In de nieuwe documentaire Allen tegen allen brengt regisseur Luuk Bouwman de fascistische groeperingen uit de jaren dertig in kaart en dat blijken er veel meer te zijn dan alleen de NSB. 

Bouwman zegt in interviews dat het idee begon met een kaart waarop een stamboom te zien is van de vele fascistische groeperingen en clubs in de jaren dertig van de vorige eeuw. Allen tegen allen laat zien hoe al deze kleine groepjes met elkaar in de clinch lagen (de titel zegt het al) en schetst op heldere, soms wat droge wijze de geschiedenis van de opkomst van het fascisme in het vooroorlogse Nederland. 

De kaart in kwestie komt uit de collectie van een verzamelaar en Bouwman laat verschillende van deze verzamelaars aan het woord. De grote vraag die in mij opkomt, waarom zou je fascistische parafernalia verzamelen, wordt slechts mondjesmaat beantwoord. Bouwman trekt geen strenge conclusies over de geïnterviewden, hoewel sommige van hen met een aan morbide grenzend enthousiasme vertellen over hun gesprekken met fascisten of hun verzameling. 

Het lijkt Bouwman er veel meer om te doen om parallellen te trekken met het heden. En niet op een manier die goedkoop is, of waarbij bepaalde partijen automatisch in het verdomhoekje worden geplaatst. De partijen die een goede verstaander zou kunnen noemen als uitdragers van fascistoïde gedachtegoed worden niet met naam en toenaam genoemd. Allen tegen allen geeft de ruimte aan de kijker zelf bepaalde elementen te herkennen in de hedendaagse internationale politiek: de manier waarop xenofobie en seksisme hand in hand gaan, bijvoorbeeld. Of de manier waarop nationalistische partijen constant versplinteren, vanwege de te grote ego’s van mensen binnen de partij.

Zo zijn er veel meer directe lijntjes te trekken naar het heden, maar de kracht van Allen tegen allen is dat Bouwman zich ook hier voornamelijk beschouwend opstelt. Soms had je gewild dat de film een wat meer kritisch standpunt innam, of dat de ondervraagden iets steviger aan de tand werden gevoeld. Maar dat de filmmaker zich uiteindelijk expres lijkt te begeven op het terrein van vraagtekens is ook een kracht. De kijker kan conclusies trekken en Bouwman stopt de elementen voor het trekken van die conclusies ook allemaal in zijn film, maar de film valt ook op een subtielere wijze te lezen.

De doorwerking van het verleden in het heden is namelijk ook op andere wijze zichtbaar: niet in de echo’s van politieke standpunten, maar in het landschap en de levenden. Zo zijn sommige van de geïnterviewden inmiddels stokoude mannen die in hun jeugdjaren, net na de oorlog, direct contact hebben gehad met Nederlandse fascisten en die daar in geuren en kleuren over kunnen vertellen. Vaak ook worden er met de geïnterviewden plekken bezocht die zwijgend getuigen van de geschiedenis van het fascisme in Nederland: een Limburgse kerk waar het interieur een gift was van Mussolini; een inmiddels vervallen huis waar fascisten bij elkaar kwamen, ook nog na de oorlog; de ‘Muur van Mussert’ in Lunteren, een ontmoetingsplek van de NSB. Bouwman toont enkel en maakt geen statements. Maar voor de goede verstaander is de boodschap duidelijk: dit is allemaal niet zo lang geleden en kan onder de verkeerde omstandigheden zo weer gebeuren.