Nu aan het lezen:

Tien modedocumentaires in aanloop naar Phantom Thread

Tien modedocumentaires in aanloop naar Phantom Thread

Deze week verschijnt Phantom Thread in de Nederlandse bioscoop, de nieuwe film van Paul Thomas Anderson, waarnaar uiteraard reikhalzend wordt uitgekeken. In de film speelt Daniel Day Lewis een modeontwerper in de jaren vijftig. Als opwarmertje selecteerde ik tien documentaires over de mooie en minder mooie kanten van de modewereld.

 

Signé Chanel (Loïc Prigent, 2005)

Deze vijfdelige documentairereeks toont de totstandkoming van een haute couture show van Karl Lagerfeld bij Chanel, waar hij sinds 1983 hoofdontwerper is. Natuurlijk zien we zijn inbreng: de schetsen, het kritische oog. Maar waar de reeks excelleert, is in het tonen van het werk van de normaal anoniem blijvende, maar o zo toegewijde ateliermedewerkers. Allen gekleed in witte jassen, alsof ze wetenschappers in een laboratorium zijn (en hun werk lijkt soms ook wel hogere wiskunde), werken ze de klok rond om alle kleding op tijd en volgens de wensen van Lagerfeld af te krijgen. Hoogtepunt van de reeks is het bezoek aan (de inmiddels overleden) Raymonde Pouzieux, de vrouw die sinds 1947 met de hand alle biesjes maakte voor de Chanel-shows. Prigents film is een prachtig eerbetoon aan al die onmisbare handen achter de schermen.

Notebook on Cities and Clothes (Wim Wenders, 1989)

Notebook on Cities and Clothes voelt (zoals de titel al impliceert) meer als een verzameling overpeinzingen dan een film met kop en staart, maar met genoeg ideeën om anderhalf uur te boeien. Wim Wenders begint de documentaire met de vaststelling dat hij mode niet zo interessant vindt. Maar de Japanse ontwerper Yohji Yamamoto intrigeerde hem wel en het is te zien waarom. Ze delen eenzelfde poëtische en filosofische blik op de wereld. En, zo ontdekt Wenders, het ritueel van hun beider ambachten komt eigenlijk heel erg overeen: ‘Stand back, look, approach again, grasp, feel, hesitate, sudden activity and then, a long pause.’ Yamamoto (die overigens geregeld kostuums ontwierp voor films van Yakeshi Kitano) maakt kleding die iets delicaats en tegelijk pantserachtigs heeft. Het inspireert Yamamoto en Wenders tot mijmeringen over identiteit, architectuur, de originaliteit van beeld en de stad Tokio.

Bill Cunningham New York (Richard Press, 2010)

‘The best fashion show is on the street,’ zegt modefotograaf Bill Cunningham aan het begin van deze documentaire, waarin opnieuw een stad een belangrijke rol speelt. De tijdens het maken van de film 80-jarige Cunningham struint al decennialang met zijn fiets en analoge camera de straten van New York af en of het nu rijke socialites of hangjongeren zijn; iedereen met stijl kan op zijn tweewekelijke pagina in de The New York Times verschijnen. Als een oorlogsfotograaf beweegt hij zich door de straten, de camera hanterend met een bliksemsnelheid. Bij zijn overlijden in 2016 beschreef The New York Times zijn werk treffend als een vorm van culturele antropologie. Cunningham is (en blijft in deze documentaire) een enigma. Zijn leven gewijd aan mode, draagt hij zelf al jarenlang dezelfde blauwe overall jas, woont in een minuscuul appartement in Carnegie Hall en drinkt het liefst zo goedkoop mogelijke koffie.

Diana Vreeland: The Eye Has to Travel (Lisa Immordino Vreeland, 2011)

Geregisseerd door de vrouw van de kleinzoon van, is dit een mooi portret van Diana Vreeland, van 1963-1971 hoofdredacteur van Vogue. Ze mocht dan zelf op dat moment al in de zestig zijn, ze herkende in de youthquake van die jaren de roaring twenties van haar eigen jeugd en sprong daar gretig op in. Ze revolutioneerde het tijdschrift. Het idee van modellen als perfecte, blanco canvassen gooide ze overboord, ze wilde persoonlijkheden en imperfecties. Modellen als Twiggy en Veruschka verschenen op de cover. Als een soort Forrest Gump was Vreeland altijd precies waar de geschiedenis passeerde. Ze groeide op in een huis waar Nijinski regelmatig over de vloer kwamen, kwam Hitler een keer tegen in het theater. Dat het soms te mooi klinkt om waar te zijn, is omdat Vreeland dingen graag mooier maakte dan ze waren. Ook als dat het wegpoetsen van haar eigen verdriet betekende.

Catwalk (Robert Leacock, 1995)

Vreelands betoog voor persoonlijkheden hield stand, zo zien we ook in de documentaire Catwalk. Daarin volgen we Christy Turlington, een van de grootste modellen van de jaren negentig, tijdens de fashion weeks in de lente van 1993. Vrijwel volledig gefilmd in zwart-wit, wat het gevoel versterkt dat we in een ander tijdperk stappen (wat de jaren negentig ook is in modetermen), zien we haar en onder meer Kate Moss, Naomi Campbell en Carla Bruni bij shows van onder meer Jean-Paul Gaultier en John Galliano, de later na antisemitische uitspraken in ongenade gevallen designer (die overigens momenteel bezig is aan een comeback bij Maison Margiela). ‘Post post post modern’ noemt iemand zijn werk, dat met alle modewetten brak. Wie een beeld heeft van de modewereld als een nest van catfights komt hier bedrogen uit. Zoals Carla Bruni breed lachend zegt: het is gewoon een aaneenschakeling van vrije tijd.

Girl Model (David Radbon, Ashley Sabin, 2011)

Girl Model toont een heel andere zijde van het modellenbestaan. In de film volgen we scout Ashley Arbaugh en de slechts dertienjarige Russische Nadya, die door haar naar Japan wordt gestuurd met een hoop beloftes, maar zonder geld of kennis van de taal. Nadya loopt volstrekt verloren rond in Japan en er lijkt niemand te zijn die haar in bescherming neemt. De makers laten zien hoe dicht deze wereld aan schurkt tegen die van prostitutie (en er overigens ook geregeld inschuift in deze landen). Het is een ordinaire vleeshandel. En hoewel iedereen ervan doordrongen lijkt dat het pervers is, houdt iedereen het in stand. Zoals scout Ashley, die zelf model was, maar een afkeer kreeg van dat bestaan en nu als scout jonge meisjes in diezelfde molen trekt. Girl Model is een zeer ongemakkelijke documentaire, die het helaas broodnodige tegenwicht geeft aan al het fraaie (schijn)vertoon.

The September Issue (R.J. Cutler, 2009)

We komen weer terug bij Vogue (en glamour) met deze documentaire over het samenstellen en uitbrengen van het septembernummer van 2007, traditioneel de dikste uitgave van het jaar, vol extravagante fotoreportages. Anders dan je zou verwachten is niet hoofdredacteur Anna Wintour de primaire focus van de film, maar redacteur Grace Coddington. Met haar hoge voorhoofd en enorme bos rood haar een niet te missen verschijning en een van de weinigen (zo niet de enige) die dwars tegen Wintour in durft te gaan. Cutlers documentaire gaat dan ook meer over de wrijving tussen de zakelijke Wintour en creatieve Coddington dan over mode, maar het is zonder meer vermakelijk om naar te kijken. Met 840 pagina’s en twee kilo werd het de dikste Vogue-uitgave ooit. En dat een jaar voor de crisis toesloeg, die een korte dip in veroorzaakte september issue-land die inmiddels alweer ruimschoots vergeten is.

Models (Ulrich Seidl, 1999)

De films van Ulrich Seidl laten zich moeilijk categoriseren. Models wordt vaak beschouwd als zijn eerste fictiefilm, maar zoals altijd is de grens met documentaire diffuus. In de film volgt hij drie modellen die werken in Berlijn (gespeeld, voor zover het gespeeld is, door drie echte modellen). Het blijft interessant hoe Seidl met een afstandelijke stijl de intieme binnenwereld van zijn personages opzoekt en hoe kwetsbaar dat is (waardoor je je overigens ook vaak afvraagt of hij niet de grenzen van zijn subject overschrijdt). Seidl is nooit een subtiele filmmaker geweest en is dat ook hier niet. In de eerste paar minuten zien we de vrouwen kotsen op de wc en cocaïne snuiven op de achterbank van een taxi. Dit zijn vrouwen wier zelfbeeld volledig wordt bepaald door een industrie die eist dat ze hun eigenwaarde inleveren bij de deur.

Yves Saint Laurent: 5 avenue Marceau 75116 Paris (David Teboul, 2002)

Deze documentaire vormt een mooi tweeluik met Signé Chanel. Ditmaal volgen we de totstandkoming van een haute couture collectie van Yves Saint Laurent. Hij en Lagerfeld zijn tegenpolen en dat zie je terug in hun werkwijzen. Tegenover de hectiek en flamboyance van Lagerfeld, staat de introverte kalmte van Saint Laurent. Met één hand op de rug schuifelt hij door het atelier, traag sprekend, zoekend naar woorden. ‘Merci, monsieur,’ zeggen de naaisters. ‘Merci, mes enfants,’ antwoordt Saint Laurent. De documentaire neemt zijn ritme over, waardoor deze bijna meditatief wordt. Eén keer horen we Saint Laurent zeggen dat hij ergens geen tijd voor heeft en nog zoveel moet doen, maar ook dan klinkt er geen spoor van paniek door in zijn stem. Deze documentaire laat zien dat creëren niet altijd gepaard hoeft te gaan met stress of tirannie, maar ook kan in een harmonieuze omgeving vol vriendelijkheid, rust en complimenten.

Making Fashion (Humphrey Jennings, 1938)

Tot slot wil ik jullie onderstaande korte documentaire van Humphrey Jennings niet onthouden. Jennings maakte in zijn relatief korte carrière (hij overleed in 1950 op slechts 43-jarige leeftijd) een grote hoeveelheid korte documentaires waarin hij immer koos voor onderwerpen die de ‘gewone’ Brit bezighielden. Meest bekend werd hij om de films die hij tijdens de Tweede Wereldoorlog maakte, maar voor de oorlog uitbrak en de dagen domineerde waren het onderwerpen als oogst, de spoordiensten, vrije tijd en dus ook mode waar hij de camera op richtte. In Making Fashion volgt Jennings beroemd Brits modeontwerper Norman Hartnell met een prettig pretentieloze, maar toch ook bewonderende toon. Misschien wel de beste manier om mode te benaderen.

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken