Nu aan het lezen:

Vier keer klassieke slapstick

Vier keer klassieke slapstick

 

Deze week kwam de biopic Stan & Ollie uit, over het iconische slapstickduo Laurel & Hardy. Het geheim van hun succes is te lezen in hun Nederlandse bijnaam ‘de dikke en de dunne’: een grote komiek overstijgt het bijzondere en vertegenwoordigt universele eigenschappen. Laurel & Hardy zijn daardoor menselijk als archetypes van de kluns. Omdat er in de filmkritiek wat meer gelachen zou moeten worden, beschrijven Sjoerd van Wijk en Kaj van Zoelen nog vier iconische archetypes van de slapstick.

Safety Last! (Fred C. Newmeyer & Sam Taylor, 1923)


De guitige Harold Lloyd kijkt ondeugend van achter zijn grote brillenglazen de wereld in. Hij is met zijn tomeloze ambitie een duidelijk product van de roaring twenties. Als gewone werknemer bij een warenhuis probeert hij in Safety Last! een publiciteitsstunt te organiseren en zo hogerop te raken. Uiteraard gaat dit faliekant mis, waardoor Lloyd zonder veiligheidsmaatregelen of training zelf het winkelgebouw moet beklimmen. Belofte maakt immers schuld. Zijn typetje combineert alledaagsheid met aandoenlijke branie. Bij hem is de eindeloze zucht naar een nieuwe uitdaging de bron van alle kattenkwaad. Lachen hierom is als een boer met kiespijn: natuurlijk is het beklimmen van de carrièreladder een serieuze aangelegenheid. De tijd verstilt als Harold Lloyd aan de grote klok hangt. De realisatie dat het dagelijks leven geen onhandigheden duldt doemt op.
Sjoerd van Wijk

 

Sherlock Jr. (Buster Keaton, 1924)


Stoethaspel of stuntman? Buster Keaton lijkt beide. Hij balanceert haarscherp tussen dromer en durfal. Zijn immer stoïcijnse blik maakt de halsbrekende stunts nog adembenemender. In Sherlock Jr. droomt hij ervan een detective te worden tijdens zijn baan als filmoperateur. Als hij onterecht beschuldigd wordt van het stelen van zijn schoonvaders horloge, moet hij zijn boekenwijsheid in de praktijk brengen, met alle waaghalzerij van dien. Het zijn aangrijpende avonturen over een klungel met onvermoede krachten. Als hij zittend op een motorstuur voortraast langs aanstormende treinen of door spitsverkeer heen, leidt zijn nonchalance ertoe dat de kijker plaatsvervangend alert wordt. Het is als een droom waar alles mogelijk is, een parallel die Sherlock Jr. ook zelf maakt door te wijzen op de magie van film. Maar Keaton schenkt het vertrouwen dat als men het droomt, het ook werkelijk kan.
Sjoerd van Wijk

 

A Night at the Opera (Sam Wood, 1935)


A Night at the Opera (1935) is een van de beste films van de Marx Brothers, de broers die in de jaren dertig furore maakte met hun anarchistische, soms zelfs surrealistische komedies. Ze begonnen in het theater en stapten na de introductie van de geluidsfilm over naar het witte doek, door enkele van hun succesvolle theatershows tot film te bewerken. Zeker in hun eerste films is die toneelachtergrond nog merkbaar, onder meer door het voor moderne ogen vreemde tempo – regelmatig wordt er gepauzeerd na grappen, omdat de broers van hun tijd op de planken wisten dat er dan zo hard gelachen werd dat niemand het zou horen als er direct iets op zou volgen. A Night at the Opera is misschien minder anarchistisch dan eerdere films als Animal Crackers, Monkey Business of Duck Soup, maar daardoor niet minder leuk. De film bevat enkele van hun beroemdste scènes, zoals die waarin de kleinste cabine op een schip wordt volgestouwd met mensen, en die waarin bedden telkens op inventieve wijze verborgen moeten worden voor een hoteldetective. Scènes die nog steeds werken door een combinatie van slapstick van Harpo en Chico, en de woordspelingen en oneliners van Groucho. Naast de grappen is er ook altijd ruimte voor muziek in de films van de Marx Brothers, dit keer uiteraard met échte opera.
Kaj van Zoelen

 

Mr. Thank You (Hiroshi Shimizu, 1936)

Kenji Mizoguchi, samen met Kurosawa, Ozu en Naruse een van de ‘grote vier’ van de Japanse film, zei ooit: ‘Mensen zoals ik en Ozu maken films door keihard te werken, maar Shimizu is gewoon een genie.’ Hiroshi Shimizu’s bijzondere komedie Mr. Thank You is daarvan bewijs. In deze roadmovie rijdt een buschauffeur zijn vaste route van het platteland naar de grote stad en weer terug. Hij wordt Meneer Dankjewel genoemd, omdat hij de enige chauffeur is die dankjewel roept als mensen die op de weg lopen aan de kant gaan voor zijn bus. De manier waarop ze dat doen, is zeer apart gefilmd. Elke keer als hij iemand nadert op de weg, zien we dat vanuit zijn perspectief. Net op het moment dat het lijkt dat hij ze met zijn bus gaat overrijden, knipt Shimizu naar een shot vanuit de achterruit van de bus, terwijl de mensen nog steeds in het midden van de weg staan, vrolijk zwaaiend terwijl we zijn beroemde ‘dankjewel’ horen. Alsof het figuren in een cartoon zijn die blij overreden worden en meteen weer opstaan. Een unieke, visuele running gag. Ondertussen gebeurt er van alles in en rondom de bus, zonder dat je dat ziet. Er speelt zich bijvoorbeeld een heel drama af in scènes die Himizu bewust uit de film laat, waardoor het verhaal van een passagier die door haar moeder uit armoede als prostituee wordt verkocht, volledig verteld wordt met blikken van hen en dialoog van anderen. Het is knap hoe Himizu in zijn zachtmoedige komedie indirect heel veel laat zien van de Japanse samenleving in de jaren dertig. Mr. Thank You is een hartverwarmende komedie waarin niks lijkt te gebeuren, lichtvoetig maar toch inhoudelijk rijk. En het lijkt allemaal zo moeiteloos.
Kaj van Zoelen

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken