Voor de Animonday van deze week verwelkomen we gastauteur Tess Wiskerke met haar eerste bijdrage voor deze rubriek, en hopelijk niet de laatste! Ook Tess werd op het IFFR betoverd door Les Sorcières de l’Orient en gaat in haar recensie de diepte in.

Keiharde trainingen zorgden in de jaren vijftig voor een onoverwinnelijk volleybalteam in Japan. Deze vrouwen werden de Heksen van het Oosten genoemd. In de documentaire Les Sorcières de l’Orient belicht regisseur Julien Faraut hun ervaringen, maar bovenal zijn eigen bewondering voor hen.

Sterke en wijze vrouwen worden in volksverhalen niet zelden vergeleken met magische wezens. Zo ook in een scène uit de vijfentachtig jaar oude animeshort Shouijouji no Tanuki-bayashi Ban Danemon (Yoshitaro Kataoka, 1935), waar de documentaire mee begint. Als een samoerai een door een monster vastgebonden vrouw probeert te bevrijden, vervloekt ze hem en constateert hij dat zij zelf het monster is. Dit overkwam ook de volleybalsters. Na hun overwinningen in Oost-Europa kregen zij de bijnaam ‘Heksen van het Oosten’, en daar waren ze niet blij mee. Ze hebben immers toch geen haakneuzen? Maar, zodra ze zich realiseerden dat de verwijzing te maken had met de bovennatuurlijke krachten van heksen, begrepen ze de vergelijking wel. Terwijl ze hierom lachen tijdens een lunch en reünie, draait de camera gestaag rond, zodat alle vrouwen in beeld komen.

In de knus ogende samenkomst vertellen de volleybalsters bescheiden over hun eigen prestaties. Maar Faraut zet ze op een voetstuk, en onthult zo zijn bewondering. Hij verfraait hun ingetogen dialogen met intermezzo’s waarin hij de focus legt op herhaling. Beelden van voortdurend fabriekswerk wisselt hij af met ingekleurde archiefbeelden van hardvochtige trainingssessies. Die vonden plaats in een textielfabriek waar ze zelf werkten. In een tussenstuk over de wederopbouw van Japan na de Tweede Wereldoorlog zijn enkele uitspraken van de vrouwen te horen als samples in repetitieve en opzwepende muziek. Zo werkt Faraut toe naar de volleybalfinale tijdens de Olympische Spelen in 1964. Die vonden plaats in Tokio en gaven het naoorlogse Japan een kans op herstel. De beelden van hun wedstrijden en trainingen zijn verweven met scènes uit de animeserie Attack no. 1 (Eiji Okabe, 1969): de allereerste sportanime over meisjes, en geheel gewijd aan het heksenteam.

Sportanime zijn er in overvloed, maar ze draaien bijna allemaal om trainingen en competities waarin de sporters falen en leren. Om het dramatische aspect te vergroten, is de mimiek in vele series theatraal. Personages springen met gemak meters de lucht in. Ook in Attack no. 1 lukt het de meisjes om middenin de lucht een rondje te draaien vlak voor het smashen, wat een heroïsch effect geeft. Maar dat aspect lijkt het enige ongeloofwaardige aan de serie. Vele animescènes zijn duidelijk gebaseerd op de werkelijke gebeurtenissen. Door deze in te vlechten heeft Faraut de ervaringen van de animemeisjes en de echte meisjes op elkaar afgestemd, wat zorgt voor een unieke dynamiek.

Farauts toewijding aan sporthelden is zijn speerpunt: in zijn eerste sportdocumentaire L’empire de la perfection uit 2018 staat tennislegende John McEnroe volop in de schijnwerpers. Zijn focus op de Heksen van het Oosten is eveneens een ode waarmee hij de vrouwen de aandacht geeft die ze verdienen, maar hij erkent daardoor nauwelijks hun tegenstanders. De vrouwen zijn tijdens hun reünie voldoende aan het woord, behalve over de – overigens ontzettend spannende – finale tijdens de Olympische Spelen. Onze beleving ligt daarbij volledig in de handen van de documentairemaker. Hierdoor blijft het gissen naar hoe de vrouwen de finale zelf ervaren hebben, terwijl heel Japan op hen rekende. Maar door de visuele symboliek zal Les Sorcières de l’Orient als sportdocumentaire ook cinefielen en animeliefhebbers aanspreken. Je hoeft dus niet van sport te houden, hoewel Faraut daar verandering in kan brengen.