Nu aan het lezen:

Review: The Florida Project

Review: The Florida Project

Sean Baker is terug met The Florida Project. George Vermij keek naar de rol van architectuur in de film.

In het boek Learning From Las Vegas braken architecten Robert Venturi, Denise Scott Brown en Steven Izenour in 1972 een lans voor de commerciële en kitscherige architectuur van de beruchte gokstad in de woestijn. Ze waren naar Nevada afgereisd en hadden daar het licht gezien. De grote billboards, felle neonletters en overdadige ornamenten hadden ze aan het denken gezet over de vorm en de functie van gebouwen. In hun boek weidden ze daarom uit over het nut van aanvullende versieringen en markante toevoegingen als een middel om te communiceren. De boulevard van de Las Vegas Strip is een en al verleiding met reclameborden die de wildste dromen beloven en namen van casino’s die verwijzen naar opulentie en ongekend vermaak.

Het was niet vreemd dat hun lofzang voor dit soort gebouwen in slechte aarde viel bij veel architecten uit die tijd. Die waren immers overtuigd van de strakheid van het modernisme en moesten niets hebben van de vulgaire stilistische overdaad van Las Vegas. Zo stond het boek aan de wieg van het postmodernisme in de architectuur. Een aanval op de strenge en serieuze dogma’s van de architecten daarvoor. Maar de tijden zijn natuurlijk veranderd. Was Las Vegas nog een soort van uitzondering in dat tijdsgewricht, inmiddels is de stad nu exemplarisch geworden voor de ontwikkeling van veel steden in de VS.

Op het eerste gezicht zou je het niet zeggen, maar Sean Bakers The Florida Project is eigenlijk een film over architectuur. Het kan zijn dat je al wat buzz hebt opgevangen. Zoals de lovende kritieken over het spel van debutante Bria Vinaite en de 7-jarige Brooklynn Prince als alleenstaande moeder Halley en haar bijdehante dochter Moonee. Of dat Baker de frisse stijl van zijn eerdere Tangerine en Starlet succesvol heeft voorgezet. In zijn kleine oeuvre richt hij zijn camera overigens altijd op eigenzinnige en strijdbare outsiders.

Maar naast die sterke elementen spelen gebouwen en de omgeving een onmiskenbare rol in de film. Het wordt in feite al door de titel prijsgegeven met een ironische knipoog. Het Engelse woord project kan naast het Nederlandse ‘project’ ook sociale woningbouw betekenen. Toch is de plek waar The Florida Project zich afspeelt niet een door de overheid opgezet complex. Het is een goedkoop en louche motel in Kissimmee onder de rook van Orlando, Florida. De verlokkingen van Disney World met zijn sprookjesachtige kunstmatigheid zijn niet ver weg.

In Learning from Las Vegas besteedden de schrijvers aandacht aan het gestandaardiseerde gebouwtype van het motel. Een architectuur van tijdelijkheid en snelle efficiëntie die wordt gekenmerkt door korte verblijven. In The Florida Project is dat echter vervangen door een schrijnendere functie. Af en toe komen er nog wat verdwaalde toeristen aan die zijn afgezet met de belofte van een onderkomen in mooi hotel, maar de meeste bewoners komen van de Amerikaanse onderlaag. Werklozen of mensen die van een karig loontje rond moeten komen. Het louche motel is het laatste toevluchtsoord na huisuitzettingen of een gedwongen ontslag. Een tussenstation voordat je dakloos bent of in je auto moet leven. En zo komt ook een rijdende voedselbank langs om eten uit te delen aan de huurders. Bobby, de meelevende conciërge, staat het toe, ook al is zijn manager bang dat het toeristen afschrikt.

Halley en haar dochter Moonee leven in het complex dat in feite de rol van sociale woningbouw heeft overgenomen. En dat onder het toeziend oog van Bobby. Willem Dafoe zet dit manusje van alles neer als een schijnbaar strenge conciërge. Geleidelijk blijkt hij een klein hartje te hebben als hij ziet hoe moeder en dochter in de problemen komen.

Het Florida van de film is een verzameling winkelcentra, motels, pretparken en fastfoodrestaurants, met elkaar verbonden door snelwegen. Het is allemaal in de stijl die Venturi, Brown en Izenour in hun boek probeerden te vangen. Schreeuwerige billboards, kitscherige ornamenten en de gladde patserige stijl van luxueuzere resorts bij Disney World. Halley en Moonee zijn zo gewiekst om daar stiekem naar binnen te glippen zodat zij lekker kunnen schransen van het copieuze buffet. Zo overleven ze, waarna ze terugkeren naar hun kleine motelkamer.

Het motel en de winkels en restaurants in Kissimmee proberen mee te liften op het paradijs van Disney, maar ze komen niet verder dan een slap aftreksel van het pretpark en zijn duurdere accommodaties. In een scène zie je een beeld van een gigantische tovenaar boven een goedkoop souvenirwinkeltje uitsteken. Een ander kraampje heeft een dak in de vorm van een soft-ijsje. Het is de architectuur van billijke verleiding, maar het blijft in de scènes opvallend stil — afgezien van Moonee die wat kattenkwaad uithaalt.

En dan is er nog een wrange tegenstelling die wordt uitgedrukt door gebouwen. Niet ver van het motel staan leegstaande villa’s. Moonee speelt er zorgeloos met haar vriendjes. Het zijn spookwijken gebouwd toen de property boom nog in volle gang was. In Adam McKay’s verhelderende en tegelijk ook zeer vermakelijke The Big Short uit 2015 zien we hoe gealarmeerde beursonderzoekers in Florida gaan polsen hoe makkelijk het is om een hoge hypotheek af te sluiten. Daar scheppen gladde makelaars op over hoe ze aan de lopende band leningen aan de man brengen. Het is de voorbode van de economische crisis van 2008.

The Florida Project laat de verstrekkende gevolgen zien van die boom toen the sky the limit was en alle banken daarin meegingen. Het is een steriel landschap van vermaak, verarming en leegstand waar Halley en Moonee zich staand proberen te houden. Baker is gelukkig niet iemand die zwelgt in misère, ook al is de situatie uiterst hopeloos. De onwerkelijke setting geeft de film iets surrealistisch en poëtisch. Het is armoede in een tweedehands sprookjesomgeving. De realiteit van Halley wordt wel grimmiger als zij mensen tegen zich in het harnas jaagt en zich tot de prostitutie moet wenden om de eindjes aan elkaar te knopen.

Halley is geen sympathiek personage, maar het is moeilijk om niet met haar mee te leven. Een product van haar omgeving en een sluwe overlever en doorzetter die van dag tot dag leeft. Net als Moonee is zij strijdbaar, ook al maakt ze de verkeerde keuzes en is ze egoïstisch. Ze leeft haar leven ondanks het gebrek aan kansen en zonder de hoop op een geruststellende toekomst. De liefde voor haar dochter motiveert haar, maar Baker brengt dat op geen moment sentimenteel in beeld.

Natuurlijk valt The Florida Project in een lange traditie binnen de filmgeschiedenis. De film haalt zijn dynamiek uit de premisse dat wij de volwassen wereld zien door de ogen van een minder bedeeld maar puur kind. Denk aan Vittorio De Sica’s Ladri di biciclette of Sciuscià, maar ook François Tuffauts Les Quatre Cents Coups. Kinderen worden nooit oud op het witte doek en daarom blijven regisseurs ze gebruiken in hun films. Zij zijn de toekomst, ook al is die zelden rooskleurig. Moonee is met haar onuitputtelijke energie een mooie aanvulling op die eerdere jonge helden. Een kind dat je soms achter het behang zou willen plakken, maar altijd zichzelf is. Een ware natuurkracht, en actrice Brooklynn Prince weet zich goed staande te houden tegenover de oudere Willem Dafoe en zijn jaren acteerervaring.

Wat de film origineel maakt, is de subtiele rol van de architectuur en planning als een extra laag binnen het verhaal. Ik vraag me af wat de schrijvers van Learning from Las Vegas nu zouden vinden van het net zo artificiële Florida uit de film. Het enthousiasme voor al die verleidelijke nieuwigheid is weggeëbd. Wat overblijft is de Amerikaanse droom die in duigen ligt. Waar vermaak en vrije tijd niet ver verwijderd zijn van armoede en een totaal gebrek aan kansen. Tijd dus om te leren van Kissimmee, Florida.

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken