Nu aan het lezen:

Tien films van meer dan 200 minuten die je tijd waard zijn

Tien films van meer dan 200 minuten die je tijd waard zijn


Deze week verschijnt The Woman Who Left van notoir langfilmer Lav Diaz in de bioscopen. 226 minuten duurt zijn nieuwste en dat is voor zijn doen nog aan de korte kant. De Filipijn heeft films van een slordige tien uur achter zijn naam staan.

Zo’n speelduur kan ontmoedigend zijn. Ik merk zelf vaak dat films langer dan drie uur, hoe zeer ik ze ook wil zien, vaak lang op m’n watchlist bleven en blijven hangen. Maar ik kan toch iedereen van harte aanraden op z’n minst een keer een film met een monumentale speelduur te kijken. Uiteraard zijn er een aantal klassiekers die in aanmerking komen, zoals Lawrence of Arabia (216 minuten), Seven Samurai (207 minuten) of Once Upon a Time in America (229 minuten), maar we houden er bij Cine ook van om je op titels te brengen waar je zelf misschien niet direct opgekomen of gewoon nog niet aan toegekomen was. Daarom in dit artikel tien films van meer dan 200 minuten die je tijd waard zijn, in oplopende lengte. Samen goed voor ruim 46 uur kijkplezier.

 

201’: Jeanne Dielman, 23, quai du commerce, 1080 Bruxelles (Chantal Akerman, 1975)

Tweehonderd minuten kijken naar een doodgewone vrouw die doodgewone dingen doet. Dat is bijna de exacte beschrijving van Jeanne Dielman. Maar in de minieme afwijking van die beschrijving, de kleine scheurtjes in de routine, schuilt een wereld van betekenis. In Jeanne vertegenwoordigt Akerman meerdere ideeën, constructies van vrouw-zijn; de moeder, de prostituee, de huisvrouw. Het zijn rollen, met elk hun eigen restricties, taken en rituelen. En elke rol is in dienst van anderen, in dienst van mannen. We zien als het ware de achterkant, de coulissen van het patriarchaat, waar de mannen enkel komen voor een portie eten of bevrediging om daarna weer naar buiten te treden. Het houdt haar gevangen, maar tegelijk is die routine haar houvast. Zodra die verstoord wordt, op hoe minieme wijze ook, blijkt de bewustwording onomkeerbaar.

205’: Andrei Rublev (Andrej Tarkovsky, 1966)

Er zijn meerdere versies in omloop van Tarkovsky’s meesterwerk en zelf schijnt hij een voorkeur uitgesproken te hebben voor die van 185 minuten, maar de meest gangbare klokt in op 205 minuten. Je kunt de film een biopic noemen van de 15e-eeuwse schilder Andrej Roebljov, maar eigenlijk gebruikt Tarkovsky diens leven als een canvas voor thema’s als kunstenaarschap, religie, schoonheid, creatie en vernietiging. Het is visueel een van de mooiste films ooit gemaakt en zoals eigenlijk altijd bij Tarkovsky opent de film een enorme diepte waar je als kijker maar gewoon in moet springen. De zoektocht naar het sublieme zit in de mens besloten en dat maakt Andrei Rublev tot een tijdloze film die altijd zijn zeggingskracht behoudt. Een film om naar terug te blijven keren.

208’: Yurîka (Shinji Aoyama, 2000)

Deze Japanse film begint met een kalm gefilmde, maar daarmee niet minder brute gijzeling op een bus. De enige overlevenden zijn de buschauffeur en twee schoolkinderen, broer en zus. De rest van de film laat zien hoe elk van hen getekend is door het voorval. Nadat de kinderen ook nog hun ouders kwijtraken, trekt buschauffeur Makoto bij hen in. Yurîka, gefilmd in sepiakleuren die alles iets dromerigs geven, speelt zich af op het eiland Kyushu, waar zowel Aoyama als hoofdrolspeler Koji Yakusho zijn geboren. Yurîka is een complexe film over trauma en alle tegenstrijdige emoties die daarbij loskomen. De lange speelduur geeft Aoyama de ruimte om de karakters uit te diepen en vooral uit te kristalliseren en voelbaar te maken hoe de tijd de wond transformeert. Want hoewel ze dezelfde wond delen, is de pijn die elk ervaart en de littekens die erdoor getrokken worden, verschillend.

213’: Welt am Draht (Rainer Werner Fassbinder, 1973)

Rainer Werner Fassbinder is zonder twijfel een van de productiefste filmmakers uit de geschiedenis. In een carrière van veertien jaar (hij overleed op 37-jarige leeftijd), maakte hij een slordige veertig speelfilms. Welt am Draht is een sciencefictionfilm over een wereld die een simulatie is binnen een wereld die eigenlijk ook een simulatie blijkt. En de man die dat ontrafelt en naar buiten tracht te brengen. Waarvoor hij dus eerst uit de simulatie moet ontsnappen. De vormgeving is spectaculair, vol met de bij Fassbinder zo vaak terugkerende spiegels die weerkaatsen, fragmenteren en vervormen. In 2010 werd een gerestaureerde versie uitgebracht en twee jaar later volgde een Criterion-release, waarmee de film eindelijk wat aan de obscuriteit ontsnapte. En wie de film nu ziet en beseft hoe echo’s ervan hun weg hebben gevonden naar onder meer The Matrix, Westworld en Brazil, moet concluderen dat Fassbinder zijn tijd vooruit was.

237’: Ai no mukidashi (Sion Sono, 2010)

“A psychosexual, socio-political, subversively philosophical exploitation drama.” Zo beschreef Brits filmcriticus Mark Kermode het knotsgekke Ai no mukidashi (internationale titel Love Exposure), over de zoon van een priester die zijn vader probeert tevreden te stellen door te zondigen, zodat hij vervolgens bij hem kan biechten. Hij sluit zich aan bij een bende en specialiseert zich in het onder rokjes fotograferen van schoolmeisjes. Sono’s films zijn altijd op z’n minst een tikje pervers en daardoor weet ik niet altijd wat ik ervan moet denken. Maar wat deze film voor mij uiteindelijk toch deed werken, is dat Sono hier die perversiteit centraal stelt en dus daadwerkelijk adresseert. Niet door het gedrag van Yû te veroordelen, maar door hem te dwingen er eerlijk over te zijn. En misschien is dat uiteindelijk wel gezonder dan al die onderdrukte perversiteit in onze beschaafde wereld.

265’: Mistérios de Lisboa (Raúl Ruiz, 2010)

Mistérios de Lisboa is de voorlaatste film die Raúl Ruiz voltooide voor hij in 2011 overleed. De in Chili geboren Ruiz ontvluchtte in 1973 zijn geboorteland tijdens de staatsgreep van Pinochet. De rest van zijn leven woonde en werkte hij in Frankrijk. In zijn stijl combineerde Ruiz Franse en Latijns-Amerikaanse invloeden. Herinnering, tijd, identiteit; het is vloeibaar in de film van Ruiz. Zijn films omspannen vaak meerdere decennia, waarbij door de tijd heen en weer wordt gesprongen en acteurs soms ineens andere personages spelen. Mistérios de Lisboa begint als het verhaal van Joao, een wees op zoek naar wie hij is en waar hij vandaan komt, maar gedurende de viereneenhalf uur wisselt het perspectief meermaals. Visueel is dit kostuumdrama imponerend, met een schilderachtig gebruik van licht en vloeiend camerawerk van André Szankowski. Ruiz’ omvangrijke oeuvre is buiten Frankrijk redelijk onbekend, tijd om daar verandering in te brengen.

288’ As I Was Moving Ahead Occasionally I Saw Brief Glimpses of Beauty (Jonas Mekas, 2000)

“I’m there in every shot if you bother to find me”, horen we Iggy Pop zeggen in de essayistische film In Praise of Nothing, waarin hij de stem van Niets vertolkt. Het kan bijna niet anders dan een referentie zijn aan Jonas Mekas’ epische home-movie, die daarin bijna letterlijk hetzelfde zegt en zijn film (half grappend) “a masterpiece of nothing” noemt. Dat niets is het soort niets waar cinema zo vaak geen plaats voor heeft: het alledaagse, het onopmerkelijke. Mekas’ film is een ruim viereneenhalf uur durende aaneenschakeling van zulke momenten uit het leven van de in Litouwen geboren New Yorker: een uitje naar de dierentuin, met vrouw en baby in de metro. Alles dwars door de tijd aaneen gemonteerd, want onze identiteit bestaat niet als een lineaire lijn, maar is een som van al die momenten. As I Was Moving Ahead… is zo dieppersoonlijk dat het weer universeel wordt.

366’: La meglio gioventú (Marco Tullio Giordana, 2003)

Gedurende zes uur volgen we in deze Italiaanse film twee broers, Matteo en Nicola, vanaf hun kindertijd via hun adolescentie tijdens de roerige jaren zestig en eindigend rond de millenniumwisseling. Ik denk dat La meglio gioventú de eerste keer was dat ik een film van een dusdanige lengte zag. Het is daardoor ook de film die mij leerde wat zo’n lange speelduur met je kan doen. Hoe  het je bewust maakt van het verstrijken van de tijd en hoe dat je op een andere manier met de personages doet verbinden. Meer in de lijn van een roman, waarvan deze film ook zijn structuur leent. La meglio gioventú is een ambitieuze film, die zowel twee levens met al hun complexiteiten wil tonen, als een beeld van Italië in die decennia. Dat laatste blijft soms iets teveel decor, maar het neemt niet weg dat dit een indrukwekkend en meeslepend werk is.

375’: La commune (Paris, 1871) (Peter Watkins, 2000)

Deze film van Peter Watkins is een ruim zes uur durende re-enactment van de Parijse Commune die in 1871 kort over de stad regeerde en grote hervormingen doorvoerde alvorens bloedig te worden neergeslagen. Gefilmd in een verlaten fabriek met tientallen niet-professionele acteurs, veelal Parijzenaren, die zelf uitgebreid research deden. De lange speelduur geeft Watkins de mogelijkheid om te laten zien hoe de tendens langzaam kantelde. Van onstuitbaar optimisme naar twijfel en uiteindelijk wanhoop. Het  laat zien hoe moeilijk de idealen van de revolutie zich laten vertalen naar concrete realiteit. Veel aandacht is er voor de grote rol die vrouwen in deze opstand speelden en tevens voegt Watkins een puur fictieve factor toe met een televisieploeg die aanvankelijk verslag doet van de opstand maar langzaam een meer propagandistische rol krijgt, waarmee hij de urgentie van de film nog eens extra naar het heden doortrekt.

420’: Sátántangó (Béla Tarr, 1994)

In 2011 kondigde de Hongaarse filmmaker Bela Tarr aan dat hij met A torinói ló zijn laatste film had gemaakt, waarmee zijn totaal op negen speelfilms in 34 jaar komt. En binnen die beperkte productie heeft hij zich ontplooid tot een onvervalst auteur. Sátántangó gaat over een boerengemeenschap die wordt wakker geschud door de terugkeer van de dood gewaande Irimiás (gespeeld door Tarrs vaste componist Mihály Vig) en een tragische gebeurtenis die daar bijna mee samenvalt. Lange sequenties waarin geen woord gesproken wordt, worden afgewisseld met korte spraakerupties; een eloquente monoloog of een dronken uitbarsting in het café. De film zit vol met scènes die zich op je netvlies branden, gefilmd in guur zwart-wit en vol lange tracking shots. Het is een film vol filosofische thema’s die tegelijk heel visceraal is; de gierende wind en slaande regens zijn bijna tastbaar. Sátántangó is een uitputtende kijkervaring, maar wel eentje waar ik absoluut naar zal terugkeren.

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken