Now Reading:

An Elephant Sitting Still

An Elephant Sitting Still

In Manzhouli, in het noorden van China, zit een olifant. Mensen verzamelen zich daar om te kijken hoe hij zit. Soms wordt hij met vorken geprikt. Soms geeft men hem eten. Maar hij negeert ze gewoon. An Elephant Sitting Still vertelt het verhaal van vier personen wier levens elkaar langzaam kruisen. Allen zonder een warm thuis, zonder uitzicht op een goede toekomst. Zij zitten ook stil. Een voor een besluiten ze naar de olifant in Manzhouli te vertrekken: zelfs de keuze kost moeite.

Wei Bu (Yuchang Peng) is een scholier op een gebrekkige school in een Chinese achterbuurt. Er wordt door de decaan maar al te duidelijk gemaakt dat hij nooit meer zal worden dan slechts een straatverkoper. Op school is Wei het mikpunt van de pesters, thuis van zijn vaders walging. Overal moet hij op zijn hoede zijn, waardoor Wei, op momenten dat hij alleen is, verschillende wapens in zijn handen neemt. Het geeft echter geen dreigende sfeer. Er is een wil voor verandering, maar een gebrek aan energie om het in beweging te zetten. Iedere stap gaat traag en moeizaam, alsof een onzichtbare zwaarte aan Wei’s schouders trekt.

Wanneer een vriend van Wei beschuldigd wordt van het stelen van de telefoon van een pestkop en Wei het voor hem opneemt, belandt de pestkop per ongeluk in het ziekenhuis. Dit zet een kleine beweging in gang. Door zijn ouders aangedrongen begint de broer van de pestkop, Yu Cheng (Yu Zhang), zijn zoektocht naar Wei voor een repercussie. Maar Yu worstelt met eenzelfde zwaarte. Dit leidt niet tot actie of tot een climax. Het leidt slechts tot twee dwalende schimmen in een grauwe stad.

In de micro-ontwikkeling van het verhaal verliezen de personages de wankele relaties waar ze hun laatste hoop in vinden. De vriend van Wei maakt bekend dat hij wel degelijk de telefoon had gestolen en de vriendschap waarvoor Wei opkwam blijkt van mindere waarde. Ze staan niet samen sterk, hij staat alleen, terwijl de consequenties van het conflict met de pestkop zich alleen maar opstapelen.

Het verlies van een laatste hoop om zich aan vast te klampen komt ook terug in de andere twee personages. Huang Ling (Uvin Wang), klasgenote van Wei, heeft privé contact met de decaan. Bij hem voelt ze zich meer thuis dan bij haar onverschillige moeder. Wanneer deze relatie publiekelijk bekend wordt, verliest Huang een van de weinige dingen waar ze zich niet slecht bij voelt. En de oudere man Wang Jin (Congxi Li) wordt vriendelijk doch dringend verzocht door zijn dochter om naar een verzorgingshuis te verhuizen, zodat zij het geld van zijn woning kunnen investeren in de educatie van zijn kleindochter. Zijn enige acceptabele tegenargument is dat hij zijn hond niet mee kan nemen. Vervolgens wordt deze doodgebeten door een andere hond en zo verliest hij zijn hond en zijn thuis.

Ieder lijkt stil te staan in hun eigen belevingswereld, alsof ze geen impact hebben op hun omgeving. Ze zijn enkel een negatieve bijkomstigheid. Met een kabbelende traagheid volgen we deze tragische dag uit de tragische levens van neerslachtige mensen. De film impliceert dat dit soort dagen en dit gevoel van stilstand zich in het verleden en in de toekomst alsmaar zullen herhalen. Het volgen van de personages gebeurt vrij letterlijk: de camerabeelden beperken zich slechts tot lange shots, altijd op een passelijke afstand. Niet te dichtbij, voor een emotionele afstandelijkheid, maar we verliezen ze nooit uit het oog. Regisseur Bo Hu stelt ook niet scherp in de verte, zelfs niet wanneer er daar iets gaande is. Hij blijft in het hier en nu, bij de personen die niet langer geven om wat er om hen heen gebeurt.

En alles ontwikkelt zich met een poëtische traagheid. Beetje bij beetje verlangzaamt het verhaal zich tot een middenstuk van bijna stilstand, en ik begin mezelf ook wat moedeloos te voelen. Alsof er net een cirkel te veel wordt gelopen. De afstandelijke vertelmanier past prachtig bij het thema van de film en wekt ook een vorm van onverschilligheid bij de kijker. Hierdoor moet je zelf continu inbeelden wat de personages denken en wat hun (niet-)beweegredenen zijn. Soms verliest Hu me. Is de film te afstandelijk? Maar misschien weet het viertal zelf ook niet wat ze willen en voelen ze enkel en alleen de depressie op zich drukken. Van bijna-stilstand gaat de film terug naar zijn oorspronkelijke iets-minder-trage tempo en word ik weer meegetrokken door de de kabbelende stroming. De stroming richting Manzhouli, met de stilzittende olifant die om niets of niemand geeft.

Input your search keywords and press Enter.