Nu aan het lezen:

Tien niet-Amerikaanse westerns die je nog niet kende

Tien niet-Amerikaanse westerns die je nog niet kende

Momenteel draait Western in de Nederlandse bioscopen, een Duitse film waarin regisseur Valeska Grisenbach elementen van de (jawel) western gebruikt om een verhaal te vertellen over een Duitse bouwvakker in Bulgarije. De western is bijna synoniem met Amerika, maar dat maakt de aantrekkingskracht ervan daarbuiten niet minder groot. In dit lijstje tien westerns van buiten Amerika, die maar weer eens bewijzen dat weinig genres zo vaak geparodieerd, geëerd, gestorven en opnieuw uitgevonden zijn als de western.

 

INDIA
Sholay (Ramesh Sippy, 1975)

Ruim drie uur duurt deze Indiase western en elke minuut ervan zit ramvol actie, humor en romantiek. Twee sympathieke bandieten (gespeeld door Bollywood-sterren Amitabh Bachchan en Dharmendra) worden door een voormalig politieman ingehuurd om de beruchte Gabbar Singh in te rekenen. Wilde achtervolgingen met treinen, paarden en te voet worden afgewisseld met Bollywood-liedjes over vriendschap en liefde. De toon vliegt heen en weer tussen komisch en ernstig, er wordt gretig gerefereerd aan en gekopieerd uit iconische westernscènes en toch voelt de film eigen. Dankzij de sterke personages, die even kleurrijk zijn als de kleding die ze dragen, de vaak heerlijke dialogen en spectaculaire actiescènes en vooral door de tomeloze energie die de film vanaf de eerste tot de laatste seconde voortstuwt.

 

 

ITALIË
Compañeros (Sergio Corbucci, 1970)

De Spaghettiwestern kan in dit rijtje uiteraard niet ontbreken. Companeros behoort binnen die categorie weer tot een subcategorie: de in Mexico gesitueerde Zapata Western. Italiaanse westernster Tomás Milián speelt de Mexicaanse El Vasco, die een revolutie ontketend wanneer hij de kolonel wiens schoenen hij moet poetsen vermoordt. Hij wordt ingelijfd door de zichzelf verrijkende ‘generaal’ Mongo. Een andere Italiaanse ster, Franco Nero, speelt een Zweedse wapenverkoper in driedelig pak (wat hem de bijnaam ‘de pinguïn’ oplevert), die probeert een slaatje te slaan uit de revolutie. Met visuele flair en een opzwepende soundtrack van Ennio Morricone, smeedt Corbucci een western over de clash tussen dollars en idealen en de vraag of een idee dat niet gestuwd wordt met vuurwapens wel kan overleven. Nero was overigens naar verluidt ontevreden over de rolverdeling tussen hem en Milián en de film werd de laatste in een succesvolle reeks samenwerkingen met Corbucci.

 

 

BRAZILIË
Deus e o Diabo na Terra do Sol (Glauber Rocha, 1964)

Deze Braziliaanse western opent met een shot van het ontbindende lijk van een paard. Alsof Rocha direct maar duidelijk wil maken dat zijn western geen hoop biedt. In de jaren waarin John Wayne zich het heldendom in schoot, geeft Rocha ons een ‘held’ die vanaf het begin gedoemd is. Deus e o Diabo is een voorbeeld van de Cinema Novo, een filmstroming in het Brazilië van de jaren ’60 en ’70, die vaak de blik richtte op de onderklasse. Het hoofdpersonage in de film is een arme boer die naar God en de duivel wordt gedreven door de wanhoop. Het is een film vol symboliek, door Waldemar Lima gefilmd in overbelicht zwart-wit, waardoor het contrast bijna pijn aan je ogen doet. Prachtig en tegelijk tergend is een scène waarin Manuel als een kruising tussen Jezus en Sisyphus een steen een lang bergpad opdraagt. Het is een van de vele scènes in de film die zich op je netvlies brandt.

 

 

FRANKRIJK
Une aventure de Billy le Kid (Luc Moullet, 1971)

Is het een parodie? Een hommage aan de western of ironisch commentaar erop? Of is het één grote grap ten koste van de toeschouwer? Het wordt nooit helemaal duidelijk, maar Une aventure de Billy le Kid is in alle gevallen een interessante curiositeit. Jean-Pierre Léaud speelt de meest klunzige Billy the Kid in de filmgeschiedenis, vergezeld niet door een paard maar een ezel. De eerste helft van de film is voornamelijk een komische, visuele exercitie waarin Billy the Kid en de koppige ezel op een jonge vrouw stuiten waarmee hij vervolgens door de (adembenemend mooie) landschappen ploetert. In de tweede helft maken de visuele gags steeds meer plaats voor dialoog en wordt de toon donkerder. Al blijft ook dan diffuus hoe serieus we geacht worden het allemaal te nemen. En hoe serieus de makers het zelf nemen.

 

 

DUITSLAND
Whity (Rainer Werner Fassbinder, 1971)

Laat het maar aan Fassbinder over om de korsten van het westerngenre af te krabben en de stinkende wonden die daaronder schuilgaan bloot te leggen. In Whity ontleedt hij de wijze waarop racisme in de vezels van de Amerikaanse samenleving zit verweven, maar op een manier die altijd ambigu en onbehaaglijk is. Laat ook dat maar aan Fassbinder over. De film (overigens tot 2003 nooit uitgebracht in de VS) speelt zich af in 1878, een decennium na de officiële afschaffing van slavernij, maar daar is in dit huishouden niets van te merken. En de onderdanige Whity (verwekt door de witte man des huizes bij de zwarte kokkin) lijkt het ook niet te willen weten. Fassbinder laat erotiek toe in de scènes waar Whity wordt gestraft, schminkt alle zwarte acteurs zwart, de witte acteurs wit. Het maakt Whity tot een ongemakkelijke, maar ook fascinerende kijkervaring die zich niet in één keer laat ontleden.

 

 

JAPAN
Tampopo (Juzo Itami, 1985)

Vrachtwagenchauffeurs Gorō en Gun komen terecht in het noedelseettentje van de introverte weduwe Tampopo. Ze besluiten haar te helpen haar restaurant naar een hoger niveau te tillen. De film werd gepromoot als ‘de eerste noedelwestern’ en de makers spelen inderdaad met narratieve en visuele conventies uit de western. Er is zelfs wat geweld, maar bovenal is Tampopo een liefdevolle ode aan eten. De film laat er weinig twijfel over bestaan dat goed eten minstens zo bevredigend kan zijn als goede seks. Vanaf de eerste scène, waarin een oude man uitlegt hoe je noedelsoep moet eten (“toon affectie”), wordt de plot doorweven met vignetten waarin op vaak sensuele wijze het genot van eten centraal staat. Onder meer met een briljante scène waarin een oude vrouw in een supermarkt stiekem in de perziken en kaasjes knijpt.

 

 

THAILAND
ฟ้าทะลายโจร (Wisit Sasanatieng, 2000)

In deze Thaise film brengt Sasanatieng twee genres samen die niet meteen elkaars beste vrienden lijken: het melodrama en de western. In de kern gaat de film over de relatie tussen Dum (oftewel revolverheld Black Tiger) en Rumpoey die bemoeilijkt wordt door het verschil in klasse, maar hier mag je wel spreken van vorm boven inhoud, want alles in Tears of the Black Tiger (zoals de internationale titel luidt) draait om stijl. Het bloed spuit uit kogelwonden als in een Sam Peckinpah-film, het kleurenpalet lijkt zo weggevloeid uit een melodrama van Douglas Sirk, de soundtrack refereert vrij letterlijk aan Ennio Morricone. En al die Westerse invloeden worden door Sasanatieng ook nog eens gemixt met invloeden uit Thaise folklore en televisie en aaneengeregen door traditionele Thaise liedjes. Toch voelt de film verrassend consistent in al z’n gekte.

 

 

GROOT-BRITTANNIË
The Singer Not the Song (Roy Ward Baker, 1961)

Dirk Bogarde in een zwarte, leren broek; dat is eigenlijk alles wat je hoeft te weten over deze film. Hij speelt een Mexicaanse bandiet (met perfect Brits accent), die er zijn levenswerk van heeft gemaakt om katholieke priesters ‘zijn’ stadje uit te pesten (of wanneer dat niet werkt om te brengen). Zo ook priester Keogh, maar al snel ontstaat er een wederzijdse fascinatie tussen de twee waarin de homo-erotische ondertonen niet van de lucht zijn. Aanvankelijk stuurt The Singer not the Song aan op een tweestrijd, later nemen filosofische vragen over het geloof en vertrouwen in de mens de overhand, om uiteindelijk toch in een onvermijdelijke shoot-out te eindigen. Het maakt de film wat onevenwichtig en de Mexicanen zijn niet meer dan decor, maar er valt ook genoeg te genieten in deze cultwestern. Zoals Dirk Bogarde dus, in een zwarte, leren broek.

 

 

MAROKKO
Mimosas (Oliver Laxe, 2016)

De weinig plot van Mimosas draait om een groep mannen die een stervende sjeik begeleiden naar de stad Sijilmasa. Oliver Laxe laat de film zich afspelen op verschillende niveaus. In de tijd of misschien slechts in plaats, in een land dat met één been in de moderniteit staat en met het andere geworteld is in traditie. In een traag tempo volgt Laxe de progressie van de groep door uitgestrekte steppen en over besneeuwde bergpassen. De cinematografie van Mauro Herce (die een jaar eerder de hypnotiserende documentaire Dead Slow Ahead regisseerde), is beeldschoon en de montage gunt je alle tijd je daaraan te vergapen. Mimosas is het soort film dat niet poogt zichzelf toegankelijker te maken voor culturele buitenstaanders, waardoor het voor iemand als ik voelt alsof de film constant net buiten je grip blijft. Het maakt Mimosas tot een desoriënterende, maar (voor mij althans) daardoor juist ook fascinerende kijkervaring.

 

 

TSJECHO-SLOWAKIJE
Limonádový Joe aneb Koňská opera (Oldřich Lipský, 1964)

In de komische visie van Lipský zijn westernhelden een stelletje dronkaards dat om niets met elkaar op de vuist gaat. Maar dan verschijnt Limonádový Joe ten tonele, die op overtuigende wijze betoogt dat je nuchter moet zijn om scherp te kunnen schieten. De lokale bevolking is onder de indruk en stapt direct over op het door Joe gepromote Kolaloka. Visueel refereert de film aan de vroege, stomme film met kleurenfilters en acrobatische slapstick die aan het werk van Buster Keaton herinnert. Maar onder al die humor zitten politieke ondertonen. Onkreukbare, blonde held Joe lijkt zo weggelopen uit een propagandaposter van de nazi’s, terwijl de slechterik (die probeert iedereen weer aan de whisky te krijgen) een zigeuner is. De film neemt zo de dichotomie van goed en kwaad in westerns onder de loep en stelt ons voor de vraag wie we eigenlijk tot onze helden kiezen.

 

 

 

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken