Nu aan het lezen:

The Film That Buys the Cinema (3/3): Is dit wat?

The Film That Buys the Cinema (3/3): Is dit wat?


Ik heb het in mijn vorige twee artikelen uitgebreid gehad over hoe obscuur The Film That Buys the Cinema is, en hoe de film tot stand is gekomen, maar de grote vraag is natuurlijk: is de film de moeite van het opzoeken, kopen en bekijken waard?

Om met de deur in huis te vallen: om te genieten van The Film That Buys the Cinema moet je een hoge pijngrens hebben wat betreft videokunst, performance-art en artistiek experiment. Een minuut is niet voldoende om een verhaal op poten te zetten, laat staan in één take, waardoor veel van de films andere manieren moeten te vinden om de aandacht van de kijker vast te houden. Dat laatste lukt niet altijd: ongeveer een kwart van de filmpjes voelt alsof de makers ook niet precies wisten wat ze aan het doen waren. Vaak blijken dit de filmpjes van de amateurs binnen de groep, maar hun enthousiasme is ergens ook bewonderenswaardig. Maar een minuut is snel voorbij, en de film verliest slechts op enkele punten de spanningsboog.

Verrassend is namelijk hoeveel van de filmpjes op logische wijze in elkaar doorlopen, met een flow die klopt: natuurlijk is het logisch dat de filmpjes van Jem Cohen en Braden King achter elkaar worden gezet, want beiden zijn gefilmd vanuit treinen en vergelijken op mooie wijze de compositie van treinramen en deuren met die van een filmstrip. Maar hoe geïnspireerd de associaties die gelegd worden door de samenstellers zijn zien we meteen al in de eerste twee filmpjes: een giftig blauwe plumpudding gefilmd door Joe Magee, gevolgd door in slowmotion met hun wangen flubberende mensen die een klankgedicht van Cory McAbee performen.

Het zijn filmpjes zoals die van Joe Magee die het meest imponeren: die één, vaak ontstellend bizar en buitenaards beeld vinden, en daar ons een minuut lang van laten genieten. De verbuigende oogbal van Jennet Thomas, een man onder fluoriscerend ziekig groen licht die een penetrant paarse cadeauboog uitspuwt van Coral Short, een pixelige prikkelige animatie van mineralen door Semiconductor of het paranoia hersenspoel-experiment van Craig Baldwin. Dat filmpje destilleert Baldwins stijl in één minuut, en hetzelfde geldt voor de filmpjes van Bill Morrison, Peter Strickland en Reggie Watts, die perfect passen binnen het oeuvre van de makers, maar dan op kleine schaal.

Bill Morrison en Peter Strickland zoeken hun heil in texturen, waarbij korrelig beeld een zintuiglijke sfeer op moet roepen, een tactiek die ook Ben Rivers en Thought Forms toepassen. Veel van de kunstenaars filmen gewoon hun performance, en dat levert soms leuke afwijkende stukken op, zoals het beschaafd vunzige muzieklesje van Dudley Sutton, maar ook vaak weinig interessante stukjes muziek van The Dagger Brothers, Beardymen en Nanoplex, en een standaard GoPro-portwedstrijd van de Easton Cowboys.

John Minton vindt gelukkig een interessante wijze om Portishead opnieuw in beeld te brengen, waarbij hij het verbod op editing ontwijkt door de camera te laten pannen langs een aantal opgestelde televisies. Ook Nicolas Roeg gebruikt deze techniek. Hij plaats een gemonteerd filmpje op een televisie in de ruimte waar het is opgenomen, waardoor er meerdere beeldlagen ontstaan, en verschillende tijdlagen, als hij ook nog Un Bar aux Folies Bergère van Édouard Manet in de mix gooit. Het spel met dubbelingen, tijdlagen en vergelijkingen is onmiskenbaar Roeg, en het bewijs dat de man op zijn oude dag zijn kunstjes nog niet verleerd is. Ook Imogen Pettitt van filmcollectief Blue Screen speelt op ludieke wijze met splitscreen .

Tot slot zijn er nog de filmmakers die hun omgeving filmen, sommige op hun reizen, maar vaker een portret van een familielid, kennis of zichzelf. Twee van de beste filmpjes zijn in deze categorie en volgen ook direct op elkaar. Tony Grisoni, scenarist van de laatste paar films van Terry Gilliam, maakte met Oona Grimes een indringend portret van een oude vrouw waarin haar fragiele mentale staat vergeleken wordt met die van Alice uit Alice in Wonderland. Andrew Kötting richt zijn camera op Eden Kötting, zijn verstandelijk beperkte dochter met het syndroom van Joubert, die naam heeft gemaakt als kunstenares. Het zijn beiden extreem kwetsbare, intieme films. The Film That Buys the Cinema toont zo allerlei manieren om films te maken als het vanwege tijdgebrek niet echt mogelijk is een verhaal te vertellen: door een sfeer neer te zetten, een vervreemdend beeld te creëren, een onderzoek te doen naar textuur, een document te maken van een tijd of plaats, of een emotie te vangen. Dat dit een groot deel van de kunstenaars niet lukt is logisch: niets is moeilijker dan iets krachtigs neerzetten in een korte tijd. Maar als het lukt, en dat is voornamelijk het geval in de werken van de in dit artikel genoemde makers, dan blijkt een minuut alle tijd van de wereld.

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken