We leven minstens zozeer met wat we niet hebben als met wat we wel hebben. En als iets de mensen bindt in de nieuwe film van de Zweedse cineast Roy Andersson, is het dat ze allemaal iets verloren hebben. Of nog niet gevonden.

About Endlessness ligt in het verlengde van Songs from the Second Floor (2000), You, the Living (2007) en A Pigeon Sat on a Branch Reflecting on Existence (2014). Andersson noemde zijn nieuwste zelf al grappend ‘het vierde deel van mijn trilogie over de mens.’ Losjes in elkaar grijpende vignetten tonen de mens in al zijn onbeholpenheid. We lachen om ze, maar nooit ten koste van ze, de mensen in het universum van Anderssons films. Een universum dat bevolkt wordt door terugtrekkende haarlijnen en verslappende huid. Waar de een worstelt met een geloofscrisis, een ander met een afgebroken hak.

Andersson filmt alles in een eigen studio waar hij volledige controle heeft over de omstandigheden. Het leidt tot een hevige stilering, waarbij elk detail, tot aan de net niet goed sluitende lade en scheefgezakte grafsteen toe, is uitgedacht. Elke scène bestaat uit één lang, statisch shot. Al is dat een bedrieglijke term. Want hoewel de camera inderdaad onbeweeglijk is, of eigenlijk omdat de camera onbeweeglijk is, ligt er veel nadruk op de beweging in het shot. En Andersson is er een meester in om binnen dat vaste kader de focus te verleggen gedurende een scène.

God is altijd aanwezig in het werk van Andersson en in deze film lijkt ze zelfs een stem te krijgen. Zo nu en dan klinkt een vrouwenstem die voor zichzelf lijkt samen te vatten wat ze ziet. Alsof ze neerkijkt op de mensheid en reflecteert op haar creatie. De wegen die ze in zijn geslagen en hoe vaak dat dwalingen blijken te zijn. Want ze zijn zoekend, de mensen. Zoekend naar zingeving of het juiste café.

Het is verleidelijk de films van Andersson troosteloos te noemen. Het is een wereld waar de kleur uit is getrokken, er is geen blosje op een wang te ontdekken. In een schrijnende scène wordt een priester die zijn geloof is verloren het kantoor van zijn psychiater uitgewerkt, want het is sluitingstijd. Terwijl het gejammer van de wanhopige priester buiten wegsterft, kijkt de psychiater op zijn horloge: ‘Als ik de bus nu maar haal.’  

Maar voor wie het wil zien zijn er ook gebaren van troost. De vader die de veters van zijn dochter strikt in de stromende regen. De vrouw die haar man eraan herinnert dat hij met zijn slechte knie de Eiffeltoren beklom. En dat dat ook wat waard is. Kleine, liefdevolle momenten die geen geschiedenis schrijven, maar de ander even optillen.