“Ik zag het zelf – ook al was dat misschien een misvatting van mij – als liefde.” Dat schrijft Ted van Lieshout in het nawoord van Mijn meneer, een autobiografische roman waarin hij vertelt over de relatie die hij als 11-jarige jongen had met een volwassen man uit de buurt. Hij benadrukt in dat nawoord overigens ook dat hij seks met kinderen afkeurt, iets waar hij zich genoodzaakt toe voelde nadat zijn boek hem op beschuldigingen en verwensingen kwam te staan.

Dat laatste toont dat wij als samenleving als het om pedofilie gaat maar twee rollen accepteren in dat scenario: monster en slachtoffer. Wanneer een van de twee zich niet volledig aan die rol conformeert, kan hij of zij op weinig begrip rekenen. Des te belangrijker om de nuance wel op te zoeken. Juist het kind wordt niet geholpen met die rabiate ontkenning van de ambigue en grillige ervaring van de realiteit. Want waar moet je dan heen met je verwarring?

Dat Una (Rooney Mara) in de gelijknamige film van Benedict Andrews een beschadigde vrouw is, zien we meteen. Beschadigd door wat een buurman met haar deed toen ze dertien was, maar ook beschadigd door de tegenstrijdigheid van haar eigen gevoelens en de onmogelijkheid daar ergens mee naar toe te kunnen. Wanneer ze Ray (Ben Mendelsohn) opzoekt, die inmiddels een gevangenisstraf heeft uitgezeten en een nieuw leven opgebouwd onder de naam Peter, is ze dan ook niet uit op wraak, maar op de kans zich tot die verwarring te verhouden. Want tragisch genoeg is Ray de enige persoon tegenover wie ze daar eerlijk in kan zijn.

Una is gebaseerd op het toneelstuk Blackbird van David Harrower, dat in New York werd opgevoerd met in de hoofdrollen Michelle Williams en Jeff Daniels. Dat stuk speelt zich af in één locatie, een ruimte in de fabriek waar Ray werkt en Una hem opzoekt. Andrews, die naam maakte als theaterregisseur in Australië, probeert in zijn speelfilmdebuut die geslotenheid open te breken met flashbacks, extra personages en door niet vast te houden aan die ene ruimte.

Dat laatste is een middel waarnaar vaak wordt gegrepen om een filmadaptatie van een toneelstuk te rechtvaardigen. Maar net zozeer als het toevoegen van locaties een film niet automatisch meer filmisch maakt, zozeer is het ook een denkfout dat  een film die zich afspeelt op één locaties dat niet kan zijn. Er zijn genoeg voorbeelden van fantastische films met één locatie en bij Una bekroop me het gevoel dat Andrews nog veel meer uit die ene locatie had kunnen halen. Wanneer we richting het einde de fabriek verlaten, levert juist dat de zwakste scènes uit de film op.

De flashbacks werken beter, mede dankzij de magnetische aanwezigheid van Ruby Stokes als de jonge Una. Het werkelijk zien van de omgang tussen de dertienjarige Una en de volwassen Ray vergroot daarbij op een sterke manier het ongemak. De bijrollen, zoals die van Riz Ahmed als werknemer van Peter, zijn minder geslaagd. Dat ligt overigens niet aan de acteurs, maar het zijn rollen die er te bij bedacht voelen en te weinig toevoegen aan de zeggingskracht van de film.

Mara en Mendelsohn laten allebei zien waarom ze tot de beste acteurs van het moment behoren (al had dat Britse accent van Mara niet gehoeven). Ook daarom zou je wensen dat Andrews zich had beperkt tot die ene ruimte, die twee vaten van innerlijk conflict en de dialoog die zich tussen hen ontvouwt. Want juist samen met hen in die ruimte worden we als toeschouwer gedwongen ons te verhouden tot dit stekelige onderwerp, met alle complexiteit en nuance die erbij horen.

0 reacties

Geef een reactie

Annuleren