Nu aan het lezen:

Ad Astra

Ad Astra

De spiertjes vlak onder de ogen van Brad Pitt lijken te verraden dat er onder het oppervlak iets broeit in de verder zo stoïcijns ogende Roy McBride. Ze trillen soms, nauwelijks waarneembaar. Het is tekenend voor de nieuwste film van James Gray dat betekenis schuilt in zoiets kleins. Want hoe groots en ambitieus dit sciencefictionepos ook is, uiteindelijk is Ad Astra vooral een intieme film. Over een vader die van een voetstuk valt en de zoon die de scherven moet oprapen.

In de eerste scènes zien we McBride aan het werk op een enorme satelliettoren die vanaf de aarde naar de sterren reikt, speurend naar buitenaards leven. Direct creëert Gray claustrofobie binnen het onmetelijke. Enerzijds wordt de hoogte van de satelliettoren benadrukt, de peilloze diepte naar de aarde, maar tegelijk is de focus gevestigd op McBride, de ‘ruimte’ binnen zijn helm die alles daarbuiten dempt. Het is die isolatie in het oneindige waar McBride zich goed bij voelt. ‘My focus is on the essentials, to the exclusion of all else’, zegt hij in een psychologische evaluatie. Maar hoe definieer je wat essentieel is?

Ondanks zijn eigen verdiensten is McBride vooral zoon van. Zijn vader, Clifford McBride (Tommy Lee Jones) was een legendarische astronaut, maar verdween jaren geleden in de nevels van Neptunus tijdens een missie die zocht naar intelligent, buitenaards leven. Maar Roy krijgt te horen dat zijn vader wellicht nog leeft en iets te maken heeft met de vernietigende stroompieken die vanuit de ruimte de aarde teisteren. Dat deze scène wel wat wegheeft van die uit Apocalypse Now waarin kapitein Willard wordt gebriefd over kolonel Kurtz, en dat Gray zelf Joseph Conrads Heart of Darkness als inspiratiebron heeft aangeduid, geeft een duidelijke indicatie dat als Clifford inderdaad nog leeft, Roy zijn beeld van hem flink zal moeten bijstellen. En dus persisteert Roy in zijn geloof dat zijn vader niet meer leeft. Dood kan hij niet van zijn voetstuk vallen. Dood kan hij een held blijven.

Toch reist McBride af naar een ruimtestation op Mars, van waaruit een radioboodschap de ether rond Neptunus in kan worden gezonden. Die reis gaat via de maan. Decennia nadat Buzz Aldrin nog wat onhandig voordeed hoe je je over het maanoppervlak kunt voortbewegen, heeft de mens zich daar gevestigd. De ‘magnificent desolation’die Aldrin zag is volgebouwd met winkelcentra en roltrappen. En waar de mens gaat brengt hij conflict met zich mee. Er zijn war zones en piraten die op verweerde maanrovers konvooien overvallen. Het levert een achtervolging op die op zichzelf vrij spectaculair is, maar net als een paar andere momenten in de film toch een tikje als concessie aan de studio voelt. Het zijn actiemomenten die de film wat jeu geven, maar niet altijd even noodzakelijk zijn voor wat Gray werkelijk wil vertellen.

Ad Astra kende een hobbelige aanloop naar de release. Eerst uitgesteld in post-productie, daarna door de overname van Fox door Disney. Dat Gray de kans kreeg een sciencefictionfilm te maken met een budget van rond de 80 miljoen dollar is sowieso opmerkelijk te noemen. Gray is een gewaardeerd regisseur, maar zijn films zijn zelden een commercieel succes. Op bepaalde punten is de druk van dat budget te voelen. De balans helt iets te ver over naar de reis, met spectaculaire set pieces en de eerder genoemde actiemomenten. Alles prachtig in beeld gebracht door cameraman Hoyte van Hoytema. En dat gaat ten koste van de desolate eindfase rond Neptunus. Terwijl je voelt dat daar de kern ligt van waar Gray toe wil komen. Hoe verder McBride van de aarde reist en hoe grootser de eindeloze leegte rond hem, hoe meer de focus van de film zich vernauwt. En daarin is Ad Astra op zijn best.

En daarin is ook Brad Pitt op zijn best. Zelden speelde hij een rol kleiner dan hier. En juist in dat minimale weet hij een veelheid aan emotie te suggereren net onder het oppervlak van dat zo kalme exterieur. ‘Most of us spend our entire lives hiding’, horen we Roy zeggen in een voice-over. Vader en zoon McBride zijn het soort mannen wier verdienste is dat ze zich nooit laten overvallen door emoties, dat ze zelfs in de meest penibele situaties het hoofd koel houden en rationeel handelen. Roy staat erom bekend dat zijn hartslag tijdens missies nog nooit boven de tachtig is gekomen. Een kwaliteit die geroemd wordt door zijn superieuren. Maar Gray toont het als een onvermogen, een vorm van verstoppertje spelen die grote krassen in de ziel zet. De film past thematisch naadloos in een oeuvre vol mannen die worstelen met de erfenis van vaders (We Own the Night) en die verder reiken dan de grenzen van het menselijke en uiteindelijk grijpen in het niets (The Lost City of Z).

Vooral dat laatste aspect had voor mij in Ad Astra wat meer ruimte mogen krijgen. De film stelt de intrigerende vraag wat angstaanjagender is: het idee dat er ergens in het universum ander leven is of moeten leven met de wetenschap dat we alleen zijn. Maar vooral toont Ad Astra wat eerder dit jaar Claire Denis ook liet zien in High Life: hoeveel lichtjaren ver je ook gaat, je blijft altijd jezelf tegenkomen. ‘We’re all we’ve got’, zoals Roy opmerkt. Het is een boodschap die zowel optimistisch als verwoestend kan zijn.  

Leuk? Deel het even!
Leuk? Deel het even!
Written by

Redacteur bij Cine, schrijft daarnaast ook nog onder meer over film bij Biosagenda.nl en over theater bij Theaterkrant.nl. Daalt graag af naar de obscure krochten van cinema en houdt bijna net zoveel van slechte sciencefiction als van goede sciencefiction.

Typ en klik enter om te zoeken