Nu aan het lezen:

Opgroeien in de cinema: acht keer Coming of Age

Opgroeien in de cinema: acht keer Coming of Age


Lang leve Wikipedia, toevluchtsoord voor schrijvers die geen inspiratie hebben voor een inleiding. Volgens die allesweter is een coming of age film ‘een film waarbij de ontwikkeling richting volwassenheid centraal staat en waarin de hoofdpersonen meer over zichzelf en de maatschappij te weten komen’. Deze definitie is behoorlijk ruim en houdt in dat ook Stars Wars, Harry Potter, Lord of the Rings en The Hunger Games tot coming of age gerekend kunnen worden.

Toch dacht u waarschijnlijk eerder aan alom geliefde classics als Stand by Me, Boyhood of het verzamelde werk van John Hughes. Goed spul allemaal, vol met wijze levenslessen, blitse beugels en ongemakkelijke eerste kussen met speekseldraden. Maar er is zoveel meer lekkers binnen dit genre. Naar aanleiding van de release van Beautiful Boy gaan we op zoek naar een paar vergeten of ondergewaardeerde coming of age films.

Gregory’s Girl (Bill Forsyth, 1980)

Het is een universele wet dat geen enkele tienerjongen van de eerste keer verliefd wordt op het meisje dat bij hem past. Dat is zo’n beetje het uitgangspunt van Gregory’s Girl, een film die extreem populair is in zijn thuisland (Schotland), maar helaas nooit de oversteek naar de buitenlandse markten heeft kunnen maken. Gregory’s Girl is een festival der lelijkheid. Opgenomen in het Schotse Cumbernauld (herhaaldelijk verkozen tot lelijkste plek van het VK), bevolkt door een tieneracteurs die dringend een afspraak bij de dichtstbijzijnde kapper en dermatoloog nodig hebben en voorzien van een spuuglelijke synthesizersoundtrack. Toch slaagt Gregory’s Girl erin om een van de meest opmerkzame films over het fenomeen tienerliefde te zijn. Gregory is gek op Dorothy, het nieuwe meisje in zijn voetbalploeg en probeert op zijn eigen stuntelige manier haar hart te veroveren. Wie een typisch Amerikaanse tienerfilm verwacht is eraan voor de moeite. Gregory’s Girl wentelt in het absurde (een als pinguïn verklede student durft al eens door het beeld te waggelen) en vergeet Dorothy na een uur om Gregory op een reeks andere dates te sturen. Wie Gregory’s Girl is, wordt pas duidelijk bij de laatste scène. Of zoals zijn kleine zus opmerkt: ‘It’s hard work being in love, especially if you don’t know which girl it is’.

Cemetry Junction (Ricky Gervais / Stephen Merchant, 2010)

Stephen Merchant en Ricky Gervais boorden met hun tv-series The Office en Extras een nieuw soort humor aan: de humor van de gekrulde teen. Wie verwachtte dat Cemetery Junction, hun eerste film, dezelfde soort humor zou bevatten, komt bedrogen uit. Vergis je niet, de film is grappig, bijzonder grappig bij momenten, maar ook nostalgisch, romantisch en (bij gebrek aan beter woord) lief. Cemetery Junction is een klein Brits stadje, net groot genoeg voor een staalfabriek, een pub en een treinstation. Het soort plek waar je, als prille twintiger in de jaren 70, zo snel mogelijk vandaan wil. Dat is dan ook het levensdoel van Freddie, Bruce en Snork, de drie hoofdrolspelers. Via deze drie personages tekenen Merchant en Gervais een geïdealiseerd portret van het Engeland uit hun jeugd. Het is een Engeland waar de zon steeds schijnt, en de zomer eindeloos lang lijkt te duren. Het is leuk om te zien hoe ze in Cemetery Junction langs de ene kant proberen om een heel glossy, Amerikaanse look te krijgen, maar qua inhoud toch op en top Brits blijven. Dit is geen film van grootse speeches, maar wel van kleine, subtiele gebaren. De drie jonge hoofdrolspelers uit Cemetery Junction worden bijgestaan door een cast van veteranen. Naast Emily Watson zie je ook Ralph Fiennes en Ricky Gervais zelf. Dit is een bruisende film, een terugblik op een tijd die waarschijnlijk nooit echt bestaan heeft, tenzij misschien in het hoofd van Gervais en Merchant.

 

Man van Staal (Vincent Bal, 1999)

De kans dat in mijn in memoriam ‘voorvechter van de Vlaamse film’ zal staan, lijkt me al bij al betrekkelijk klein. Toch moet zelfs ik toegeven dat we in Vlaanderen een aantal mooie coming of age drama’s hebben gemaakt. Denk maar aan Rosie (Patrice Toye, 1998), De Helaasheid der Dingen (Felix van Groeningen, 2010) of recenter nog Home (Fien Troch, 2016). Man van Staal past prima in dat lijstje, maar is helaas compleet vergeten en zo goed als onvindbaar.
De 13-jarige Victor gaat na de dood van zijn vader wonen bij zijn oom en tante in een aftands hotel aan zee. Helemaal kapot van verdriet creëert hij voor zichzelf een fantasiewereld met zichzelf als de ‘man van staal’, een superheld die ongevoelig is voor alles wat met emoties te maken heeft. Tot hij de knappe Fania ontmoet. Voor een film die in wezen over rouwverwerking gaat (de film speelt zich niet toevallig af tijdens die paar dagen in 1993 dat het land in collectieve rouw ging na de dood van Koning Boudewijn) is Man van Staal verrassend lichtvoetig, met een prettig surrealistische toets die ervoor zorgt dat het verhaal nergens al te zwaar op de hand wordt. Regisseur Vincent Bal zou pas twee jaar later goud aanboren door zijn verfilming van Minoes, maar dit is het kroonjuweel op zijn c.v. Als je hem kan vinden: aanradertje!

Pingpong (Matthias Luthardt, 2006)

‘Stop me if you’ve heard this one before.’ De 16- jarige Paul gaat na de dood van zijn vader wonen bij zijn oom en tante in… Maar dat is meteen ook waar de gelijkenissen met Man van Staal stoppen. Onze hoofdrolspeler Paul is wat we in mooi Nederlands een piece of work noemen. Als een heus koekoeksjong nestelt hij zich in het saaie burgerlijke gezinnetje van zijn oom, tante en neef. Oomlief is dermate onthecht dat hij niets opvangt van de seksuele spanning tussen zijn vrouw en Paul, en ook bij neef Robert, een muziekstudent met een alcoholprobleem, brengt Paul verwarrende gevoelens teweeg. De Duitse film Pingpong kan je zien als een bastaardkindje van American Beauty en Funny Games. De setting is claustrofobisch, de sfeer dreigend en de personages kil. Zou ik met een van de personages in Pingpong iets moeten gaan drinken, zou ik kiezen voor de hond. Toch is dit een intens en goed doordacht stukje drama, dat je aandacht moeiteloos weet vast te houden. Knap debuut van Matthias Luthardt, die sindsdien geen enkele speelfilm meer maakte, maar zich toelegde op documentaires.

Albatross (Niall MacCormick, 2011)

‘Stop me if you’ve heard this one before….’ Emilia, een afstammelinge van de grote Arthur Conan Doyle, arriveert in een slaperig kuststadje op Isle of Man. Als een heus koekoeksjong nestelt ze zich in de saaie burgerlijke bed and breakfast die wordt uitgebaat door Jonathan, een schrijver met writer’s block, zijn vrouw Joa en hun dochter Beth. Mamalief is nog niet zo onthecht dat ze niets opvangt van de seksuele spanning tussen Jonathan en Emilia, en ook bij de jonge Beth brengt ze verwarrende gevoelens teweeg. Hier stoppen echter alle gelijkenissen met Pingpong, want Albatross ontpopt zich als een warme, grappige coming of age film. Emilia is een natuurkracht die Beth wakker schudt en haar laat kennismaken met het uitgaansleven en de wereld voorbij haar slaperige kuststadje. De locatie, Isle of Man, is trouwens net zoals in vele andere coming of age films, een personage op zich. Wild en ruig, maar toch charmant en warm, net als Emilia zelf. Bij de release werd luid getoeterd dat dit de film was die van Jessica Brown Findlay (op dat moment vooral bekend van haar rol in Downton Abbey) een ster zou maken. Het draaide echter anders uit en het werd Felicity Jones (die Beth speelt) die hierna de ene hoofdrol na de andere zou opstrijken. Albatross is een van die films waar je op voorhand niets van verwacht, maar die je gaandeweg veroveren dankzij raak geschetste personages, geestige dialogen en die typische Britse weigering om voor het makkelijke sentiment te gaan.

This Boy’s Life (Michael Caton-Jones, 1993)

Coming of age films zijn natuurlijk ook uitermate geschikt als showcase voor jonge acteurs. This Boy’s Life was de film waardoor de wereld  Leonardo DiCaprio leerde kennen (hij had twee jaar daarvoor een hoofdrol in Critters 3, maar laten we die film bedekken met de mantel der liefde en alle andere huisraad die u kan vinden). Hij speelt Toby, een jongen die in de jaren 50 met zijn pas gescheiden moeder (Ellen Barkin) naar het westen verhuisd. Daar ontmoet ze Dwight, in wie ze een veilige en financieel zekere toekomst ziet. De twee trouwen en Toby mag algauw ondervinden dat zijn stiefvader niet is wie hij lijkt te zijn. Dwight, gespeeld door een Robert De Niro in grootse doen, is een case study waar psychiaters een moord voor zouden plegen. Een zielige, onzekere man, die zichzelf als tragisch slachtoffer ziet van een wereld die aan hem voorbij is gegaan, en dit compenseert door verbaal en fysiek geweld. Terwijl de spanningen tussen Dwight en hem hoog oplopen, raakt Toby langzaam maar zeker van het juiste pad. This Boy’s Life (gebaseerd op waargebeurde feiten) is een bijzonder knappe tijdscapsule naar de fifties, maar is bovenal een fantastische acteursfilm. De Niro, die merkte dat de jonge DiCaprio zonder veel problemen gelijke tred met hem kon houden, ontpopte zich in het echte leven als een soort mentor voor hem. De twee waren ook nog samen te zien in Marvin’s Room en hij introduceerde Leo bij Martin Scorsese. De rest, zoals ze zeggen, is geschiedenis.

Radio Flyer (Richard Donner, 1992)

Stop me if you’ve heard this one before. Nadat hun vader hen heeft achtergelaten, verhuizen de twee broers Mike en Bobby (Elijah Wood en Joseph Mazzello) samen met hun moeder naar het westen. Daar ontmoet ze The King, een man in wie ze een veilige en financieel zekere toekomst ziet. Toch ondervinden de jongens al gauw dat hun stiefvader niet is wie hij lijkt te zijn.
Genoeg is genoeg! Het moet maar eens gedaan zijn met het bashen van Radio Flyer! De film kende een bijzonder getroebleerde productie. Schrijver en regisseur David Mickey Evans moest de film halverwege verlaten wegens creatieve meningsverschillen en Richard Donner, niet echt een regisseur die je associeert met kleine gezinsdrama’s, nam over. Uitgebreide reshoots zorgden ervoor dat het budget volledig de pan uitswingde. Tot overmaat van ramp werd de film, wanneer hij eindelijk uitkwam, compleet de grond ingeboord door recensenten. Zelfs de anders zo betrouwbare Roger Ebert liet geen spaander van de film heen. ‘This movie pushes so many buttons that I wanted to start pushing back’, was zijn gedenkwaardige openingszin. Vanwaar al die haat? Een oppervlakkige lezing van de film zou kunnen doen besluiten dat het een film is die lichtjes over kindermishandeling heen gaat (de door hun stiefvader mishandelde jongens bouwen hun stootkar om in een vliegtuig en willen zo ontsnappen). Dat is uiteraard iets wat mishandelde kinderen in de echte wereld niet kunnen. Voor iedereen die de film zo interpreteert heb ik twee woorden: onbetrouwbare verteller. Er zijn voldoende aanwijzingen dat de film van dit narratieve trucje gebruik maakt en dat de werkelijkheid heel wat minder rooskleurig is dan wat de verteller (Tom Hanks) ons wil doen geloven. Los van de vreselijke stiefvader is dit een prachtige film over opgroeien tijdens een eeuwig durende zomer, in een tijd dat er nog geen schermpjes waren om de tijd te doden en kinderen gewoon, je weet wel, speelden. Het is ook een van de mooiste films over broederliefde die ik ken. Hoog tijd dat iedereen deze prima film met rust laat dus! Wie toch blijft zeuren zal ik zwakjes bevechten, morgen bij de fietsenstalling achter de speelplaats. Misschien breng ik mijn grote broer mee!

Tomboy (Céline Sciamma, 2011)

In een tijd waarin het logge Girl als een toondove olifant door de filmprijzenwinkel banjert, is het goed om te weten dat er ook elegante en fijngevoelige films zijn over het gendervraagstuk. De 10-jarige Laure komt in een nieuwe buurt wonen en stelt zich, wanneer naar haar naam gevraagd wordt, in een impuls voor als een jongen, Mikhael. Laure als Mikhael wint al snel vrienden door haar talent op het voetbalveld en begint zelfs gevoelens te krijgen voor een meisje in het gebouw, Lisa. Maar het geheim hangt als een donkere wolk boven de zomervakantie en creatieve oplossingen moeten worden gevonden voor zwemnamiddagen en gezamenlijke plasmomenten. Tomboy is, ondanks het prangende onderwerp, een idyllische film. Het gezin waarin Laure opgroeit is liefdevol, de kinderen in de buurt zijn niet bezig met gendervraagstukken maar willen gewoon kind te zijn. En wanneer het geheim van Laure eindelijk onthuld wordt, is dat niet met een dramatische donderslag, maar eerder met een verwonderde zucht. Geen trauma’s zijn opgelopen, geen kindertijd verwoest. Of onze heldin nu in haar toekomst door het leven gaat als Laure of Mikhail is een open vraag. Ze kan hoe dan ook terugkijken op een dijk van een zomer.

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken