Voor deze themamaand publiceren wij op Cine een essay dat eerder in het Engels verscheen op Frameland. In dat artikel kijkt George Vermij naar de rol van de Ander in de Holocaust aan de hand van de film Monsieur Klein.

In deze politiek onrustige tijden kan Joseph Losey’s ondergewaardeerde Monsieur Klein (1976) nog steeds opvallend confronterend zijn. Voordat ik dieper graaf in zijn beklemmende holocaustfilm over schuld, collaboratie en identiteit wat woorden van de literatuurcriticus George Steiner. In 1989 werd hij geïnterviewd door Wim Kayzer voor zijn ambitieuze serie Nauwgezet en Wanhopig:

I think there are no more illusions. The illusion of assimilation is over except if you’re an idiot. If you’re an idiot you think you can change your name, make a mixed marriage. The Nazis came to you three generations back and knew all your names and so did the KGB and the NKVD (…) And if you have to be on that unimaginable train which takes you to the end (…). There is something even worse than being in the train. It is being in the train and saying: ‘I don’t understand! They’ve got the wrong person! I was baptised I have a wonderful Aryan wife and I’m called Smith (…)’ That is even worse! If you can imagine something worse than absolute worse that’s even worse.

Zoals George Steiner zo krachtig verwoordt, moet het verschrikkelijk zijn om beschuldigd te worden van het zijn van de Ander terwijl je overtuigd bent van je schijnbare normaliteit en onschuld. Steiners voorbeeld behandelt een bepaalde historische context. Hij verwijst naar de nazi’s, de KGB en de voorloper daarvan, de NKVD. In de 20e eeuw was het idee dat je “normaal” was en behoorde tot een volk, een ras of een natie een zaak van leven of dood. Maar in de realiteit bleken deze identiteiten complex en ongrijpbaar te zijn, zelfs voor de mensen die werden afgeslacht wegens hun vermoedelijke gemeenschappelijke overeenkomsten.

Neem bijvoorbeeld de getuigenissen van Benjamin Murmelstein. Murmelstein was een Oostenrijkse rabbijn die meerdere Joodse Raden (Judenrat) zou leidden en zo gedwongen was om te collaboreren met de nazi’s. In die rol werkte hij nauw samen met Adolf Eichmann en zo was hij de getuige van zijn wrede methoden:

This is how Eichmann’s experiment developed and was prepared according to a detailed recipe: throw together Jews from different places and with different languages, add a dash of those who were never really Jewish, and bring the whole thing to a boil over a slow flame; strain, making some pass through every once in a while. The rest end up in the oven.

Dit citaat is te vinden in het boek dat Murmelstein schreef over zijn tijd in het “modelkamp” Theresienstadt. Hij was ook het onderwerp van Claude Lanzmanns pijnlijke en complexe documentaire The Last of the Unjust (2013) waarin hij na de oorlog spreekt over zijn onvoorstelbare ervaringen.

Het resultaat van Eichmanns werkwijze was dat de joden elkaar als de Ander zagen en daardoor niet vertrouwden. In een ander wreed voorbeeld beschrijft Murmelstein een zieke joodse gevangene in een kamp, ​​die de zorg van een Oost-Europese dokter weigerde: “Excuseer me,” zei ze, “maar ik ben een Duitse vrouw die niet door een joodse dokter kan worden onderzocht.” De nazi’s maakten uiteindelijk geen uitzonderingen zodra je door hen als lid van het joodse ras werd beschouwd. Het was het deel van de identiteit dat door hen werd gezien als overstijgend ook al beschouwden veel mensen zich niet als joods. De nazi’s waren zo zorgvuldig in hun drang om joden te classificeren dat zij drie generaties teruggingen, waardoor veel niet-praktiserende of tot het christendom bekeerde joden bestempeld werden als ongewenst en inferieur.

Het hele idee om tot iets te behoren, wordt problematisch als je ziet wat er gebeurde tijdens de Holocaust. Identiteit is een constructie die individueel of collectief wordt ervaren en kan worden gemanipuleerd. Dit idee is het centrale thema van Joseph Losey’s Monsieur Klein. Identiteit is een verschuivend concept en door het nauw te definiëren ontstaan er fatale gevolgen. De film laat ons zien hoe identiteiten worden gevormd door willekeurige wetten, verankerde vooroordelen, maar ook onze onverschilligheid tegenover het lot van anderen. Aansluitend daarop behandelt Monsieur Klein de problematische rol van de bezette Europese landen binnen de systematische uitroeiing van de joden.

Monsieur Klein opent met beelden van een naakte joodse vrouw die onderzocht wordt door een onverschillige en kille Franse dokter. Hij stelt haar fysieke eigenschappen vast en geeft die door aan een verpleegkundige die het onderzoek noteert. Met elke observatie van haar lichaam, noemt de arts de waarschijnlijkheid dat het haar joodsheid kan bepalen. De vrouw is duidelijk ontsteld door de ongemakkelijke manier waarop de dokter haar behandelt, maar ze lijkt de hele beproeving te ondergaan met een vervreemde afstandelijkheid. Ze betaalt de verpleegkundige vervolgens voor het onderzoek, omdat het een verplichte controle is die zij gedwongen wordt te ondergaan. We zien haar niet meer terug in de film en de focus verschuift naar een ander personage.

Robert Klein is een succesvolle kunsthandelaar die in Parijs een zorgeloos en rustig leven leidt. We zien hem voor het eerst als hij een schilderij op waarde inschat. Het is een werk van een Nederlandse meester die een joodse man wil verkopen. Omdat het 1942 is, kan de joodse man niet veel voor het werk vragen. Hij heeft het geld dringend nodig en weet dat zijn bezittingen anders in beslag worden genomen door de nazi’s. Klein maakt misbruik van die situatie en koopt het werk voor een schijntje. Maar net als de joodse man het appartement van Klein verlaat, zien we een krant voor zijn deur liggen. Het is een publicatie die bedoeld is voor Franse joden om hen op de hoogte stellen van hun verplichtingen. Klein schrikt daarvan en vertelt de joodse man dat het een grap moet zijn. De man is niet geamuseerd, omdat hij weet wat het betekent om de krant te ontvangen. Dit incident zet een reeks confrontaties in werking tussen Klein en een ongeziene dubbelganger die joods is en zijn identiteit wil aannemen. Dit is echter geen simpele chantage-thriller waar onze held probeert een crimineel te vangen. Tijdens Kleins zoektocht naar die andere joodse Klein ontdekken wij hoe ongrijpbaar identiteit echt is.

De keuze van Alain Delon als Klein geeft de film naar mijn mening een diepere lading. Zijn koele en afstandelijke manier van acteren gaat terug naar andere films die spelen met de maakbaarheid en vaagheid van identiteit. Dit thema zie je terug in René Clements Plein Soleil (1960) gebaseerd op de roman The Talented Mr. Ripley (1955) van Patricia Highsmith. Klein heeft ook iets weg van de schimmige Jeff Costello in Jean-Pierre Melville’s Le Samouraï (1967). Het is een zeer subtiele vertolking van Delon die werkt door lege blikken en zijn spaarzame mimiek. Zijn koele glazige ogen maken hem al tot een schim, terwijl hij door Parijs dwaalt op zoek naar aanwijzingen om meer te weten te komen over zijn dubbelganger.

Naar het einde toe blijkt dat Kleins zoektocht niet op een bevredigende manier zal worden opgelost, maar dat is ook niet de bedoeling van Losey’s film. Het thema ligt dichter bij Steiners en Murmelstein’s woorden, die ongemakkelijk terugkomen in een gesprek dat Klein heeft met zijn vader. Hij graaft in zijn verleden en wil weten waar zijn familie vandaan komt. Zijn vader barst vervolgens uit met de bevestiging: “We zijn sinds Lodewijk de XIV Frans en katholiek!” Woorden die impliceren dat er nog ander onzuiver bloed in de familie zou zijn voor die tijd. In zijn zoektocht wordt Klein zo geleidelijk gedwongen om zijn eigen troebele achtergrond te ondervragen – ondertussen zijn de autoriteiten bezig om alle joden in Frankrijk te registreren.

Langzaamaan lijkt Klein het zijn van de Ander te accepteren en het onzekere lot dat hem boven het hoofd hangt. Dat blijkt uit een opmerkelijke en droomachtige scène. Klein is op zoek naar afleiding en gaat naar een cabaretshow in een luxe club. Op het podium zingt een transvestiet een treurig lied terwijl een clownachtige figuur met overdreven joodse eigenschappen rondloopt. De menigte van Duitse soldaten en nette Franse mensen moet lachen om de spottende karikatuur. Het is een vreemd spektakel en Klein voelt zich duidelijk ongemakkelijk en niet op zijn plaats tussen het publiek, terwijl hij zijn emoties voor de mensen om hem heen moet verbergen. Wat is hij op dat moment? Reeds gebrandmerkt als de Ander, maar verscholen in een groep van “normale” mensen en de getuige van de toenemende vijandigheid tegenover de joden in Frankrijk.

Andere scènes hinten al subtiel naar de komende deportaties en zijn vergezeld van een impressionistische en minimale soundtrack. Ze duiken door de film op als contrast op Kleins zoektocht. Ze suggereren ook dat de teerling voor de joden al is geworpen. In een scène zien we een groep nette heren aan tafel zitten. Een grote kaart van Parijs op de achtergrond, en dan stilte. Later zien we ambtenaren archiefkastjes raadplegen om alle benodigde documenten in orde krijgen. Franse gendarmes rijden rond door de stad en timen hun acties. Een repetitie voor de grote razzia die uiteindelijk op 16 juli 1942 plaatsvond. Op die dag werden ongeveer 12.800 mannen, vrouwen en kinderen gearresteerd door Franse politieagenten en ondergebracht in het Vel’ d’Hiv wielerstadion. Van daaruit werden ze naar een doorgangskamp in Drancy gestuurd en uiteindelijk naar uitroeiingskampen in het oosten.

Het is die verschrikkelijke gebeurtenis waar de film naartoe leidt en die als een bijzaak door de film loopt. De deportatie is de afsluiting van een verhaal dat graaft in de complexiteit van identiteit. Het kan een hulpmiddel zijn voor een onderdrukkend regime om mee te spelen. Een identiteit als niets meer dan een stempel op een document dat los staat van de individuele identiteit die mensen denken te hebben. In een tijd waarin zo veel mensen zich terugtrekken in hun schijnbare veilige vestingen van identiteit, toont deze film de kracht van empathie om de kijker in een positie van verschuivende identiteiten te plaatsen. Het heeft een soortgelijk effect als het beroemde gedicht van Martin Niemöller dat begint met de woorden “Toen de nazi’s de communisten arresteerden, heb ik gezwegen; ik was immers geen communist” en eindigt met: “Toen ze mij kwamen halen was er niemand meer, die nog protesteren kon.” In die verwerpelijke omstandigheden waar mensen schuldig worden bevonden van het zijn van de Ander kan je uiteindelijk alleen stellen dat wij allemaal schuldig zijn van het feit dat wij mens zijn.

0 reacties

Geef een reactie

Annuleren