Nu aan het lezen:

Verdronken Kalveren (1): van Above Us All tot Sur Place

Verdronken Kalveren (1): van Above Us All tot Sur Place

Er wordt vaak geklaagd over de kwaliteit van de Nederlandse Film, zeker rond de Gouden Kalveren. Was Bankier van het Verzet nu echt zo goed? Heeft Roel Reiné een punt als hij verzucht dat films als de zijne (Redbad, Michiel de Ruyter) nooit genomineerd worden? Is publiekstrekker De Film van Dylan Haegens echt zo slecht? (Ja.) Onder het motto ‘als het Gouden Kalf verdronken is, dempt men de put’ wil ik niet achteraf klagen maar eens een positief geluid over onze cinema laten horen: een lijst (in twee delen) van twintig films die nooit een Gouden Kalf wonnen, maar de moeite van het kijken waard zijn.

Above Us All (2014, Eugenie Jansen)

De onbekendheid van Eugenie Jansens Above Us All is eigenlijk een beetje treurig: de regisseur was té vernieuwend. Dat betekent dat de film, helaas ook niet te vinden op DVD, maar door weinig mensen in de juiste vorm gezien is: het is een ambitieuze artfilm in 3D, net uitgebracht toen weinig kleine filmhuizen (waar de film enkel draaide) vol ingezet hadden op deze techniek. Daarnaast heeft de film enkele stilistische eigenaardigheden die ervoor zorgen dat ie moeilijk verkoopbaar is bij het publiek: Above Us All is een mix van documentaire en drama, met onervaren acteurs, en elk shot is een draai van 360 graden rond de as. In 3D dus. Een traditioneel verhaal afwezig is ook afwezig. Kortom: iets te avontuurlijk voor het grote publiek. Maar vier jaar nadat ik de film zag kan ik me sommige beelden nog haarscherp herinneren, en dat is niet het geval bij de gemiddelde 3D-film die ik dat jaar in de bios zag.

After the Tone (2014, Digna Sinke)

Hoe film je iemands plotselinge afwezigheid? Digna Sinke past een stilistische houdgreep toe die zich in veelvoud uitbetaalt: in After the Tone zien we geen enkel mens duidelijk in beeld. We zien enkel plekken. De buitenkant van een kantoorgebouw. Een flat in de verte terwijl we uitkijken over de polder. Een pont over het IJ. Ondertussen horen we geluiden op het antwoordapparaat van de vermiste Onno. De eerste berichten zijn vol onrust, daarna volgt paniek, twijfel, pijn bij de afwezigheid van antwoorden. De berichten volgen steeds minder frequent: tussen de laatste paar voicemails zitten maanden. Het beeld en geluid van After the Tone proberen zo een leegte in beeld te brengen. De volstrekte eenzaamheid van de beelden en berichten beklijft.

Een Dag in ’t Jaar (2015, Margot Schaap)

Een soort op-en-top Amsterdamse Noah Baumbach- of Richard Linklater-film, dat is Een Dag in ’t Jaar. De semi-geïmproviseerde verhaallijn leidt drie vrienden door de hele stad heen. Het tijdsbestek van hun tocht is één dag, of is het een jaar? Margot Schaap filmde elke maand van het jaar een gedeelte van de film, waardoor het rondslenteren van het drietal hun langs bloeiende krokusjes, vrijmarktverkopers, zomerse badgasten en winterse sleeërs brengt. Onder het flaneren praten de drie over de grote missende vierde, Twan, hun overleden broer, beste vriend en partner. Het adagium van de roadmovie geldt: een reis van A naar B is ook de emotionele reis van de personages. Hier is de reis te voet en door stukjes Amsterdam die we zelden zien in film: ook wel eens verfrissend.

Een Dagje naar het Strand (1984, Theo van Gogh)

Theo van Gogh mag dan vooral gezien worden als regisseur van provocatieve en puberale films als Charley en Luger en meer dialooggerichte slagvelden tussen de seksen als Interview, Blind Date en 06, hij had ook een surrealistische, melancholische kant, getuige Een Dagje naar het Strand, gebaseerd op de gelijknamige klassieker van Heere Heeresma. Een gescheiden vader neemt zijn lichamelijk gehandicapte dochter mee naar het strand, maar verliest zich daar in een drankgelag dat steeds absurdere vormen aanneemt. Het strand van Scheveningen zag er nooit zo mistroostig en druilerig uit, en de smakeloze inrichtingen en haveloze gasten van de verschillende half verlaten cafés en strandtenten blijven nog lang door het hoofd spoken.

I Love Dries (2008, Tom Six)

De meesmuilende manier waarop wordt gepraat over Tom Six vind ik persoonlijk een gotspe. De man mag niet de meest bescheiden persoonlijkheid hebben, maar dat heeft Martin Koolhoven ook niet, en die wordt op handen gedragen. En ja, de films van Tom Six koketteren met slechte smaak, maar om de films daar op af te rekenen is hetzelfde als zeggen dat de films van Wes Anderson wel érg gestileerd zijn, of dat de films van Quentin Tarantino wel érg praterig zijn: het vermeende minpunt is een bewuste keuze. Nergens is dat duidelijker dan in I Love Dries, een film die de transgressieve ranzigheden van John Waters en horror-thrills van Tobe Hoopers The Texas Chain Saw Massacre combineert met een metatekstuele blik op oer-Hollandse uitdragers van de ‘lage cultuur’ als Dries Roelvink, Sugar Lee Hooper, de familie De Wit uit het realityprogramma De Afvallers, Chiel Montagne en Grad Damen. Dat de film in première ging in een Van Der Valk is eigenlijk alleen maar poëtisch, al vraag ik me wel af of ik mijn taaie schnitzel binnen had gehouden bij het zien van de meest geïnspireerde (én meest smerige) beeldrijm uit de Vaderlandse cinema: een hard cut tussen een versgedraaide poedeldrol en een dampende frikandel op een bord.

Ja Zuster, Nee Zuster (2002, Pieter Kramer)

Het is onbegrijpelijk dat de beste grote commerciële Nederlandse film van de afgelopen pakweg twintig jaar, Ja Zuster, Nee Zuster, geen enkele Gouden Kalf-nominatie in de wacht kon slepen. Dat terwijl de film een perfecte balans vindt tussen een publieksvriendelijke ode aan de verhalen, muziek en personages van Annie M.G. Schmidt en Harry Bannink, inclusief een sterrencast (Loes Luca, Paul de Leeuw) en een charmante en campy cinefiele knipoog naar het werk van onder andere Douglas Sirk, Jacques Rivette en zelfs een vleugje Rainer Werner Fassbinder. Daarnaast heeft de film een extra troef die hem zo speciaal maakt: het is een van de weinige films die de progressieve waarden uit de jaren zestig rond bijvoorbeeld homo-emancipatie, vernieuwingen in de psychiatrie, immigratie en vrouwenrechten met dezelfde nostalgische warme blik bekijkt als zondagse koekjes bij de thee, het Koningshuis en het Terlouwse touwtje uit de brievenbus.

De Johnsons (1992, Rudolf van den Berg)

De Johsons is een unicum: een onvervalste Nederlandse horrorfilm met een miljoenenbudget én een surrealistische artfilm met literair cachet (Leon de Winter schreef mee aan het script) en een kunstgerichte regisseur aan het roer (Rudolf van den Berg had het niet zo op genrefilms en ging voor Kunst met een grote K). Het resultaat is één van de meest zonderlinge grote films ooit gemaakt in Nederland: een psychoseksuele nachtmerrie vol koortsdromerige horrorscènes. Met internationale allure, maar ook een duidelijke Nederlandse culturele achtergrond. Allerlei vertrouwde Nederlandse locaties als buitenwijken vol betonnen asbestflats en de Biesbosch komen langs, maar krijgen in de handen van Van den Berg de unheimische look van een giallofilm.

Moonlight (2002, Paula van der Oest)

Paula van der Oest is een regisseur die mij eigenlijk nooit heeft kunnen overtuigen. Ze is net als bijvoorbeeld een Ben Sombogaart, Jean van der Velde, Maria Peters of Joram Lursen iemand die dermate volgens de regeltjes werkt dat veel van haar films weinig geïnspireerd overkomen. Degelijkheid is geen doodzonde, maar je scoort er in mijn ogen ook geen punten mee. Moonlight is een uitzondering, een film die geen gezonde geest degelijk zou durven noemen, want Paula van der Oest kleurt ver buiten de lijntjes met deze film. Een duister sprookje waarin de ontluikende seksualiteit van een meisje (de film begint met haar ongesteldheid en eindigt met haar ontmaagding) samenloopt met het vinden van een even jonge drugskoerier, met wie ze de grens over vlucht. De film zit vol viscerale, naargeestige en surrealistische beelden en bevat meer menstruatiesymboliek dan Roodkapje. Moonlight is overstuurd, experimenteel, sleazy, maar ook uitermate memorabel, mede dankzij een fantastische hoofdrol van Laurien Van den Broeck (ook al zo goed in Mariken), die een moeilijke, meertalige en emotioneel heftige rol met verve speelt.

 

A Strange Love Affair With Ego (2015, Ester Gould)

Soms komt er een filmmaker, bijna vanuit het niets, met een aantal ijzersterke films die veel beloven voor de toekomst. Binnen één jaar bracht Ester Gould twee docu’s uit (haar tweede en derde respectievelijk): Strike a Pose is een prachtige docu over de achtergronddansers van Madonna, maar A Strange Love Affair With Ego is werkelijk vernieuwend. Een onderzoek naar ‘het ego’, en zaken als zelfbeeld, narcisme en egoïsme, maar bovenal een interessante filmische puzzel, waarbij iemands dagboekfragmenten worden afgewisseld met karakterschetsen van een groep vrouwen van verschillende leeftijden en achtergronden die elk op hun eigen manier met het onderwerp ‘ego’ bezig zijn. Als uiteindelijk blijkt dat Ester Gould één specifiek persoon wil typeren aan de hand van de levens van anderen, wordt duidelijk hoe briljant de opzet van deze film is: de ironie van ‘het ego’ en ‘het individu’ is dat de worsteling daarmee universeel is.  Door een persoonlijk verhaal te illustreren aan de hand van meerdere levens worden de pijnpunten van ‘het ego’ prachtig blootgelegd.

Sur Place (1996, Paul Ruven)

Je zou het bijna vergeten, door op zijn zachtst gezegd minder geslaagde films als Ushi Must Marry, De Overgave, Mafrika en Gangsterboys, maar Paul Ruven was in zijn begindagen een uiterst talentvolle regisseur, een protegé van Pim de La Parra met een unieke stijl. De Tranen van Maria Machita is mijn favoriete Nederlandse korte film, maar ook How to Survive a Broken Heart, Ivanhood en Sahara Sandwich zijn zeer de moeite waard. Sur Place is echter de beste uit deze periode, dankzij de fantastische hoofdrol van Yekaterina Golubeva. Zij was een eigenzinnige, veel te jong overleden actrice, ook de muze van arthousegrootheden als Sharunas Bartas, Bruno Dumont en Leos Carax, en in elke film waarin ze speelde moeiteloos de aandacht naar zich toe trok. Ze is hier weinig in beeld, maar vooral veel te horen: Sur Place is een dialoog tussen haar en een man, waarin ze met enige afstand over zichzelf en haar verleden praat. Ondertussen zien we trage, afstandelijke beelden van De Pijp in Amsterdam, waar mensen ronddolen. De disconnectie tussen beeld en geluid zorgt er voor dat niet altijd duidelijk is naar wie we kijken of waarom, waardoor de focus extra sterk komt te liggen op de locatie zelf en de film een ode wordt aan een stadsdeel. De frisheid van Sur Place staat sterk in contrast met het latere werk van Paul Ruven, waarin hij werkt met een door hem ontwikkelde formule geïnspireerd door Hollywoodfilms. Zijn oeuvre is daarmee een dwarsdoorsnede van de Nederlandse cinema: eigenzinnige artfilms waar geen kip op afkomt, en grote publiekskrakers waarin regisseurs op onbeholpen wijze Hollywoodje proberen te spelen.

Kom morgen terug voor de tien laatste titels: van Temmink tot Het Zwijgen.

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken