Nu aan het lezen:

Tien treinfilms die je wellicht nog niet zag

Tien treinfilms die je wellicht nog niet zag


Treinen en cinema zijn al met elkaar verbonden sinds de aankomst van een stoomtrein in het station van La Ciotat, gefilmd door de broers Lumière, toeschouwers achteruit deed deinzen. Door de filmgeschiedenis heen hebben treinen talloze malen als decor gediend in klassiekers als The Lady Vanishes en Shanghai Express, voor actiefilms als The Taking of Pelham 1 2 3 en Broken Arrow, voor romantische ontmoetingen in films als Brief Encounter en Before Sunrise.

Treinen zijn een dankbaar decor. Ze zorgen voor dynamiek, omdat ze in beweging zijn, veroordelen personages tot elkaar, omdat ze afgesloten zijn. Een trein kan claustrofobisch zijn, met die smalle gangen en krappe compartimenten, maar ook romantisch, als plek voor onverwachte ontmoetingen. En de liefde tussen cinema en het spoor is nog lang niet bekoeld. Een greep uit de afgelopen twee jaar: Train to Busan, The Girl on a Train, Snowpiercer, Murder on the Orient Express. En sinds vorige week kunnen we daar The Commuter bijtellen; een actiefilm waarin wat we inmiddels wel de Liam Neeson-formule kunnen noemen wordt toegepast in een trein. Een goede aanleiding ons eens in die rijke geschiedenis van treinfilms te storten.

 

The Train (John Frankenheimer, 1964)

We beginnen met een toepasselijke titel en sterke oorlogsfilm. Wanneer de Duitsers in WOII proberen een collectie Franse schilderijen van onder meer Picasso en Renoir per trein naar Duitsland te verschepen, doet een Franse verzetsgroep, onder leiding van de door Burt Lancaster gespeelde Labiche, een poging de trein van zijn eindbestemming af te houden. De film toont hoe met grote en regelmatig zenuwslopende precisie de plannen daartoe worden uitgevoerd, mislukken, weer worden bijgesteld. In scherp zwart-wit, waarin elk zweetdruppeltje op de voorhoofden aftekent. Onder regie van Arthur Penn zou The Train zich eigenlijk vooral focussen op Labiches liefde voor kunst, maar onder druk van Lancaster, die meer aandacht wilde voor het mechaniek van de trein, werd Penn al na een paar draaidagen ontslagen en John Frankenheimer ingevlogen. Nu is het de Duitse kolonel die de schilderijen aan het hart gaat, terwijl Labiche er niets om geeft, wat de weg vrijmaakt voor een einde waarin succes een bittere bijsmaak heeft.

 

 

The Cassandra Crossing (George P. Cosmatos, 1976)

Burt Lancaster hield blijkbaar ook van treinen, want een decennium later komen we hem opnieuw tegen in The Cassandra Crossing. Een rampenfilm met een sterrencast (naast Lancaster onder meer Richard Harris, Ava Gardner en Sophia Loren), die destijds flopte en dat is niet geheel onterecht. Terroristen trachten ziektekiemen te stelen uit het laboratorium van de Wereldgezondheidsorganisatie en wanneer één van hen ontsnapt komt hij, besmet en al, terecht op een trein met duizend passagiers. Klinkt veelbelovend, denk ook aan de wat vergelijkbare premisse van de recente zombietreinfilm Train to Busan), maar er zijn gebreken. Zo is de pest die uitbreekt helemaal niet zo spectaculair en de logica van het plan om de besmetting in te dammen ontgaat zowel de passagiers als de toeschouwer. En dan is er nog de casting die de plank misslaat en waar de recensent van The New York Times destijds op los ging:

“Burt Lancaster bears his totally incomprehensible role as if it were a toothache. His jaw is clamped so tight that it looks swollen. Ingrid Thulin and Lee Strasberg are adequate in awful roles. Ava Gardner is awful in an awful role. Sophia Loren is totally miscast as a bright, quirky writer who is pursuing her divorced husband. Richard Harris, the husband, is vacuous as the neurosurgeon charged with trying to handle a pneumonic plague epidemic.”

Maar wie zo op z’n tijd wel kan genieten van een ontsporende jaren zeventig rampenfilm (met de in die tijd schijnbaar obligate bijrol van O.J. Simpson), kan aan The Cassandra Crossing het hart ophalen.

 

 

Ballad of a Soldier (Grigori Chukhrai, 1959)

Reizen met de trein betekent onverwachte ontmoetingen en dat is waar deze Russische oorlogsfilm door geleid wordt. Nadat de jonge soldaat Alyosha een heldendaad verricht – al noemt hij het zelf angst  – krijgt hij een paar dagen verlof om zijn moeder te bezoeken. De treinreis voert hem langs verwoeste steden en gebroken mensen die hem telkens op zijsporen zetten. Al in de eerste scène vertelt een voice-over dat Alyosha de oorlog niet overleeft en het maakt dat we de urgentie van zijn reis nog sterker voelen. Het is ook het eerste teken dat Ballad of a Soldier ons geen illusies laat. Minstens zo veel als deze film over ontmoetingen gaat, gaat het over de onvermijdelijke eindigheid van die ontmoetingen. Het is een film bevolkt door passanten in elkaars leven. want in een oorlog is niets blijvend, behalve de onzekerheid. En het wachten van een moeder op haar zoon.

 

 

Moebius (Gustavo Mosquera R., 1996)

We maken een uitstapje naar de ondergrondse variant op de trein: de metro. En Moebius is in meer opzichten een uitzondering in dit lijstje, want het is de afwezigheid van de trein die hier de voornaamste rol speelt. Wanneer in het enorme metrostelsel van Buenos Aires een metro verdwijnt, gaat topologist Daniel Pratt op zoek naar de oorzaak. Hij ontdekt dat de recente uitbreiding het stelsel oneindig heeft gemaakt, zoals we sinds Möbius weten dat je van een dubbelzijdige strook papier een eenzijdige, doorlopende band kan maken. De film werd gemaakt door studenten van de Universidad del Cine onder begeleiding van hun docent, Gustavo Mosquera R. Structureel zijn er wel wat problemen en de theorie achter wat er gebeurt blijft een tikje vaag. Maar vooral in het laatste deel, waarin gedwaald wordt door het eindeloze metrostelsel en de spooktrein weer opdoemt, kent de film een sterke, dystopische sfeer.

 

 

The Narrow Margin (Richard Fleischer, 1952)

Een sterke film noir waarin een door Charles McGraw gespeelde agent opdracht krijgt om de weduwe van een gangster naar Los Angeles te brengen, waar ze zal optreden als kroongetuige. Wat volgt is een kat- en muisspel in de trein met een stel maffialeden die mevrouw Neall koste wat kost uit die getuigenbank willen houden. Fleischer maakt optimaal gebruik van het interieur van de slaaptrein, met z’n krappe gangen en identieke compartimenten. Slim getimede twists houden de spanning continu hoog en Brown is, met zijn geregeld nerveuze gedrag, een verfrissende variatie op de hard-boiled detectives die we zo gewend zijn te zien in film noirs. Bijzonder is dat de rol van filmmuziek hier wordt ingevuld door treingeluiden, zoals een plotseling aanzwellen van het geluid wanneer de trein een tunnel inrijdt, met die kenmerkende cadans van treinwielen op een rails. In 1990 maakte Peter Hyams een remake, met Gene Hackman en Anne Archer in de hoofdrollen.

 

 

Europa (Lars von Trier, 1991)

Europa begint met het beeld van een voorbij zoevende spoorrails en de stem van Max von Sydow die langzaam tot tien telt. Het is een film die met recht hypnotiserend kan worden genoemd. Die voice-over richt zich aan Leopold Kessler, een Amerikaan die vlak na het einde van WOII naar Duitsland gaat en via zijn oom een baantje krijgt als conducteur op een slaaptrein die z’n rondjes rijdt alsof er niets is gebeurd. En de al even naïeve Kessler wordt ideologische en politieke intriges ingezogen die hem boven het hoofd gaan. Europa is na Element of Crime en Epidemic het laatste deel in Lars von Triers Europa-trilogie. Zoals hij de eerste twee bouwde rond het geraamte van respectievelijk de politiefilm en epidemiefilm, zo gebruikt hij hier elementen van de klassieke Hollywoodfilm. Aanzwellende strijkers, achtergrondprojecties, soft focus. Het levert een visueel kunststuk op waarin Von Trier een gordijn van romantiek optrekt, terwijl hij het tegelijk in stukken scheurt.

 

 

Galaxy Express 999 (Rintaro, 1979)

Deze Japanse anime is gebaseerd op de gelijknamige manga geschreven en getekend door Leji Matsumoto en gaat over de tienjarige Tetsuro die wraak wil nemen op de man die zijn moeder vermoordde: graaf Mecha. Daarvoor reist hij via een spoorlijn die door de ruimte loopt naar het Andromedastelsel. Onderweg maakt hij tussenstops op onder meer Titan (gekaapt door vrijbuiters) en Pluto (desolaat en bevroren) en ontmoet Maetel, die als twee druppels water op zijn moeder lijkt. Rintaro wil iets teveel van de wereld uit de manga in zijn film kwijt, wat leidt tot een wat nutteloze rol van bekend Matsumoto-personage kapitein Harlock en een hier en daar wat verstrikt rakende plot. Maar tegenover die kleine gebreken staat dat fantasieprikkelende idee van een spoorlijn door de ruimte en de combinatie van kinderlijk enthousiasme en warme melancholie waarmee Rintaro dat in beeld brengt.

 

 

Emperor of the North (Robert Aldrich, 1973)

Het is een beeld dat we kennen uit films en geschiedenisboeken: mannen die in economisch moeilijke tijden illegaal op treinen dwars door Amerika meeliftten, wanhopig op zoek naar werk. Mooi beschreven door folk-muzikant Woody Guthrie in zijn autobiografie Bound for Glory. Die schrijft daarin ook: “There is a stage of hard luck that turns into fun, and a stage of poverty that turns into pride, and a place in laughing that turns into fight.” Dat citaat sluit mooi aan bij Emperor of the North, een film die het harde bestaan van deze nomaden gedurende de economische depressie van de jaren dertig toont, maar altijd met een soms bijna slapstickachtige humor nabij. De immer fantastische Ernest Borgnine speelt een conducteur die de mannen zonder pardon van de treinen afslaat met een hamer. En de immer fantastische Lee Marvin speelt een hobo die een door een piepjonge Keith Carradine gespeelde klaploper om de oren slaat met een kip.

 

 

Sin Nombre (Cary Fukunaga, 2009)

Ook de passagiers in deze Mexicaans-Amerikaanse film reizen niet uit luxe met de trein. Deze mensen trachten de Amerikaanse grens te bereiken, en over te steken. Onder hen de Hondurese Sayra, die met haar vader en oom en tientallen anderen het dak van een goederentrein bevolkt. Vooral in die sequenties op de trein valt het knap camerawerk van Adriano Goldman op. Via een wrede speling van het lot komt Sayra in contact met bendelid Casper. Beiden zoeken een uitweg uit hun leven, een leven dat elk op een eigen manier uitzichtloos is. Maar het is een weg vol gevaren: op elk station dreigt de immigratiedienst en op elke straathoek de gewelddadige Mexicaanse drugsbendes. Sin Nombre is het speelfilmdebuut van Fukunaga, die daarna zijn naam vestigde als regisseur van onder meer het eerste seizoen van True Detective en Netflix’ eerste filmproductie Beasts of no Nation.

 

 

Trans-Europ-Express (Alain Robbe-Grillet, 1966)

Jean-Louis Trintignant speelt een drugskoerier die via de Trans-Europ-Express (een Europees netwerk van internationale treinen) cocaïne smokkelt. Maar eigenlijk gaat de film daar niet over. Want die plot wordt bedacht door een regisseur, producent en assistent die gedrieën in die trein zitten en wordt door hen constant aangepast, waardoor de film-in-film die we zien telkens verandert en de plot er uiteindelijk niet meer toe doet. En Robbe-Grillet voegt meer metalagen toe. De grenzen tussen de film met Trintignant en die van het trio in de trein wordt geregeld overschreden en Trintignant kijkt regelmatig recht in de camera, alsof wij een van zijn mogelijke achtervolgers zijn. Het is een speelse, experimentele film die bij uitbreng vooral stof deed opwaaien omdat er een aantal bondagescènes in voorkomen. Trans-Europ-Express laat zien dat fantasie de drijvende kracht is van cinema in een film die zelf met de wetten van het medium speelt en breekt.

 

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken