Nu aan het lezen:

Tien doofpotfilms die je nog niet zag

Tien doofpotfilms die je nog niet zag

 

Het zal niet verbazen dat de jaren zeventig goed vertegenwoordigd zijn in dit lijstje. Het was het decennium van de politieke thriller, waarin complotten en paranoia welig tierden. Een aantal van die films staat terecht te boek als onbetwiste klassieker. In dit lijstje tien complotfilms die een stuk minder bekend zijn. Soms omdat ze zelf in de doofpot terecht kwamen.

 

I… comme Icare (Henri Verneuil, 1979)

Kort door de bocht is dit de Franse variant op Oliver Stone’s JFK. De president hier heet Marc Jarry, maar de setting en omstanders van de moordaanslag herkennen we uit de werkelijkheid: de man met de videocamera, de man met de paraplu, de man met het geweer. Een jaar na de moord is er een rapport dat een dood aangetroffen eenling als dader aanwijst, maar één van de commissieleden weigert het rapport te tekenen. Hij vermoedt een complot en start een eigen onderzoek, waarbij hij stuit op dode getuigen en casettebandjes met geheime boodschappen. De film wordt gedragen door een gedreven Yves Montand als de man die in steeds kleinere cirkeltjes de waarheid benadert, hopend dat zijn vleugels niet van was blijken te zijn.

Le mani sulla citta (Francesco Rosi, 1962)

“Geld is geen auto die je in een garage kunt stallen. Geld is een paard dat elke dag moet eten.” Het is de filosofie van Edoardo Nottola (Rod Steiger), bouwondernemer en gemeenteraadslid in Napels. Twee functies die de schijn hebben van belangenverstrengeling en veel meer dan dat. Wanneer een gebouw in een arme wijk instort wordt een onderzoek gestart. Om zijn toegang tot het grote geld te behouden, is er Nottola veel aan gelegen de onvermijdelijke conclusies daarvan onder het tapijt te vegen. Rosi schetst het schimmige machtsspel vol gekonkel en achterkamers in prachtig zwart-wit, verankerd in de Napolitaanse architectuur en opgestuwd door de intense hoofdrol van Steiger, die twee jaar later in The Pawnbroker in een compleet andere rol opnieuw zou excelleren.

Prince of the City (Sidney Lumet, 1981)

En dat brengt ons bij Sidney Lumet en dus ook bij New York, waar zo veel van zijn films zich afspelen. Zo ook Prince of the City, zijn nauwgezette ontleding van corruptie binnen de politie. Thematisch is de film verwant aan Lumets eerdere en bekendere Serpico, beiden over een agent die besluit een vuist te maken tegen de corruptie rond hem, maar Prince of the City is ambitieuzer in opzet en Danny Ciello (een sterke rol van Treat Williams) is een complexer personage. Lumet neemt met bijna drie uur dan ook ruim de tijd om alle morele grijstinten uit te lichten en smeedde een film die misschien een tikje uitwaaiert, maar wel de blauwdruk vormde voor menig politiefilm en –serie die erna kwam.

La historia oficial (Luis Puenzo, 1985)

Ze zijn er nog elke donderdagmiddag, de Dwaze Moeders en Grootmoeders van de Plaza de Mayo, wier kinderen en kleinkinderen verdwenen tijdens de Vuile Oorlog. La historia oficial vertelt hun verhaal, maar via een omweg. Alicia is geschiedenisdocente en adopteerde ooit een kind onder omstandigheden die zij nooit heeft bevraagd. Maar de lerares die op school zo getrouw het officiële verhaal aan haar leerlingen doceert, begint langzaam te twijfelen aan dat verhaal en de adoptie. Een verhaal als dit scheert al snel langs de grenzen van melodrama, maar het sterke acteren en script voorkomen dat nagenoeg geheel. Wanneer de vermoedelijke grootmoeder van het kind aan de hand van wat foto’s haar familiegeschiedenis vertelt, is dat niet sentimenteel, maar een tegelijk kwetsbare en krachtige getuigenis van een generatie.

Ucho (Karel Kachyña, 1990)

Ucho werd na voltooiing in 1970 verboden door de op dat moment in Tsjecho-Slowakije regerende Communistische Partij en pas in 1990 officieel uitgebracht. De makers kan lef dan ook niet ontzegd worden. Ucho is een bijtende kritiek op het diep in de privéruimte dringende communistisch regime. Het Oor uit de titel staat voor de overheid die telefoonlijnen tapt en microfoontjes achter schilderijen verstopt. De gehele film speelt zich af in het huis van een partijlid en gedurende één nacht, waarin de paranoia groeit, gevoed door drank en onderlinge verbittering. De film wordt dan ook wel aangeduid als een kruising tussen Who’s Afraid of Virginia Woolf? en Das Leben der Anderen. Maar die referenties heeft het briljante Ucho eigenlijk helemaal niet nodig.

Conspiracy (Frank Pierson, 2001)

Conspiracy is een reconstructie van de Wannseeconferentie, de bijeenkomst op 20 januari 1942 waarin men tot een ‘definitieve oplossing voor het Jodenprobleem’ wilde komen. De Endlösung dus. De film speelt zich geheel af binnen de villa waar de conferentie wordt gehouden en tussen de vijftien aanwezigen. Lange discussiescènes worden slechts onderbroken door een exuberante lunch, die ook weer wordt aangegrepen om twijfelaars over de streep te trekken. Regisseur Pierson en scenarist Loring Mandel beseffen dat de angstaanjagendheid van dit kwaad zit in de zakelijkheid en eufemistische termen waarmee wordt gesproken. Met sterke rollen van Stanley Tucci, Colin Firth en vooral Kenneth Brannagh als conferentieleider Reinhard Heydrich toont Conspiracy de angstwekkende berekendheid en planmatigheid achter de Holocaust.

Le Corbeau (Henri-Georges Clouzot, 1943)

Een Frans provinciestadje wordt opgeschrikt door anonieme brieven waarin nare geruchten worden verspreid over de bewoners, voornamelijk de dokter Rémy Germain. De brieven zijn ondertekend met ‘le corbeau’ (de raaf). De film werd gefinancierd met Duits geld en zou Fransen in een slecht daglicht zetten, wat ertoe leidde dat Clouzot een levenslange ban van filmmaken kreeg opgelegd (die in 1947 weer werd ingetrokken).  Slant magazine beschreef Le Corbeau als een ‘verre neef’ van Michael Haneke’s Das Weisse Band en daar zit wat in. Beide films tonen hoe paranoia en angst het slechtste in de mens naar boven brengen. En dat een samenleving die zich laat leiden door wantrouwen blind raakt voor de destructie die ze daarmee aanwakkert. Een les die helaas nog steeds urgent is.

La corta notte delle bambole di vetro (Aldo Lado, 1971)

Een Amerikaanse journalist is op zoek naar zijn vermiste vriendin. Die zoektocht wordt echter danig bemoeilijkt door het feit dat de wakkere geest van deze Gregory Moore gevangen zit in zijn doodverklaarde lichaam. Vanaf de autopsietafel doolt hij door zijn herinneringen, zoekend naar aanwijzingen, hopend het mysterie te ontrafelen van zowel haar verdwijning als zijn toestand. Deze debuutfilm van Aldo Lado is een sfeervolle giallo (of is dat een pleonasme?) die traag, maar trefzeker uitmondt in een paranoïde nachtmerrie, waarbij Moore ontdekt dat de verdwijning van zijn vriendin niet op zichzelf staat, maar onderdeel is van een groter complot. En we weten allemaal hoe gevaarlijk het is om een complot op het spoor te komen. Zelfs als je voor dood op een autopsietafel ligt.

The Spook Who Sat by the Door (Ivan Dixon, 1973)

Een zwarte Amerikaan werkt zich op binnen de CIA om vervolgens de kennis die hij daar opdoet te gebruiken voor een revolutie tegen de witte suprematie. Wat lijkt te beginnen als een satirische klucht, vol stereotypes, verandert langzaam in een steeds verontrustender scenario. Bij de release was de film al snel een veelbesproken hit. Ja, het was blaxploitation, maar het was toch ook complexer dan dat. Dat vrijwel niemand de film nu nog kent is te danken aan de FBI, die vrijwel alle kopieën vernietigde. Dixon wist een negatief van de film op tijd te archiveren onder een andere naam, waardoor The Spook Who Sat by the Door niet geheel verloren gegaan. Gelukkig maar, want juist omdat de film iets problematisch heeft, is hij zo belangrijk.

https://www.youtube.com/watch?v=tsH8Y5wpDSs

L’Aveu (Costa-Gavras, 1970)

Costa-Gavras is natuurlijk de man van Z, een van de beste politieke complotthrillers van de jaren zeventig, maar het is niet de enige die hij maakte. Zo was er ook nog Missing, over een journalist die verdwijnt na de Chileense staatsgreep en L’Aveu, over een Tsjecho-Slowaakse minister binnen het communistisch regime die wordt ontvoerd en beschuldigd van spionage. De door Yves Montand (daar is hij weer) gespeelde minister wordt onderworpen aan eindeloze martelingen en ondervragingen. En ook de kijker wordt niet gespaard. Costa-Gavras bedelft ons onder een spervuur aan woorden, verwart ons opzettelijk met desoriënterende montage, zodat ook wij iets van de uitputting en wanhoop gaan voelen. Schuldig of onschuldig; het maakt eigenlijk niet uit. Zoals een van de ondervragers benadrukt: “Geloof me, hier bekent iedereen.”

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken