Nu aan het lezen:

8 keer films over films

8 keer films over films

‘Hooray for Hollywood,’ gaat het in het bekende liedje. Toch lijkt Hollywood zelden in hoerastemming te zijn wanneer het films maakt over zichzelf. De filmhoofdstad portretteert zich doorgaans als een plek bevolkt met pompeuze ego’s, leeghoofdige bimbo’s en machtshongerige producers die elkaar met veel plezier een mes in de rug planten. Gelukkig maar dat het klimaat er lekker is! De drie beste films over Hollywood zijn Sunset Boulevard, Singin’ in the Rain en The Player. Dat is niet enkel mijn mening, dat staat zowat wetenschappelijk vast. Maar er is meer, veel meer! Nu ook Quentin Tarantino deze week zijn duit in het zakje doet met Once Upon a Time… in Hollywood, gaan wij op zoek naar enkele andere interessante films over Tinseltown en het boeiende, maar frustrerende proces van films draaien.

Hellzapoppin’ (H.C. Potter, 1941)

‘Any similarity between Hellzapoppin’ and a motion picture is purely coincidental’ waarschuwen de openingstitels ons. Het enige dat meer verbaasd dan het feit dat Hellzapoppin’ ooit gemaakt is, is het feit dat er niet meer over gesproken wordt. De eerste tien minuten zijn zo anarchistisch dat de Marx Brothers er brave koorknapen bij lijken. Dit is een film waarbij de acteurs de filmoperateur vragen om even terug te spoelen, slecht gekaderde scènes handmatig corrigeren en zich regelmatig tot het publiek richten met allerhande boodschappen van algemeen nut. (‘Stinky Miller, go home!’) Na de eerste tien minuten wordt de waanzin een klein beetje teruggeschroefd en doet het comedyduo Ole Olsen en Chic Johnson een halfslachtige poging om een plot te introduceren, iets over hoe ze een film van hun al even gestoorde Broadwayshow kunnen maken. Het flinterdunne verhaaltje wordt (typisch voor die tijd) iets te vaak onderbroken voor melige liedjes, maar net wanneer je tijdens die momenten naar de fast forward knop reikt, komt er een pratende beer op een step voorbij en blijf je toch maar kijken. Een duidelijke invloed op onder meer Monty Python en de Airplane films.

Chaplin (Richard Attenborough, 1992)

Aan zij die zich graag ergeren: zet Richard Attenborough’s Chaplin biopic nog eens aan! Krom je tenen bij de vreselijke raamvertelling waarin Anthony Hopkins een uitgever speelt die Chaplin ondervraagt over zijn pas geschreven autobiografie. William Goldman heeft nooit onhandigere dialogen geschreven dan hier. De regisseur lijkt een checklist af te werken van alle schandalen uit het leven van Chaplin (toegegeven dat zijn er nogal wat) maar lijkt niet door te hebben dat de enige momenten waarop zijn biopic tot leven komt, de momenten zijn waarin Chaplin aan het werk is. De film geeft de spirit van de filmwereld in de pioniersdagen prima weer. Het is smullen wanneer we een kijkje mogen nemen in de studio van Mack Sennett of samen met Chaplin en Douglas Fairbanks een tocht te paard maken door de Hollywood Hills. Helaas zijn deze momentjes te zeldzaam, want voor je het weet heeft Charlie weer een nieuw kindbruidje gestrikt. Downey jr lijkt als twee druppels water op Chaplin en verdiende een betere film. Ironisch genoeg zijn de laatste tien minuten van de film de beste. We zien dan een montage met clips uit films met de echte Chaplin en herinneren ons waarom hij zo goed en belangrijk was. Iets wat Attenborough ons de twee en half uur daarvoor niet echt duidelijk kon maken.

The Bad and the Beautiful (Vincente Minnelli, 1952)

Zeker en vast niet te verwarren met oma’s favoriete soap, The Bad and the Beautiful is een van de allerbeste films over Hollywood. Kirk Douglas speelt Jonathan Shields: een machtige producer, voor een groot deel gebaseerd op David O. Selznick, met een klein snuifje Val Lewton om eventuele processen te vermijden. In het begin van de film nodigt hij een regisseur (Barry Sullivan), een schrijver (Dick Powell) en een actrice (Lana Turner) uit in zijn huis, dat zo uit een Universal griezelfilm lijkt te zijn weggelopen. Hij smeekt de drie om hem nog één kans te geven en om nog één keer met hem samen te werken. In drie lange flashbacks maakt Minnelli ons vervolgens duidelijk waarom de drie niet geneigd zijn om dit te doen. The Bad and the Beautiful biedt een ontnuchterende kijk achter de schermen van Hollywoods droomfabriek. De machtsverhouding tussen regisseur en producer, filmsterren die beter hun weg vinden naar de casting couch dan naar de filmset, de in alcohol en onzekerheid gemarineerde schrijver die langs alle kanten gemanipuleerd wordt: insiders in die tijd wisten maar al te goed wie Minnelli allemaal op de korrel nam.
Tien jaar later maakten Douglas en Minnelli een tweede ontluisterende trip naar de filmwereld in het veel mindere Two Weeks in Another Town.

Swimming with Sharks (George Huang, 1994)

Kevin Spacey verblijft momenteel in het verborgene en de kans dat hij ooit terug in het zonlicht treedt, lijkt zeer klein. Als ook maar een klein deel van de beschuldigingen die hem ten laste worden gelegd waar zijn, is dat niet meer dan terecht. Maar, en dat moeten we ook durven toegeven, wat een geweldig acteur is die man! In Swimming with Sharks geeft hij een showcase performance die zowat met de hele film dreigt weg te lopen. Hij speelt Buddy Ackerman, een psychotische Hollywoodproducer (als je de films moet geloven zijn er geen andere) wiens lust en leven het is om zijn assistent Guy (gespeeld door Frank Whaley) te vernederen. Buddy’s uitleg: als je de ladder wil beklimmen, moet je nu eenmaal tegen een stootje kunnen. Na meer dan een jaar geterroriseerd te zijn door zijn baas, is de emmer bij Guy vol en dringt hij het huis van Buddy binnen om hem te gijzelen. De woorden ‘It’s payback time’ worden op dat moment letterlijk uitgesproken. Gelukkig is het scenario van regisseur George Huang (hij was ooit zelf de assistent van Joel Silver en schreef zijn eigen frustraties van zich af) voor de rest wel best te pruimen. Spacey krijgt een keure van beledigingen die hij in het rond mag slingeren (‘Mijn badmat is belangrijker dan jij!’) en hij doet dat met gusto.

Gods and Monsters (Bill Condon, 1998)

En wat gebeurt er wanneer de lichten uitgaan? James Whale was een van de toonaangevende regisseurs van begin jaren ’30. Zijn Universal horrorfilms (Frankenstein, Bride of Frankenstein, The Old Dark House) zijn ook vandaag nog het bekijken waard. Whale was openlijk homoseksueel, in een tijd waarin het hoogst ongebruikelijk was om uit de kast te komen. Hij zag, zo legt hij in de film uit, zijn horrorfilms als komedies. De truc is om voldoende laagjes te leggen, om de illusie niet te verpesten voor mensen die gewoon willen griezelen. Na 1940 maakte hij nauwelijks nog een film. Gods and Monsters schetst de laatste dagen van zijn leven. Ian McKellen speelt hem, in een rol die hem op het lijf geschreven is, als een flamboyante verschijning. Voortdurend geïrriteerd dat iedereen steeds weer over Frankenstein wil praten met hem, terwijl hij zijn andere films veel interessanter vond. Hij sluit vriendschap met Brendan Fraser, in een interessant staaltje van out of the box casting, als zijn ietwat dommige tuinman, die dankzij zijn platte kapsel in profiel heel wat wegheeft van Whale’s iconische monster. Waar Whale eerst nog wat halfslachtige pogingen doet om hem te versieren is hij, naarmate zijn gezondheid bergaf gaat, enkel nog blij dat Fraser luistert naar zijn verhalen over de oorlog en zijn carrière. Condons film is bij momenten iets te zwaar op de hand, maar biedt voldoende inside jokes om liefhebbers van klassieke (monster)films blij te houden.

Hollywoodland (Allen Coulter, 2006)

In de periferie van Hollywood lijkt misdaad goed te gedijen. Filmmakers zijn al zeer lang gefascineerd door de combinatie van moord, glamour en palmbomen. Zozeer dat je gewag kan maken van een subgenre, laten we het Hollynoir noemen. De bekendste in dit genre is waarschijnlijk LA Confidential, maar je hebt ook The Black Dahlia, Kiss Kiss Bang Bang of Mulholland Dr, om er maar een paar te noemen.
Hollywoodland past ook in dit rijtje. De film handelt over een van Hollywoods meest intrigerende onopgeloste zaken: de (zelf?) moord van George Reeves (hier gespeeld door Ben Affleck). Reeves had een weinig succesvolle filmcarrière (zijn claim to fame was een klein rolletje in Gone with the Wind) totdat hij begin jaren 50 Superman mocht spelen in een tv-serie. Dit maakte hem bijzonder populair, maar de typecasting frustreerde hem. In Hollywoodland zien we hoe hij tevergeefs audities doet voor een rol in From Here to Eternity. In plaats daarvan moet hij kinderfeestjes opluisteren. In 1959 werd zijn lichaam gevonden, kogel door het hoofd, blijkbaar een zelfmoord. Toch vindt publiciteitshongerige detective Adrien Brody heel wat elementen die niet kloppen en gaat hij op onderzoek uit. Op zijn speurtocht komt hij onder meer de beruchte studio fixer Eddie Mannix tegen (die we nog kennen van in Hail Caesar, dit keer gespeeld door Bob Hoskins) en een klein legertje aan femme fatales.
Hollywoodland is sleazy, onderhoudend en geeft Ben Affleck de eer om het antwoord te zijn op de triviavraag wie de enige acteur is die zowel als Batman en als Superman over het witte doek heeft mogen lopen.

The Last Tycoon (Elia Kazan, 1976)

Als The Last Tycoon ons één ding leert, is het wel dat een Grote Cast (Robert de Niro, Jack Nicholson, Robert Mitchum, Tony Curtis, Jeanne Moureau, Theresa Russell, Donald Pleasence, Ray Millan) niet noodzakelijk Grote Cinema oplevert. Het onverfilmbaar geachte laatste (en onvoltooide) werk van F. Scott Fitzgerald bleek effectief onverfilmbaar te zijn. Het prutserige scenario van Harold Pinter slaagt er geen enkel moment in om ons mee te slepen in het leven Monroe Stahr, een producer in het Hollywood van de jaren 30, gebaseerd op de legendarische Irving Thalberg. De film begint nochtans veelbelovend met een De Niro (die er nooit knapper heeft uitgezien) prima in vorm als de veelgeplaagde producer die kunst wil maken, terwijl hij wordt tegengewerkt door Mitchum en Milland die het geld vertegenwoordigen. Spijtig genoeg voor ons komt er snel een meisje in zijn leven (de knappe Ingrid Boulting staat helaas zwaar boven haar gewichtsklasse te acteren) waardoor de film een oeverloos saaie romance wordt. Het laatste halfuur, met de enige De Niro-Nicholson confrontatie uit de filmgeschiedenis, is wel weer opnieuw de moeite. Een frustrerend oneven film, die ook de zwanenzang van Elia Kazan zou blijken te zijn.

Living in Oblivion (Tom DiCillo; 1995)

De lijdensweg van een regisseur van een onafhankelijke film in het midden van de jaren 90. We volgen Nick Reve (de achternaam is niet toevallig) tijdens een opnamedag waarop werkelijk alles fout loopt. Lampen springen, de melk is zuur, de rookmachine werkt niet, zijn dementerende moeder duikt op op de set, zijn hoofdactrice (Catherine Keener) is ziekelijk onzeker, zijn hoofdacteur (James LeGros) is een pompeuze kwast en zijn cameraman heeft een ontstoken oog en liefdesverdriet. Tom DiCillo schreef het scenario terwijl hij putte uit zijn eigen ervaringen en kreeg zijn cast zover dat ze gratis acteerden. Sommigen investeerden zelfs in de film. Living in Oblivion balanceert voortdurend elegant tussen droom en werkelijkheid, tussen kleur en zwart-wit, tussen grappig en tragisch. Hoogtepunt is de tirade die Peter Dinklage geeft over dwergen in droomscènes. Hij heeft natuurlijk een punt. Hoe vaak heb jij al over dwergen gedroomd?

Leuk? Deel het even!
Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken