Nu aan het lezen:

De man die Don Quichot verfilmde (nu echt)

De man die Don Quichot verfilmde (nu echt)


‘And now, after more than 25 years in the making, and unmaking…’

Wanneer die woorden op het scherm verschijnen aan het begin van The Man Who Killed Don Quixote, is het vrijwel onmogelijk geen kippenvel te krijgen. Eindelijk dan, eindelijk heeft Terry Gilliam het voor elkaar. Rolling Stone maakte een uitgebreid overzicht van alle belangrijke feiten (lees: tegenslagen) rond de totstandkoming van de film, van 1989 tot nu. Dat Gilliam na al die jaren en al die malheur zijn aanstekelijke giechellach nooit is verloren, mag een klein wonder heten. Net als het bestaan van deze film.

Het is verleidelijk om Gilliam te vergelijken met Don Quichot (in dit artikel houd ik de Nederlandse spelling aan als het om de literaire figuur gaat). Hij deed het zelf in een interview op rogerebert.com: ‘I think I’ve lost a lot of battles with windmills. My problem is that I don’t distinguish between reality and fantasy. That’s why I keep being knocked down.’ Gilliam refereerde daarmee aan de talloze complicaties die hij heeft meegemaakt tijdens zijn filmproducties, die zeker niet tot Don Quixote  beperkt bleven. Zo raakte hij bij Brazil (1985) in een gevecht over de final cut verwikkeld met zijn producent Sid Sheinberg en liet een advertentie in de krant plaatsen waarin hij Sheinberg vroeg wanneer zijn film eindelijk uitgebracht zou worden. Het bleek achteraf niets in vergelijking met de clusterfuck van op een vliegveld achtergebleven kostuums, Afrikaanse paardenkoorts en oplichterijen die de productie van zijn daaropvolgende film The Adventures of Baron Munchausen zou teisteren. In de documentaire The Madness and Misadventures of Munchausen bestempelt mede-Python-lid Eric Idle de rampzalig verlopen shoot als misschien wel de vervelendste ervaring uit zijn leven. ‘Apart from boarding school.’

Brazil (Terry Gilliam, 1985)

Maar meest notoir is ongetwijfeld zijn jarenlange queeste om De vernuftige edelman Don Quichot van La Mancha van Miguel de Cervantes Saavedra te verfilmen. Zijn eerste echte poging deed hij rond 2000. Onder meer een overstroming die de set wegspoelde, een spinale stenose die hoofdrolspeler Jean Rochefort velde en problemen met de verzekering brachten de productie tot een halt. Het werd vereeuwigd in de documentaire Lost in La Mancha en het project voegde zich in een rijtje legendarische nooit-gemaakte films als Stanley Kubricks Napoleon en Alejandro Jodorowsky’s Dune. Er volgden meer pogingen, met onder meer Robert Duvall en Michael Palin als mogelijke Quichot-vertolkers. In 2015 cast Gilliam John Hurt, maar vlak voor de opnames beginnen wordt die gediagnosticeerd met alvleesklierkanker en overlijdt een aantal maanden later.

En nu is het Jonathan Pryce die de rol op zich neemt. Pryce, die eerder Sam Lowry speelde, het hoofdpersonage uit Gilliams meesterwerk Brazil. Een kleurloze kantoorklerk die droomt dat hij een ridder is en wanneer hij letterlijk de vrouw uit zijn dromen ontmoet zich ook in realiteit de rol van koene redder tracht toe te eigenen, wat niet heel goed uitpakt. Lowry is daarmee een soort Quichot, zoals goedbeschouwd Gilliams films wemelen van de Quichots, van personages die moeilijk of geen onderscheid kunnen maken tussen fictie en realiteit. Niet alleen Lowry, maar denk ook aan zwerver Parry in The Fisher King, computergenie Qohen Leth in The Zero Theorem, de tijdreizende James Cole in 12 Monkeys. En dan hebben we het nog niet gehad over de geestverruimende drugstrip die Fear and Loathing in Las Vegas heet.

