Nu aan het lezen:

Philip Marlowe

Philip Marlowe

In 1939 maakte de wereld voor het eerst kennis met Philip Marlowe, privédetective. Het personage, gecreëerd door Raymond Chandler, kwam terug in negen van zijn boeken en daarnaast in tal van televisieseries en films. Marlowe is alles wat we inmiddels zijn gaan verstaan onder het prototype van de privédetective: een verstokte vrijgezel die houdt van vrouwen, drank en sigaretten. Een tikje cynisch, niet overmatig intelligent, maar wel in staat zich uit benarde situaties te redden met vaak zijn woordkunsten als wapen. En ondanks zijn ondeugden een man die opvallend vaak de waarheid vertelt. De boeken van Chandler zijn een afwisseling van rappe, spitsvondige dialogen en sfeervolle beschrijvingen. Alles geschreven vanuit het oogpunt van Marlowe, wat de gedetailleerdheid van die beschrijvingen verklaart. Marlowe is immers een professioneel observant.

De eerste twee verfilmingen van een Marlowe-verhaal stammen uit 1942, maar werden verfilmd als onderdeel van een lopende serie rond een privédetective. The Falcon Takes Over (de eerste van drie verfilmingen van Farewell, My Lovely), is de derde in de reeks Falcon-films, over de door Michael Arlen bedachte Gay “The Falcon” Lawrence. De schrijvers grepen flink in om de plot behapbaar te maken en gaven The Falcon een komische sidekick in de vorm van Allen Jenkins. Het maakt dat de toon erg luchtig is en vrij ver afstaat van de boeken van Chandler.

Time to Kill (een verfilming van The High Window) was onderdeel van een reeks films rond Michael Shayne, een personage gecreëerd door schrijver Brett Halliday. Time to Kill was de laatste van zeven Shayne-films waarin Lloyd Nolan de hoofdrol vertolkte. Kenmerkend voor de Shayne-films was dat hij aan het einde alle personages verzamelde om de oplossing van het mysterie van de moorden uit de doeken te doen (iets wat we ook kennen uit de Poirot-boeken van Agatha Christie). Het verhaal van Chandler werd op plekken herschreven om naar een dergelijk einde toe te werken, maar voelt al meer als een Marlowe-film, ook dankzij de prettig ontspannen vertolking van Nolan.

Lady in the Lake (Robert Montgomery, 1947)

Die komen we overigens opnieuw tegen, maar ditmaal in een bijrol, in Lady in the Lake (1947). Deze verfilming van het gelijknamige boek van Chandler is vooral bekend geworden door zijn gimmick: vrijwel de hele film kijken we door de ogen van Marlowe. Robert Montgomery regisseerde de film en nam zelf de hoofdrol voor zijn rekening. De film opent met een introductie door Marlowe, achter zijn bureau zittend, revolver in de hand (wat erg onkarakteristiek is voor Marlowe die zelden of met tegenzin een vuurwapen bij zich draag). Veel Marlowe-films gebruiken een voice-over of een raamvertelling, zoals ook deze film doet, om delen van de plot snel en efficiënt kenbaar te maken. Of om die prachtig reflecterende beschrijvingen uit de Chandler-boeken toch een plaats te kunnen geven.

In de pers werd (terecht) gesteld dat de gimmick van Lady in the Lake al snel z’n aantrekkingskracht verliest, waarna het vooral gaat afleiden. In hetzelfde jaar was er nog een regisseur die het probeerde. In Delmer Daves’ film noir Dark Passage kijken we de eerste helft van de film door de ogen van een ontsnapte gevangene. Halverwege de film krijgt hij een nieuw gezicht en verandert het perspectief. De denkfout achter deze methode is dat we op deze manier meer onderdeel worden van de filmrealiteit. Maar om mee te gaan in de filmrealiteit, moeten we onze eigen realiteit kunnen vergeten en door deze techniek zijn we ons juist hyperbewust van onze eigen aanwezigheid tijdens het kijken naar de film. Daarbij horen we in Dark Passage in de eerste helft al de stem van de man zonder gezicht en daarin herkennen we uit duizenden de man die een jaar eerder Philip Marlowe onsterfelijk had gemaakt en nog steeds zijn meest iconische vertolker is: Humphrey Bogart.

The Big Sleep (Howard Hawks, 1946)

Howard Hawks’ verfilming van The Big Sleep uit 1946 is zonder twijfel de bekendste Marlowe-film en het succes is voor een aanzienlijk deel te danken aan Bogart, op wiens lijf de rol van Philip Marlowe lijkt te zijn geschreven. De dialogen van Chandler zijn een aaneenschakeling van gevatte opmerkingen en om die uit te spreken zonder dat het potsierlijk wordt is een prestatie op zich, maar bij Bogart heeft het een totale vanzelfsprekendheid. Het lijkt of hij niets doet, maar hij treft precies de licht-cynische, bijdehante en ultra-coole aard van Philip Marlowe.

The Big Sleep staat ook bekend om zijn vrijwel onnavolgbare plot. Dat is in het boek al zo, maar in de film werd dat nog verder gecompliceerd, omdat Hawks besloot het personage van Lauren Bacall een grotere rol te geven. Haar relatie met Bogart (die ze ontmoette bij To Have and Have Not) werd publiekelijk tijdens de opnames van The Big Sleep. Om op de mediastorm die dat veroorzaakte mee te liften voegde Hawks een aantal reshoots in, met als gevolg dat er scènes werden toegevoegd en Bacalls personage een aantal keer in scènes opduikt waarin haar aanwezigheid niet bepaald logisch is en ook niet bevorderlijk voor het begrijpen van de plot. Maar wat we ervoor terugkrijgen is de zinderende chemie tussen Bacall en Bogart en een film die zo barst van sfeer en duizelingwekkende dialogen dat die plot ook eigenlijk geen donder meer uitmaakt.

Er waren nog twee Marlowe-verfilmingen in de jaren veertig, waarvan de laatste het weinig opmerkelijke The Brasher Doubloon was met in de hoofdrol George Montgomery, die wat te gladjes is om een goede Marlowe te zijn en het verhaal (opnieuw gebaseerd op The High Window) is in mijn ogen een van Chandlers meest voorspelbare. Maar in 1944 was er nog een Marlowe-film die wel de moeite waard is om bij stil te staan en dat was Edward Dmytryks Murder, My Sweet, de tweede verfilming van Farewell, My Lovely, wat dan weer een van mijn favoriete verhalen is. Dat heeft veel te maken met het personage Moose Malloy, een beer van een vent die Marlowe inhuurt om zijn geliefde Velma op te sporen, van wie hij al zeven jaar niets heeft gehoord. Moose is een prachtig personage, een soort kind in een veel te groot lichaam, fysiek onaantastbaar maar met een o zo klein en kwetsbaar hartje.

Murder, My Sweet (Edward Dmytryk, 1944)

Murder, My Sweet was de eerste verfilming waarin de naam Philip Marlowe voorkomt en heeft veel voor zich spreken, waaronder een sterke hoofdrol van Dick Powell, die mag worden gerekend tot de beste Marlowe-vertolkers. Maar het is vooral de regie van Dmytryk die deze film naar een hoger plan tilt, met als hoogtepunt de sequentie waarin Marlowe is ontvoerd en gedrogeerd, waardoor hij begint te hallucineren. Dmytryk verbeeldt dat met geweldige visuele technieken als superimpositions. Trapleuningen lossen op in het niets, deuren verschijnen in een eindeloze duisternis. Zelfs zestig jaar later is deze film visueel imponerend.

Diezelfde hallucinatiescène is een stuk minder indrukwekkend in Farewell, My Lovely uit 1975, maar in Dick Richards’ film wordt wel voor het eerst een ander aspect uit het boek overgenomen. In dat boek – en dus ook in deze verfilming – is de bar Florian’s, waar Velma werkte, en de omliggende wijk in handen gekomen van de zwarte gemeenschap. Dat gegeven gebruikt Richards om te laten zien dat de wereld is veranderd sinds de vroege jaren van Marlowe en dat Marlowe’s rol daarin misschien wel is uitgespeeld. Farewell, My Lovely opent met de constatering van Marlowe zelf dat hij zich moe en oud voelt. Of misschien gewoon moe en oud is. De film is in toon een stuk melancholischer dan we gewend zijn. De dialogen zijn trager, over de hele film hangt een zweem besef bij Marlowe dat zijn beste jaren achter hem liggen.

Drie jaar later keerde Mitchum terug als Marlowe in een nieuwe verfilming van The Big Sleep, ditmaal geregisseerd door Michael Winner (vooral bekend van zijn exploitatiefilms met Charles Bronson, zoals de Death Wish-reeks). De Brit verplaatste het verhaal naar Engeland in de jaren zeventig wat eigenlijk weinig toevoegt. Vooral gezien het imago van Winner is zijn The Big Sleep een tamelijk brave aangelegenheid (al komen de moorden iets explicieter in beeld dan in de meeste Marlowe-films), die de plot van Chandlers boek getrouwer volgt, maar ook dusdanig efficiënt dat de sfeer eronder lijdt. Maar gelukkig zijn er de twee scènes tussen filmlegendes Mitchum en James Stewart, die de generaal speelt die hem inhuurt. En in de eerste scène tussen hen zit een van mijn favoriete momenten uit de Marlowe-films, wanneer Marlowe een van zijn kenmerkende gevatte oneliners maakt en de generaal in de lach schiet.

Farewell, My Lovely (Dick Richards, 1975)

The Big Sleep was het staartje van een tweede Marlowe-opleving die in 1969 begon met het door Paul Bogart (geen familie van) geregisseerde Marlowe, een verfilming van Little Sister. Het was de eerste Marlowe-film in 22 jaar en de eerste sinds de dood van Chandler in 1959. Het verhaal is verplaatst  naar de hippiegloriedagen van de jaren zestig, maar echt veel doet de film daar niet mee. Het is simpelweg de achtergrond terwijl het verhaal een vrij typisch Marlowe-plot is en juist daardoor voelt die plot en het personage Marlowe wat uit de tijd. James Garner doet zijn best, maar de dialogen die in de jaren veertig nog zo ad rem klonken, klinken nu plots cheesy.

Des te interessanter is wat Robert Altman vier jaar later deed met zijn verfilming van The Long Goodbye, waarin we Marlowe terugvinden in dezelfde setting. Geen Marlowe-film is zo bewust van de omgeving. Waar films vaak een soort interbellum creëren waarin de personages zich begeven en hun verhaal zich afspeelt, daar ontbreekt die afscheiding vaak totaal in Altmans films, waardoor je soms bijna het gevoel hebt dat we de personages elk moment in de chaos van alledag kunnen kwijtraken. Elliot Gould is na Bogart mijn favoriete Marlowe-vertolker. Waar de kracht van Bogarts performance vooral ligt in zijn tekstbehandeling, daar zit het bij Gould in zijn maniertjes. Hoe hij zijn lucifers afsteekt op elk mogelijk oppervlak (deurposten, muren), hoe hij constant in zichzelf of tegen zijn kat praat, hoe hij in vreemde situaties zijn schouders ophaalt en “It’s okay with me” mompelt.

Scenarist Leigh Brackett (die ook meewerkte aan de 194 6-adaptatie van The Big Sleep) pleegde grote ingrepen in het verhaal van Chandler, wat haar en Altman de kans geeft er vooral een karakterstudie  en tijdsbeeld van te maken. Altman en Brackett rekenen af met tal van clichés die in de eerdere Marlowe-films zijn ontstaan. The Long Goodbye voelt ook als een afscheid van Marlowe. Aan het einde schiet hij Terry Lennox dood, een man van wie hij dacht dat het zijn vriend was, maar die hem gebruikt blijkt te hebben. Die daad heeft in alle opzichten iets onomkeerbaars. Vervolgens zien we het beroemde eindshot waarin Marlowe over een lange weg bij ons vandaan loopt. Marlowe was altijd al cynisch, maar in deze film wordt hij voor een laatste keer teleurgesteld. Zijn rol is uitgespeeld.

Poodle Springs (Bob Rafelson, 1998)

Na 1978 duurde het opnieuw twintig jaar voordat we een Marlowe-film kunnen noteren: Poodle Springs, gebaseerd op het gelijknamige boek dat Chandler door zijn overlijden nooit afmaakte. Misdaadauteur Robert B. Parker werd benaderd om de onvoltooide hoofdstukken af te schrijven.  Voor de verfilming werd niemand minder dan Tom Stoppard benaderd voor het scenario. Bob  Rafelson, die in de jaren  zeventig een belangrijk figuur was binnen de New Hollywood-beweging, regisseerde de film met James Caan in de hoofdrol.

Marlowe is getrouwd en woont nu in Poodle Springs, een slaperige buitenstad van Los Angeles. Hij is ouder geworden, minder gevat en de zaak waar hij in terechtkomt voelt een beetje als een samenraapsel van elementen uit eerdere Chandler-verhalen. Daarmee onderschrijft deze film onbedoeld wat Altman al stelde: dat wat Marlowe ooit zo’n aantrekkelijk en verfrissend personage maakte, inmiddels een vermoeid cliché is geworden. Er is weinig mis met deze film, maar het sprankelt niet meer. Marlowe is een reliek geworden, herinnerend aan wat geweest is.

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken