Nu aan het lezen:

De tijdloze kracht van zwart-wit

De tijdloze kracht van zwart-wit


Met November verschijnt na Der Hauptmann en Homecoming (1945) alweer de derde zwart-witfilm in amper een maand. De kleurenfilm mag dan al decennia de standaard zijn, met regelmaat kiezen regisseurs toch voor zwart-wit. Soms is dat om een film in een tijd te plaatsen. Zo gaf Michael Haneke aan dat hij er in Das Weisse Band voor koos, omdat het beeld dat wij van begin 20e eeuw hebben (door foto’s) in zwart-wit is. Andere makers kiezen juist voor zwart-wit om de film los te tillen uit de realiteit. In dit lijstje kijk ik naar het gebruik van zwart-wit in tien films uit het afgelopen decennium.  

 

Shit Year (Cam Archer, 2010)

Shit Year is een experimenteel, visueel kunststukje en Cam Archer kreeg in menig recensie het verwijt vorm boven inhoud te stellen. Maar de vorm is hier inhoud. Ellen Barkin speelt een actrice die besluit haar loopbaan te verruilen voor een teruggetrokken bestaan buiten Hollywood. Maar daar vindt ze slechts eenzaamheid en ontgoocheling. De gefragmenteerde vertelstructuur weerspiegelt hoe Colleens persoonlijkheid versplinterd is over alle personages die ze speelde. Het scherpe zwart-wit benadrukt de kunstmatigheid van haar bestaan. Ze heeft geleefd in een fantasie en nu ze alleen is met zichzelf blijken de fragmenten geen delen van een geheel te vormen, maar vooral een leegte te hebben verhuld. Shit Year zal op sommigen pretentieus en navelstaarderig overkomen, ik vond het een fascinerend en beeldschoon kijkje in de psyche van een vrouw die niet weet wie ze is zonder publiek.

Sudoeste (Eduardo Nunes, 2011)

Zwart-wit is niet het enige stijlmiddel dat opvalt in het Braziliaanse Sudoeste. De film heeft een aspect ratio van 3.66:1, wat betekent dat het beeld ontzettend breed is. Cinematograaf Mauro Pinheiro jr. maakt binnen dat smalle, brede beeld veelvuldig gebruik van trage trackingshots, alsof iemand de horizon afspeurt. En speuren is ook precies wat je als kijker moet, want Eduardo Nunes reikt niet veel aan. ‘Ik zie het verhaal als een fabel, maar dan een zonder moraal’, zei hij er zelf over. De film is een combinatie van realisme en sprookje, door het zwart-wit losgezongen van de tijd zoals ook het hoofdpersonage dat is: een mysterieus meisje dat sneller opgroeit dan normaal en wellicht ook dan goed is voor haar. Dat levert geregeld magische scènes op, waarin Nunes de kinderlijke verwondering weet over te laten springen op de kijker.

Tabu (Miguel Gomes, 2012)

Het experimentele Tabu bestaat uit twee delen, waarvan het eerste zich afspeelt in hedendaags Lissabon. Aurora, een vrouw op leeftijd die zich hult in bontjassen en haar geld verbrast in het casino, komt in het ziekenhuis terecht en haar buurvrouw Pilar gaat op zoek naar de grote liefde uit Aurora’s leven. Dan springt de film enkele decennia terug in de tijd en zien we die liefdesgeschiedenis in het door Portugal gekoloniseerde Mozambique. In dat tweede deel verandert Tabu (waarvan de titel, evenals de vertelstructuur en thematiek, refereert aan de gelijknamige film van F.W. Murnau) in een stomme film, waarvan Gomes de regels ombuigt. We horen bijvoorbeeld wel omgevingsgeluiden en in plaats van tussentitels is er een voice-over van de geliefde, Ventura. Zo benadrukt Gomes dat we kijken naar een construct en niet de historie zelf. Wat we zien is de mythe die de menselijke herinnering maakt van geschiedenis.

Trudno byt bogom (Aleksej German, 2013)

Het schijnt dat Aleksej German eigenlijk had willen debuteren met deze boekverfilming, een idee dat hij opvatte direct na het lezen van Hard to Be a God van de broers Arkadi en Boris Stroegatski uit 1964. Het werd uiteindelijk zijn laatste film en zijn magnum opus. De voltooide versie heeft hij zelf nooit gezien. Op de planeet waar de film zich afspeelt, is de mensheid blijven steken in de Middeleeuwen. In een interview gaf German aan dat hij zijn cinematograaf Vladimir Ilvin (die in 2006 overleed aan kanker) de opdracht meegaf een film te maken waar een geur aan zat. En dat is gelukt. Werkelijk alles en iedereen in de volgepropte shotcomposities is besmeurd en of dat met modder, stront, bloed of pek of een combinatie van dat alles is, valt door het zwart-wit nauwelijks te onderscheiden. Trudno by bogom is een bijna drie uur durende uitputtingsslag. Voor de personages én de kijker.

A Field in England (Ben Wheatley, 2013)

Ben Wheatleys film over de Engelse Burgeroorlog in de 17e eeuw is niet bepaald een doorsnee historische oorlogsfilm. Al binnen tien minuten verlaten we het slagveld met vier deserteurs die terechtkomen in een veld met hallucinogene paddenstoelen. En ze trekken ook nog een Ierse alchemist uit de grond die zegt dat er in de buurt een schat verborgen ligt. Steeds verder raken de personages (en de kijker) vervreemd van de realiteit en het zwart-wit dat ons aanvankelijk helpt ons in de tijd te verplaatsen, versterkt die vervreemding. Die paddenstoelen zijn overigens een mooie metafoor voor de films van Wheatley, die keer op keer bewijst niet geïnteresseerd te zijn in een coherent na te vertellen plot, maar in het initiëren van een viscerale ervaring bij de kijker. Met zijn vaste scenarist Amy Jump en vaste cinematograaf Laurie Rose schept hij hier een film die hypnotiseert en in de meest psychedelische momenten herinnert aan de experimentele videokunst van Toshio Matsumoto.

Tu dors Nicole (Stéphane Lafleur, 2014)

In deze Canadese coming-of-age film lijkt zwart-wit niet de meest logische keuze. De film speelt zich af gedurende een warme zomer waarin de ouders van Nicole op vakantie zijn en zij op het huis past. Waar dit soort films meestal worden gedrenkt in zonnige kleuren, daar kiest Lafleur voor zwart-wit. Het zegt iets over de onthechting die Nicole voelt. Vooral wanneer haar broer plots komt opdagen met zijn bandje en haar beste vriendin dat interessanter lijkt te vinden dan rondhangen met Nicole, voelt ze zich verloren in alle zomerse zonnigheid. En dan is er nog haar slapeloosheid die haar ’s nachts door de straten doet dwalen. Het zwart-wit geeft de hele film een dromerig karakter, hier en daar versterkt door een magisch-realistisch moment. Tu dors Nicole is een film op de grens van slapen en waken, van realiteit en fantasie, van heden en herinnering.

Risttuules (Martti Helde, 2014)

Risttuules (hier in de bioscopen gebracht als In the Crosswind) vertelt over de tienduizenden Esten, Letten en Litouwers die in 1941 getransporteerd werden naar Siberië voor dwangarbeid. Het is een weinig bekende geschiedenis uit de Tweede Wereldoorlog die Martti Helden hier in zijn debuutfilm (!) in een gewaagde en geslaagde vorm giet. De film bestaat uit dertien tableaux vivants, die verschillende momenten verbeelden in de reis naar Siberië en de werkzaamheden onder bittere omstandigheden aldaar. Door de tijd tot stilstand te brengen dwingen Martti Helde en cinematograaf Erik Põllumaa de kijker alles in zich op te nemen. Elke groef in elk gelaat, elke vertrekking in een lichaam. Het zwart-wit stelt alles nog scherper, zet de mensen af tegen het besneeuwde Siberische landschap. En als vanzelf gaan onze gedachtes naar wat zich vlak voor of (nog afschrikwekkender vaak) vlak na dit moment zal afspelen.

Aferim! (Radu Jude, 2015)

Deze ijzersterke satire gaat over een vader en zoon die jagen op gevluchte slaven in 19e-eeuws Walachije, een voormalig vorstendom in het huidige Roemenië. De enige morele code die hier lijkt te gelden is dat alles wat zich niet christen noemt een inferieure levensvorm is. Zoals het goede satire betaamt, bagatelliseert de humor de gruwelijkheden niet. De film is geestig, maar verliest de realiteit nooit uit het oog, iets wat nog wordt benadrukt wanneer een tekst aan het einde onthult dat veel van de situaties en dialogen uit historische bronnen afkomstig zijn. We zien het constante verbale en fysieke geweld waaraan de slaven worden onderworpen. Maar vooral ook zien we hoe in de vader en zoon een menselijkheid begint door te schemeren, een vraag die ze zich niet kunnen permitteren: moeten ze hun gevangene wel overhandigen aan de landheer, wetend dat dat waarschijnlijk zijn dood betekent?

Hiso hiso boshi (Sion Sono, 2015)

Sion Sono is een van de creatiefste filmmakers momenteel werkzaam. Dat leidt nogal eens tot overdaad. Niet alleen is hij een veelfilmer, zijn films puilen ook nog eens uit aan ideeën, zowel in beeldtaal als in plot. Hiso hiso boshi (internationale titel The Whispering Star) is wat dat betreft een anomalie in zijn oeuvre. Het is een ingetogen en dromerige film over Yoko Suzuki, een interplanetaire pakketbezorger, gedrenkt in sepia-achtig zwartwit en verteld in hetzelfde trage tempo als waarmee haar schip door de ruimte vaart. Na The Land of Hope is het de tweede film waarin Sono reflecteert op de ramp in Fukushima. Duizenden mensen zagen zich gedwongen alles achter te laten in het radioactieve gebied en velen van hen kunnen nog altijd niet terugkeren. Hiso hiso boshi is een ode aan de behoefte aan menselijk contact en de waarde die we hechten aan wat een ander heeft aangeraakt, wanneer we die ander zelf zijn kwijtgeraakt.

Geu-hu (Hong Sang-soo, 2017)

We eindigen met nog een veelfilmer. Geu-hu is een van de drie films die vorig jaar verschenen van de Koreaanse regisseur Hong Sang-soo. Het grootste deel van de film speelt zich af op de eerste werkdag van Areum, een jonge vrouw die komt werken in de kleine uitgeverij van Bongwang. In lange takes waarin de camera heen en weer beweegt tussen de personages of er soms plotseling wordt ingezoomd, hebben de personages lange gesprekken waarin Bongwang vaak net iets te persoonlijke vragen stelt en net iets te scheutig drinkt tijdens de lunch. Uit de fragmenten die deze gesprekken doorsnijden, begrijpen we dat hij een affaire had met Areums voorganger en dat zijn vrouw daarvan weet. Bongwang is een typisch Hong-personage: narcistisch, ignorant over de rotzooi die hij over zijn eigen leven afroept. Hong laat ons om hem en zijn onvolkomenheden lachen, maar zonder het mededogen uit het oog te verliezen.

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken