Nu aan het lezen:

Nico, 1988

Nico, 1988


Nico was veel dingen. Een weergaloos mode-icoon. Een muze voor muzikanten, filmmakers en kunstenaars, maar uiteindelijk ook een veelzijdig en complex artiest. In Nico, 1988 volgen we deze onnavolgbare zangeres tijdens haar laatste levensjaren. Het vuur flikkert zwakjes, maar is nog niet uitgedoofd.

‘In the autumn of 1968, an album came out which changed my life…’ zo begint Lester Bangs zijn stuk over het album The Marble Index van Nico. De legendarische rockcriticus (vereeuwigd door Philip Seymour Hoffman in Almost Famous) viel op zijn 33e dood neer na een fatale mix van hoestsiroop en valium. Het is de dood die ook erg aanwezig is in zijn essay. Voordat hij tot de essentie van de plaat komt moet hij iets kwijt over hoe bepaalde mensen verliefd kunnen worden op de afgrond, de duisternis en misère. Een citaat van de decadente dichter Charles Baudelaire biedt uitkomst voor Bangs: ‘Half in love with easeful death.’ Later komt hij met een eigen beeld om die aantrekkelijke schoonheid van verval te vangen: ‘A jewel with facets of disease running through it.’ Dat is voor hem The Marble Index.

Je kunt het nog steeds terug horen in de liedjes die Nico met haar diepe stem op die plaat zingt, zoals Ari’s song. Het nummer is opgedragen aan haar zoon (het onwettige kind van Alain Delon) en klinkt als een requiem vermomd als wiegeliedje. Of de koude weidsheid van Frozen Warnings, dat zich uitstrekt over een winters landschap van verschroeide aarde. Het is een ijzige plaat. Hoe anders dan Nico’s kwetsbare en melancholische eerste album Chelsea Girl. Dat is muziek die past bij luchtige en hippe romantiek zoals je kunt ervaren in Wes Andersons The Royal Tenenbaums.

Maar wie was Nico eigenlijk? De chanteuse van The Velvet Underground die tegen de wensen van de band in door Andy Warhol werd toegevoegd om ze aantrekkelijker te maken. Later werd ze een Teutoonse godin van verdoemenis, gekleed in het zwart en verslaafd aan de heroïne.

Ze was een schim die op verrassende plekken opdook in de swingende jaren zestig. In La Dolce Vita loopt Marcello Mastroianni haar tegen het lijf op Via Veneto en roept Ni-COOOO. Ze speelde ook de hoofdrol in Jacques Poitrenauds Strip-Tease. Serge Gainsbourg schreef speciaal een liedje voor haar dat op de soundtrack staat. Toen ging ze nog met blond haar door het leven. Een slanke en elegante verschijning die met haar onwerkelijke schoonheid gedoemd was om steeds de catwalk op en af te gaan. Ze wou natuurlijk meer en volgde acteerlessen bij Lee Strasberg, waarover ze later opschepte dat ze met Marilyn Monroe in de klas zat.

Maar ver voor dat alles, toen ze nog geen opvallende achtergrondfiguur was van de internationale jetset, de scharrel van Alain Delon of de wegwerpmuze van Andy Warhol, was ze iets anders. Ze kwam onder de naam Christa Päffgen ter wereld in Nazi-Duitsland. Haar vroege kindertijd was doordrenkt van de oorlog die ook haar vader verslond en haar verdere leven zou tekenen.

Nico 1988 begint met een jonge Christa en haar moeder. Ze staren naar een mooie horizon in wat lijkt op een sublieme schemering. De chaos van artillerievuur, bombardementen en krijgsgeweld rijzen gezamenlijk uit de verte op als een doffe abstracte klank. Wat is dat daar? Vraagt zij haar moeder. Het is Berlijn dat brandt.

Zoals de titel al doet vermoeden gaat Susanna Nicchiarelli’s film vooral over die laatste periode van Nico’s leven, als ze de vijftig nadert. Hoofdrolspeelster Trine Dyrholm lijkt misschien niet helemaal op de Duitse, maar weet Nico naar zich toe te trekken en vervolgens op haar manier terug te geven aan de kijker. Van Nico’s af en toe afstandelijke en moeilijke karakter tot aan de krachtige aanwezigheid die ze op het podium had om een publiek volledig te betoveren. Het valt allemaal binnen Dyrholms bereik als actrice en als zangeres. Nicchiarelli koos ervoor om alle liedjes opnieuw op te nemen met Dyrholm en een nieuwe band, en het resultaat overtuigt.

Ondanks de mooie muziek is de periode moeilijk te romantiseren. James Young schreef een boek over zijn tijd in de band van Nico, met de veelzeggende titel Songs They Never Play on the Radio. Dit is zijn duit in het zakje over waarom ze door bleef gaan:

Nico kept on working because she had to. There was her habit to maintain, a permanent drain on her resources. Thousands of pounds where shot away on colossal binges, so that she’d end up after a three month tour as broke as she’d begun it. This didn’t seem to disconcert her, though – something would always turn up. She believed that fate, or some unforeseen coincidence of events, would rescue her from disaster. (…) Sometimes it did, but increasingly she came up against a more cynical response to her predicament. (…) The wild party was long since over and, in the cold light of the hard-bitten eighties, people were less inclined to offer the few remaining stragglers a lift home.

Die hard-bitten eighties weet Nicchiarelli op een doortastende manier te vangen. Een decennium waar je de tijd op andere manieren moest doden dan op je smartphone of op social media. De leegte voel je in shots van halfvolle concertzalen en grimmige architectuur. Het was ook een periode waarin het voor veel muzikanten een nuttige tijdsbesteding leek te zijn om jezelf langzaam kapot te maken. Het is die eerder genoemde rotte romantiek van Baudelaire en Bangs woorden. Hoe anders dan tegenwoordig, nu sterren zich druk maken over likes en anders maar nep-accounts op social media maken om zich geliefd voor te doen.

Is daarmee het revolutionaire potentieel van popmuziek veranderd of misschien wel compleet verdwenen? Dit zegt Young erover:

It sounds quaint now (…) but there was a time when rock music embodied some sort of threat. (…) Nico represented a bit of that lost world of recklessness, of extremes.

En dan is er in de film een verhelderend interview met John Peel waar Nico precies haar kunstenaarschap lijkt te verwoorden. Zij houdt niet van commercieel. Ze maakt muziek voor een select gezelschap. Deze compromisloze houding maakte haar natuurlijk geen makkelijk mens. Hier is Young weer met een karakterschets opgemaakt uit wat ruwe krassen:

That she was a monster became apparent to all those who were with her for any length of time. She was a dreadful cadge, and her gratitude was so transparently insincere that it was almost endearing.

Die persoon schemert op momenten door in Nico 1988. Maar het is een bijzonder gul portret zonder te vervallen in een hagiografie. Nicchiarelli en Dyrholm hebben respect voor een complexe vrouw die het pad van zelfvernietiging koos in een wereld van glitter en glamour. Had het makkelijker kunnen zijn voor haar? Dat had ze waarschijnlijk niet gewild.

Maar het grootste slachtoffer was haar zoon Ari. De verhullende en krachtige documentaire Nico Icon bevat hartverscheurende momenten waarin duidelijk wordt wat de prijs was die Ari moest betalen. De geruchten zijn niet al te best. Nico zou haar zoon aan de heroïne hebben geholpen. Ze was er nooit of anders te stoned om voor haar kind te zorgen.

Ari is ook een sterke aanwezigheid in Nicchiarelli’s film, en ze bedankt hem ook in de credits. Hij is een beschadigde jongen die tussen de opnames in psychiatrische instellingen door, weer beter lijkt te zijn, maar dan toch weer een zelfmoordpoging onderneemt. Nico houdt natuurlijk van hem, maar haar persoonlijkheid en haar verschillende drijfveren staan het moederschap in de weg.

Ondanks die nare rommeligheid van haar leven zijn er momenten van berusting en onwerkelijke schoonheid. Een geheime gig in het nog communistische Tsjecho-Slowakije gaat moeizaam, totdat Nico zich volledig geeft tijdens haar optreden. Ook zijn er die ongrijpbare momenten die elk leven onverwachts onderbreken. Zo zien we Nico en haar band in Neurenberg een bezoek brengen aan het manifestatieterrein dat Albert Speer optrok voor de nazi’s. De bandleden lopen op de verlaten trappen en moeten er een beetje om lachen, als toeristen die niet weten hoe ze moeten reageren. De grootse leegte wordt nog eens versterkt door het weidse lied Nibelungen op de soundtrack, dat geheel gedragen wordt door Dyrholms stem. In een andere onverwacht tedere scène ontdekt ze in Italië limoncello als ze met een oude punker in gesprek is. Een kort moment van eenvoudig genot.

Het zijn dat soort toevoegingen die van Nico 1988 meer maken dan een voorspelbare biopic. Het is een verwrongen eerbetoon, gemaakt met zorg, respect, maar ook met ambivalentie. De film ontstijgt daarmee de valkuilen die je zo vaak terugziet in het genre en geeft uiteindelijk iets terug aan het leven van de artiest, als genereus gebaar. Om maar met Lester Bangs en zijn woorden over The Marble Index te eindigen:

It stares for a relatively short time that might just seem eternity to you, into the heart of darkness, eyes wide-open, unflinching, and gives its own heart to what it finds there, and then tells you how that feels, letting you draw your own value judgements.

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken