Nu aan het lezen:

Peterloo

Peterloo


Peterloo begint en eindigt met een veldslag. En beide keren blijft de camera van Mike Leigh’s vaste cinematograaf Dick Pope hangen in de momenten nadat de strijd is gestreden. Als het slagveld verlaten is, op hen na die daar niet meer toe in staat zijn. De vraag die uit deze stiltes schreeuwt is wat het eigenlijk oplevert.

De eerste veldslag waarvan Leigh die na-momenten toont is Waterloo, waar Napoleon verslagen werd. Een jonge heraut loopt verdwaasd rond tussen de dode of halfdode lichamen die verspreid over het veld liggen. In diezelfde verdwaasde staat keer hij huiswaarts, naar Manchester, epicentrum van de textielindustrie en dus ook van een grote arbeidersklasse die leeft in armoede en zonder stem. Het is het begin van de 19e eeuw en zoals in veel landen in die tijd was het stemrecht in Groot-Brittannië zeer beperkt. Slechts een paar procent van de Britse mannen mocht stemmen, gebaseerd op de waarde van je bezit. Maar de onderklasse wil niet langer zwijgen.

Peterloo is film over revolutie, het ontstaan en groeien ervan, uitmondend in de nagenoeg vergeten gebeurtenis waar de film zijn naam aan dankt: het Peterloo-bloedbad. Op 16 augustus 1819 werd een demonstratie in St. Peter Field in Manchester met harde hand neergeslagen. Vijftien mensen kwamen om, honderden raakten gewond. Met die heraut aan het begin van de film wordt de link naar de Franse revolutie gelegd, zoals de organisatoren van het protest ook deden, maar met de kennis van nu werpt het ook een schaduw. Want na Waterloo werd in Frankrijk de monarchie terug ingesteld en wat verworven was in de Franse Revolutie raakte weer verloren. Het bleek allemaal ‘slechts’ onderdeel van een cyclus, die zich weer herhaalde met de Parijse Commune in 1871 en zich feitelijk nog altijd herhaalt. En hetzelfde geldt voor Groot-Brittannië. Zoals Leigh in een interview met The Guardian is in die cruciale kloof, ‘between those who have and those who don’t have’, bitter weinig veranderd.

Leigh vertelt het verhaal van de revolutie aan de hand van een enorm scala aan personages, van in de weeffabrieken werkende arbeiders tot de premier. Dat heeft nadelen, voornamelijk dat er geen identificatie is voor de kijker en het daarom lastiger is emotioneel geïnvesteerd te raken. Maar Leigh is vastbesloten om het ontstaan en groeien van deze beweging te laten zien en dat hangt niet op één man of vrouw, maar op een complex samenspel van factoren, toevalligheden, persoonlijkheden. De revolutie zelf is hier het hoofdpersonage, grillig groeiend en ontwikkelend. ‘Ripples will become torrents, torrents will become waves.’ En meer dan in individuele motieven van de revolutionairen of de tegenstanders daarvan, is Leigh geïnteresseerd in de dynamiek tussen al die mensen en perspectieven.

Allereerst is er de tegenstelling tussen de morrende onderklasse en de regerende bovenklasse, waarbij Leigh in de portrettering van die laatste bewust tegen het karikaturale aan schuurt. De magistraten zijn weldoorvoede mannen die zich met blosjes op de wangen denigrerend uitlaten over de labouring class, ‘ruled by their stomach’, zoals een rechter schampert. Een herinnering dat de spreekwoordelijke onderbuik voortkomt uit de werkelijk lege magen van arbeiders en de arrogante minachting daarvan door de elite. En zijn de magistraten al op het randje van grotesk, Tim McInnerny gaat daar met zijn geestige vertolking van de prins-regent nog eens overheen en zet hem neer als een groot kind voor wie de buitenwereld een verre planeet is waar hij vaag wel eens van gehoord heeft, maar volstrekt niet in geïnteresseerd is.

Maar ook binnen de protestbeweging zijn er facties en onenigheden, is zelfs een klassenstrijd waarneembaar. Dat wordt vooral op scherp gezet door de bemoeienis van Henry Hunt (een fijne rol van de immer fijne Rory Kinnear), Hij is radicaal en een revolutionair, maar ook een rijke landeigenaar en ijdeltuit. Hij is duidelijk niet op zijn gemak tussen de onderklasse voor wiens rechten hij strijdt en andersom wekt zijn aanwezigheid afgunst bij een aantal andere revolutionairen. Maar juist zijn positie maakt hem zo succesvol. Hij spreekt de taal van de bovenklasse, heeft een stem die telt en is daarmee een stuk moeilijker te negeren. Zo gaat de film ook over de rol van het woord, van retoriek, in revolutie. Want er wordt veel gepraat in Peterloo. Er zijn toespraken in kroegen en leegstaande fabriekshallen, stiekeme roddels in steegjes, handjeklapdeals tussen magistraten en de premier, een peptalk in een veld buiten Manchester.

In die overvloed aan personages en de reikwijdte van de thematiek en scope herinnert Peterloo aan Peter Watkins’ ruim zes uur durende dissectie van de Parijse Commune: La Commune (Paris, 1871). Maar Watkins deed dat met een film die veel radicaler met conventies breekt, in zekere zin dus zelf revolutionair is. Met Peterloo heeft Mike Leigh een film gemaakt die in veel opzichten een stuk conventioneler is en juist daardoor kan het frustrerend voelen als hij de toeschouwer bepaalde aspecten onthoudt (identificatie, catharsis). Het is een bewuste keuze van Leigh die niet op elk niveau goed uitpakt en die de film voor sommigen de associatie met een geschiedenisles zal geven. En helemaal ongelijk hebben ze niet, maar als het aan mij ligt wil ik nog wel meer geschiedenislessen van Mike Leigh.

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken