Now Reading:

Barry Jenkins’ If Beale Street Could Talk en de zwarte utopie van Tyler Mitchell

Barry Jenkins’ If Beale Street Could Talk en de zwarte utopie van Tyler Mitchell

 

‘Beale Street is a loud street. It is left to the reader to discern a meaning in the beating of the drums.’ (James Baldwin)

Terwijl die woorden over het scherm glijden aan het begin van Barry Jenkins’ verfilming van If Beale Street Could Talk klinken de geluiden van een stad. Het zoeven van auto’s, een verre sirene. Maar nog voor de beelden inzetten, worden die geluiden weggedrukt door de spaarzame, romantische strijkersnoten van Nicholas Britell. En dan zijn daar Fonny (Stephan James) en Tish (KiKi Layne), hand in hand wandelend door Riverside Park, badend in zonlicht. Hij is gekleed in een geel overhemd en een blauwe spijkerjas, zij in een blauwwitte jurk en gele trenchcoat. Dan komt langzaam het diëgetisch geluid terug, maar beperkt tot de voetstappen van de twee jonge geliefden.

Keer op keer brengt Jenkins het omgevingsgeluid in zijn film terug tot een minimum. Het maakte dat ik me de eerste scènes afvroeg waar hij in vredesnaam mee bezig was. Dit was toch geen verfilming van het boek dat ik had gelezen, over een jong stel in het Harlem van de vroege jaren 70, met die constant bruisende straten, de ‘beating of the drums’ waar Baldwin aan refereert. In de film zwijgt het rumoer. Maar daarmee doet Jenkins exact wat dat citaat suggereert. Hij verfilmde niet de chaotische, lawaaierige drukte, maar zocht de betekenis die de straat heeft voor Fonny en Tish als geboortegrond van hun liefde. In Jenkins’ korte film Tall Enough (2009) staat een jong stel tegenover elkaar op een dak in New York, te midden van een ruisen van stemmen en auto’s. Ze houden elk een hand over de ogen van de ander. ‘What do you hear?’ vragen ze elkaar. ‘I hear the sea’, zegt hij. ‘I hear your voice’, zegt zij. Jenkins is niet geïnteresseerd in de geluiden van de stad op zichzelf, maar in wat verliefde oren erin horen.

Boys Of Walthamstow (© Tyler Mitchell)

Onder de titel I can make you feel good was afgelopen jaar in het Amsterdamse fotomuseum FOAM werk te zien van Tyler Mitchell. Deze 24-jarige Amerikaanse fotograaf groeide, mede dankzij zijn Vogue-covers van Beyoncé, binnen korte tijd uit tot een sensatie. ‘Ik voel de urgentie om beelden te creëren waarin zwarte mensen er zorgeloos, uitbundig, ontspannen en gevoelig uitzien,’ stond op de muur bij de expositie. Waar voor witte, westerse jonge mensen zorgeloosheid en ontspanning bijna een natuurlijke staat van zijn is, daar komt daar bij Mitchell ineens het woord ‘urgentie’ bij. Zijn foto’s tonen beelden van ontspanning:
Een jongen, liggend in het gras.
Een vrouw, leunend tegen de schouder van een man. Hun blikken dromerig dwalend naar de verte.
Jongens, hun ontblote en ongehavende ruggen naar de camera.
Maar in al die foto’s sluimert er iets onder het oppervlak. Het werk van Mitchell raakt, omdat de zorgeloosheid erin zo fragiel is, zo niet vanzelfsprekend.

Visueel zijn er overeenkomsten tussen het werk van Mitchell en If Beale Street Could Talk. De aankleding is bijna sprookjesachtig, met felle kleuren en kleding die, zoals iemand met wie ik de expositie in FOAM bezocht treffend opmerkte, net uit het plastic lijkt te komen. En in zijn videowerk kiest Mitchell, net als Jenkins, vaak voor trage camerabewegingen en slow-motion, goudgeel zonlicht en close-ups. Dat was een ander aspect dat me aanvankelijk verwarde in Jenkins’ film. Want wat doet al die prachtige kleding, al dat uitbundige zonlicht in een film die zo’n tragisch verhaal vertelt? Over een jonge man die onterecht beschuldigd wordt van verkrachting en een jonge vrouw die zwanger van hem is en niet de middelen heeft hem vrij te krijgen. Waarom giet Jenkins dat verhaal in een zo romantische en op momenten bijna idyllische vorm?  

Mitchell haalt in de beschrijving van zijn werk de term utopie aan, of preciezer gezegd: zwarte utopie. Een utopie is een ideaalbeeld, een onhoudbaar ideaalbeeld. Beide aspecten zijn van belang. De onhoudbaarheid zien we in If Beale Street Could Talk. De mooiste sequentie in de film (en een van de mooiste van het hele filmjaar) is die waarin Fonny zijn oude jeugdvriend Daniel (Brian Tyree Henry) tegenkomt op straat en hem uitnodigt bij hem en Tish te komen eten. Terwijl Tish de boodschappen haalt, delen de twee een pakje sigaretten en drinken de biervoorraad uit de koelkast weg. Wanneer Tish terug is, dineren ze gedrieën. Opnieuw zwijgt alles rond hen en Jenkins vertraagt de tijd tot een dromerig tempo, met slome camerabewegingen en een minimum aan belichting. Ze lachen, halen herinneringen op, maar steeds steken heikele onderwerpen de kop op. De constante afwijzingen bij huurwoningen, onterechte opsluiting. Daniel komt net uit de gevangenis, waar hij een straf uitzat voor autodiefstal, ondanks dat hij niet eens kan autorijden. Daar ondervond hij wat het betekend om overgeleverd te zijn aan de ‘gratie’ van de witte mens. ‘The worst thing is that they can make you so fucking scared.’

Wat Jenkins hier zo weergaloos mooi neerzet is hoe broos de luchtigheid is. Hoe in elk moment van ontspanning beklemming op de loer ligt, hoe elk moment van blijdschap zo snel weer afketst op een muur van zorgen. De scène heeft een verwantschap met Mitchells video-installatie Chasing Pink, Found Red. Op een drietal schermen in het midden van de ruimte worden beelden afgespeeld van jongeren die picknicken in een park, slapend in totale vredigheid, lui reikend naar een druif. Allen gekleed in van diezelfde perfect matchende outfits als in de film van Jenkins. Vanuit de hoeken van de ruimte klinken audiofragmenten waarin vrienden en volgers van Mitchell voorbeelden beschrijven van alledaags racisme waar ze mee te maken hebben gehad. Het benadrukt wederom hoe onvanzelfsprekend dat zorgeloze tafereel waar we naar kijken is. ‘Wat mij bezighoudt’, zo stelt Mitchell, ‘is dat witte mensen plezier kunnen hebben op een manier die niet voor zwarte mensen is weggelegd.’

Zo tonen beide makers het botsen van de utopie op de realiteit, maar wat opvalt is dat ze tegelijk de utopie in stand houden. Die wordt weliswaar verstoord, maar niet vernietigd. Wat ik daarin zag was wat schrijfster en filmmaakster Ytasha Womack opsomt als ‘the audacity of hope, the bold declaration to believe, and clarity of vision for a better life’ die zij ‘the seeds to personal growth, revolutionized societies, and life-changing technologies’ noemt. Dat doet ze in haar boek Afrofuturism en daarmee komen we als vanzelf bij het belang van de utopie. Je zou kunnen zeggen dat Jenkins’ film de realiteit verdraait en dat is ook zo. Maar dat is precies de kracht van If Beale Street Could Talk. Het is zichtbaar in meer films van zwarte filmmakers van de afgelopen jaren. BlacKkKlansman, Black Panther, Get Out; allemaal zijn het films die in meer of mindere mate de realiteit verbuigen, al dan niet om een utopie te creëren of op z’n minst een happy end. En dat is een niet te onderschatten stap in empowerment. Wat deze makers doen is het opeisen van het recht op fictie. En op de bevrijding die fictie kan zijn.

Films van zwarte makers, films over zwarte personages worden vaak veel meer aan de leiband van realisme gehouden, en dat is niet toevallig. ‘Desire, hope, and imagination are the cornerstones of social change,’ schrijft Womack, ‘and the first targets for those who fight against it.’ Toegang tot fictie en verbeelding zijn essentieel om in de realiteit van vandaag een toekomst te kunnen vormgeven en daaraan te bouwen. En daarin zit het belang van If Beale Street Could Talk, van de overgave waarmee die film doet wat Womack beschrijft: verlangen, hopen, verbeelden. Fonny en Tish zijn naarstig op zoek naar een betere woonruimte dan de kelder waar Fonny resideert en ergens in de film hebben ze een bezichtiging in een leegstaand pakhuis. Het is een kale, sfeerloze ruimte, hier en daar liggen stapels bouwmaterialen. ‘A work in progress’, in de woorden van huisbaas Levy. Tish kijkt moedeloos om zich heen, kan zich niet voorstellen hoe deze onbehaaglijke ruimte ooit een thuis kan zijn. Maar Fonny neemt haar mee in zijn fantasie. Vraagt haar zich te verbeelden dat er muren staan, daar de eettafel, tegen die wand het bed. Samen met Levy tilt hij een denkbeeldige koelkast op zijn plek. Het is een prachtig symbolische scène, die enerzijds laat zien hoe moeilijk het is te fantaseren in een omgeving (lees: samenleving) die zo weinig hoop biedt en tegelijk hoe noodzakelijk die verbeelding is om het heft van de toekomst in handen te nemen.

Zowel Jenkins’ film als de fotografie van Mitchell appelleren in die verbeelding aan witte beeldtaal. Toen Bill Gunn in de jaren 70 zijn vampierfilm Ganja & Hess maakte, trachtte hij een radicaal nieuwe filmtaal neer te zeten, omdat hij geloofde dat dat de enige manier was om de zwarte verhalen te bevrijden van de witte greep op het narratief van de geschiedenis. Wat Mitchell en Jenkins doen is bijna exact het tegenovergestelde. Ze verschaffen zich toegang tot de beeldtaal die voorbehouden was aan witte verhalen. De uitgesproken kleuren, aanzwellende strijkers en liefdevolle blikken in close-up in Jenkins’ film echoën de grote Technicolor-romances van het oude Hollywood. En zoals Douglas Sirk al in de jaren 50 en 60 die suikerzoete verpakking gebruikte om controversiële onderwerpen aan te kaarten, zo is in If Beale Street Could Talk die vorm ook een middel tot subversie. Barry Jenkins weigert ermee zich te voegen naar de grauwe realiteit die een beperkte verbeelding dit verhaal zou opleggen. En die beperkte verbeelding is in het geval van verhalen over zwarte mensen hardnekkig en houdt die verhalen consequent in de marges. Jenkins keert dat om. Hij maakt het verhaal van Fonny en Tish het absolute middelpunt, het kloppend hart dat al het andere naar de marges drukt, en vertelt dat verhaal met de warmte, meeslependheid, koperblazers en violen van de grote liefdesgeschiedenissen. Omdat het dat zou moeten zijn. Omdat het dat is.

Written by

Redacteur bij Cine, schrijft daarnaast ook nog onder meer over film bij Biosagenda.nl en over theater bij Theaterkrant.nl. Daalt graag af naar de obscure krochten van cinema en houdt bijna net zoveel van slechte sciencefiction als van goede sciencefiction.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Input your search keywords and press Enter.