Nu aan het lezen:

Tien keer Robert Redford

Tien keer Robert Redford

Robert Redford heeft in zijn zes decennia durende carrière een heleboel petjes gedragen. Hij was een gigantische filmster, een Oscarwinnende regisseur, een uitgesproken verdediger van de liberale zaak en, door de oprichting van het Sundance Institute, patroonheilige van de onafhankelijke film. Vrouwen zwijmelden weg als ze zijn naam op een affiche zagen, mannen moesten tandenknarsend toegeven dat die dekselse Redford toch steeds in knappe films te zien was. Als acteur wisselde hij heel slim grote publieksfilms af met intelligente auteursfilms. The Old Man & the Gun, zijn 46e filmrol, zou naar verluidt zijn allerlaatste zijn. Al liet Redford zelf, geïrriteerd dat het nieuws van zijn afscheid de release van de film overschaduwde, in latere interviews de deur nog op een klein kiertje staan. Speciaal voor het pensioenfeestje van deze, intussen wat rimpelige, golden boy: tien keer Redford.

 

The Chase (Arthur Penn,1966)

Alleen al voor de indrukwekkende cast is The Chase het bekijken waard, een echt staalkaartje van toekomstige supersterren. Naast Redford zien we vroege rollen van Jane Fonda, Robert Duvall en Angie Dickinson en de hoofdrol wordt gespeeld door Marlon Brando, in de tijd dat hij nog (een beetje) moeite deed. Redford speelt Bubber Reeves, een ontsnapte gevangene die een corrupt stadje in het zuiden van de Verenigde Staten in rep en roer zet. Destijds uitgespuwd door critici, maar de tijd is mild geweest voor dit meesterwerkje van Arthur Penn. Hij toont een angstig, bevooroordeeld Amerika dat niet bang is voor een hate crime meer of minder. Redford is een radertje in het geheel, in een rol die oorspronkelijk voor Steve McQueen bedoeld was. Producer Sam Spiegel nam hem aan omwille van de uitzinnige reacties van de vrouwen op zijn kantoor toen ze Redfords foto zagen…

 

Barefoot in the Park (Gene Saks, 1967)

Redford werd pas echt bekend dankzij deze verfilming van het gelijknamige toneelstuk van Neil Simon. Hij speelt Paul, een ietwat stoffige jonge advocaat, die trouwt met de levenslustige Corie (verrukkelijke rol van, opnieuw, Jane Fonda). De film begint wanneer hun huwelijksreis erop zit en ze moeten wennen aan elkaar en aan hun nieuwe leven in hun veel te kleine appartement. Robert Redford zal niet de geschiedenisboeken ingaan als een groot komisch acteur (in het echte leven wordt hij over het algemeen trouwens ook beschreven als behoorlijk serieus), toch is hij oprecht geestig in deze charmante komedie wanneer hij stand probeert te houden tegen wervelwind Fonda. Zou een fijne double bill kunnen vormen met Our Souls at Night, de Netflixfilm die Redford en Fonda exact vijftig jaar later draaiden, en waarin ze opnieuw geliefden spelen. Chemie, zo blijkt, kent geen leeftijd.

 

Butch Cassidy and the Sundance Kid (George Roy Hill, 1969)

‘We zijn al meer dan dertig jaar bevriend, maar toch ken ik hem niet echt.’ Zo omschreef Paul Newman zijn vriendschap met Robert Redford. De namen van deze twee acteurs worden zo vaak in één adem genoemd, dat je soms zou vergeten dat ze toch maar twee films samen hebben gemaakt. Kiezen tussen Butch Cassidy and the Sundance Kid (1969) en The Sting (1973) is niet zo eenvoudig, je mag me gerust voor allebei wakker maken. Maar als het dan toch echt moet, ga ik hier voor Butch en Sundance. Een western voor mensen die niet houden van westerns; met veel humor, heel veel montagesequenties, maffe muziek (voor sommigen een afknapper, maar ik houd er wel van), mooie landschappen en twee hoofdrolspelers die duidelijk genieten van hun samenspel. En toch, door dat alles heen, het onmiskenbare gevoel van tristesse en van heimwee naar een manier van leven die bijna door de tijd was ingehaald.

 

Jeremiah Johnson (Sydney Pollack, 1972)

Redford is altijd een groene jongen geweest en die liefde voor de natuur en het Amerikaanse landschap uitte zich ook vaak in zijn films. Denk maar aan A River Runs Through It of The Horse Whisperer, die hij allebei zelf regisseerde. Maar de beste in dat rijtje eco-drama’s is toch wel Sydney Pollacks Jeremiah Johnson. Het verhaal over de trapper die de besneeuwde bergen van Utah intrekt op zoek naar land, en een voorzichtige relatie met de plaatselijke indianenstam aangaat, was duidelijk van persoonlijk belang voor Redford. Hij noemt deze film zelf als zijn persoonlijke favoriet. Het scenario van John Milius is episodisch en de dialogen zijn minimaal, maar de woeste landschappen zijn van zo’n adembenemende, haast hypnotische schoonheid dat je daar geen seconde bij stilstaat. Best te consumeren onder een dekentje met een warme chocolademelk. Iets sterkers mag ook.

 

The Way We Were (Sydney Pollack, 1973)

Eerlijk is eerlijk, ik heb absoluut niets met deze film, maar hij is wel belangrijk om het fenomeen ‘Redford, de filmster’ te duiden. Een echte filmster kan je namelijk, puur door charisma, doen vergeten dat je naar een draak aan het kijken bent. En dat is precies wat Robert Redford hier doet. ‘Redford & Streisand together’ toeterden de filmposters trots. In 1973 moest je inderdaad al veel moeite doen om twee sterren te vinden die helderder fonkelden dan de twee hoofdrolspelers in The Way We Were. Redford, een intuïtieve acteur, kreeg het af en toe danig op zijn heupen van la Streisand, die eindeloos wilde repeteren. Toch slaagt regisseur Sydney Pollack erin om zijn twee sterren gelijktijdig op het scherm te laten pieken. Het gemak waarmee Redford speelt, doet je het banale liefdesverhaaltje vergeten. Later zou hij hetzelfde trucje herhalen bij Out of Africa en Havana (beiden ook voor Sydney Pollack). Redford zelf was niet zo tevreden over het eindresultaat: hij had gehoopt dat de film meer zou focussen op de politieke standpunten van de twee hoofdpersonages, maar regisseur Pollack koos ervoor om zich toe te spitsen op de romance. De film en het gelijknamige titelnummer werden een gigantische hit en gaven Redford de kans om nog meer zijn eigen ding te doen.

 

The Great Waldo Pepper (George Roy Hill, 1975)

Midden jaren 70 had men kunnen denken dat Robert Redford naast zijn schoenen aan het lopen was. In 1974 was hij al The Great Gatsby (als film: not so great) en een jaar later speelde hij The Great Waldo Pepper. Opnieuw onder regie van George Roy Hill, met wie hij eerder Butch Cassidy en The Sting had gemaakt. Deze keer geen Paul Newman (al maakt zijn zoon Scott wel een cameo), maar je krijgt wel een hele stoet vliegtuigen in de plaats. De film speelt zich namelijk af in het milieu van de zogenaamde ‘barnstormers’: stuntpiloten die tijdens de eerste jaren van de geschiedenis van de luchtvaart de boer op gingen om aan iedereen te tonen waartoe die vervaarlijke nieuwe machines in staat waren. Dit is een heerlijk ouderwetse spektakelfilm. CGI was in die tijd nog maar een verre nachtmerrie, dus alle halsbrekende vliegtoeren die je ziet zijn écht. Redford is in filmsterrenmodus hier, moeiteloos heroïsch en charmant, maar nu ook met een snufje bitterheid en weemoed. Een film die, helaas, niet zoveel aandacht krijgt als de meeste van de andere films die hij in die periode heeft gemaakt, maar zeker de moeite van het ontdekken waard is!

 

All the President’s Men (Alan J. Pakula, 1976)

Een overzicht van de carrière van Robert Redford kan niet compleet zijn zonder een vermelding van deze essentiële krantenthriller, die trouwens ook door Redford geproduceerd werd. William Goldmans scenario is een complexe kluwen van telefoongesprekken, getuigenverklaringen en doodlopende sporen. Redford en Dustin Hoffman zijn onze gidsen in Alan J. Pakula’s klinische en paranoïde analyse van de Watergate-affaire. Redford bereidde zich, een beetje tegen zijn gewoontes in, maniakaal voor de op de rol van Bob Woodward. Hij hing maandenlang rond op de redactie van The Washington Post, leerde de tekst van Dustin Hoffman ook uit zijn hoofd zodat ze elkaar efficiënter konden onderbreken, en werd zelfs (voor de duur van de opnames) rechtshandig. De film wordt zowat elk jaar wel eens geïmiteerd (Spotlight, The Post), maar dwingender dan in All the President’s Men ratelden de typemachines nooit.

 

Quiz Show (Robert Redford,1994)

Redford bevestigde zijn status als godenkind toen zijn regiedebuut, Ordinary People, in 1980 meteen de Oscar voor beste film won. Dit familiedrama heeft zeker zijn kwaliteiten, maar mijn favoriete film van Redford als regisseur is toch zijn vierde, het heerlijke Quiz Show. Hij gebruikt een waargebeurd fait divers, kandidaten van een spelshow op tv die op voorhand de vragen kregen doorgespeeld, en schetst daarmee een beeld van Amerika in de jaren 50. Het is verbluffend om achter de schermen van die vroege spelshows te kijken, hoe kandidaten gecast werden, op uiterlijk en ras, alsof het acteurs in een film waren. Quiz Show is deels thriller, deels nostalgietrip, deels moreel drama (wat zou jij doen als je een van de kandidaten was?). Redford zelf speelt niet mee, maar kiest voor prima acteurs als Ralph Fiennes, John Turturro en Paul Scofield in de belangrijkste rollen. Let op een bijrolletje van Martin Scorsese zelf!

 

The Company You Keep (Robert Redford, 2012)

The Company You Keep toont zonder enige vorm van twijfel de omvang van het adresboekje van Robert Redford aan. Klinkende namen als (haal diep adem): Susan Sarandon, Shia LaBeouf, Nick Nolte, Chris Cooper, Julie Christie, Terrence Howard, Stanley Tucci, Brendan Gleeson en Sam Elliott tekenden present om, soms belachelijk kleine, rollen te spelen in Redfords (voorlopig?) laatste film als regisseur. De film bleef helaas een beetje onder de radar bij zijn release. Je kan hem bekijken als een hommage aan de paranoïde politieke thrillers die Redford in de jaren 70 maakte. Redford speelt een succesvolle advocaat, die in een ver verleden deelnam aan terreuracties als protest tegen de Vietnamoorlog. Een journalist ontdekt zijn niet zo frisse geschiedenis en Redford slaat op de vlucht, op zoek naar zijn oude compagnons. Oké, oké, het vergt wat goodwill van de kijker om te geloven dat de 76-jarige Redford zonder al te veel puffen de FBI kan ontlopen, om maar te zwijgen van het feit dat hij de vader is van een tienjarige dochter. Toch is dit een slimme, entertainende kat-en-muisfilm, die zijn tijd neemt om alle bekende gezichten te voorzien van mooie momentjes voor hun personages. De scènes tussen Redford en Julie Christie zijn bijzonder aandoenlijk.

 

All is Lost (J.C. Chandor, 2013)

All is Lost is de (vergeef de woordspeling) natte droom van elke acteur. Twee uur solo in beeld, geen co-sterren die je aandacht willen afsnoepen, en zelfs nauwelijks tekst die je uit je hoofd moet leren. Het verhaal van een zeiler die op volle zee wordt aangevaren door een containerschip en zonder communicatie met de buitenwereld moet zien te overleven, past in het rijtje van ‘man vs natuur’-films waar Redford wel van houdt. Toch was All is Lost geen walk in the park voor de op dat moment 77-jarige Redford. Door de aard van het verhaal moest hij constant nat gesproeid worden, waardoor hij een oorinfectie opliep die hem een groot deel van zijn gehoor kostte. Na de opnames werd de film nauwelijks door de studio gepromoot, waardoor de Oscarnominaties waar Redford en Chandor stiekem op hoopten er nooit van kwamen. Zijn desillusie hierover zou een rol gespeeld hebben bij zijn beslissing om het acteren terug te schroeven. Hoe het ook zij, All is Lost staat, met de indrukwekkend fysieke acteerprestatie van Redford, als een huis. Op elk moment van de rit ben je deelgenoot van zijn pijn en vermoeidheid. Elke nieuwe opdoffer die hij tegenkomt voel je in je maag. Het zou een pracht van een testamentfilm geweest zijn, ware het niet dat hij hierna nog vijf jaar verder zou werken.

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken