.

Dat soort incidenten zijn in de onbedorven wereld van Beats nog ondenkbaar. De film refereert ook naar een wet die destijds door alle politieke partijen in het Britse Lagerhuis werd aangenomen om rave-feesten te verbieden. Het is opmerkelijk dat de film eindigt met deze overwinning van het establishment op de jongeren omdat vanaf 1994 de hele feestcultuur alleen maar meer zou groeien tot een wereldwijd fenomeen. Maar je merkt dat Welsh terugverlangt naar dat moment van verzet en een wereld waarin de scheidslijnen nog duidelijk zijn getrokken. Het is een nostalgie die ergens nog weerstand probeert te bieden aan het nu. Of zoals Reynolds zegt in Retromania: ‘(…) it is possible voor nostalgia to contain dissident political potential. If Time has become annexed by capitalism’s cynical cycles of product shifting, one way to resist that is to reject temporality altogether. (…) by fixating on one era and saying: ‘Here I make my stand.’

 

Written by

George is een kunsthistoricus en ongeneeslijke cinefiel en schrijft naast Cine voor Schokkend Nieuws, Frameland, Gonzo (Circus) en de Filmkrant. Daarnaast kun je zijn kunstkritiek lezen in Metropolis M en Tubelight. Film is alles voor hem. Een manier om te ontsnappen aan de harde realiteit maar ook het perfecte medium om diezelfde rauwe werkelijkheid te vangen en begrijpelijk te maken.

Input your search keywords and press Enter.