Toby Grisoni (Adam Driver), hoofdpersoon in The Man Who Killed Don Quixote, lijkt juist al zijn banden met de verbeelding lang geleden te hebben doorgesneden. Hij werkt als reclameregisseur en ziet alles wat tussen ‘action’ en ‘cut’ gebeurt enkel als de lopende band in zijn dollarfabriek. Wanneer flashbacks tonen hoe hij in zijn studententijd een Don Quichot-film maakte, zien we dat dat wel eens anders is geweest. Hij wilde de grens tussen realiteit en fictie wegvagen, zocht op tikje pretentieuze, maar vooral gepassioneerde wijze naar authenticiteit en vond zijn Quichot in een oude schoenmaker (Pryce). ‘You are Don Quixote!’, spoort hij hem vurig aan wanneer ze filmen hoe Quixote zijn Dulcinea (een lokale barvrouw) verdedigt.

12 Monkeys (Terry Gilliam, 1995)

Nu, terug in de Spaanse regio waar hij zijn studentenfilm opnam, treft Toby de schoenmaker opnieuw. Die is inmiddels werkelijk gaan geloven dat hij Don Quixote is en wanneer Toby na al die jaren weer voor zijn neus staat, ziet hij hem aan voor zijn Sancho Panza. Wat volgt is een soort roadmovie met eenzelfde anekdotische structuur als het boek. Cervantes’ Don Quichot is een stapeling van realiteitslagen. Vooral het tweede boek uit 1615, waarin Quichot mensen ontmoet die het eerste boek gelezen hebben, is metaliteratuur avant la lettre. Gilliam gebruikt scènes en elementen uit beide boeken en legt daar nog eens zijn eigen laag overheen met de verhaallijn van Toby en het verplaatsen van het verhaal naar het nu.

Gilliam houdt ervan zijn personages uit hun tijd te tillen. Hij deed het in 12 Monkeys, waarin de door Bruce Willis gespeelde James Cole terug de tijd in wordt gestuurd om de bron te vinden van een virus dat in 1997 bijna de gehele wereldbevolking uitroeit. Het tijdreizen en het feit dat niemand hem gelooft, doet hem op den duur twijfelen aan zijn werkelijkheid. Bestaat die toekomst waar hij vandaan komt wel? En in Time Bandits is er een groep dwergen die verantwoordelijk is voor het dichten van gaten in het ruimtetijd-continuüm, maar die mazen gebruikt voor het plegen van diefstallen in andere tijden. En personages als Parry, Sam Lowry en Qohen Leth leven dan misschien in hun eigen tijd, ze lijken er niet in te passen.

Het zijn vrijwel zonder uitzondering personages die snakken naar een vorm van vrijheid  in een samenleving die zijn burgeres in een houdgreep heeft. ‘Gravity is everything’, zegt Gilliam in het interview op rogerebert.com. ‘Things fall, and no matter how high you want to jump, you are always brought back down.’ Maar dat weerhoudt zijn personages er niet van om te dromen van een sprong die hen los zingt van die zwaartekracht. In die zin zijn Gilliams personages ook vaak een soort Icarussen. En hoewel ze regelmatig neerstorten, spreekt uit alles Gilliams affiniteit juist met deze dromers. Toch kiest hij in The Man Who Killed Don Quixote het perspectief van Sancho Panza, de boer die op een ezel achter de zelfbenoemd ridder aanhobbelt. Die weet dat hij een dwaas volgt, maar hem niet uit zijn illusie wil halen, omdat dat ook het einde van zijn droom op de door Quichot beloofde rijkdommen betekent. Maar vooral ook: de pragmaticus, de zwaartekracht.

The Man Who Killed Don Quixote (Terry Gilliam, 2018)

Hier is die figuur Toby Grisoni, die zijn initialen deelt met Gilliam en wellicht wel diens schrikbeeld is. The Man Who Killed Don Quixote gaat namelijk ook over de paradox van een filmmaker die zijn verbeelding achterna wil, maar daarvoor altijd weer afhankelijk is van de realiteit. En die realiteit is begrensd en daarmee ook begrenzend. In The Hamster Factor, een documentaire gemaakt tijdens de productieperiode van 12 Monkeys, verzucht Gilliam op de set: ‘The reality of making films for me is, it’s just hard work, and disappointment that I can’t actually achieve what I can imagine.’ Het is die realiteit van het filmmaken die Grisoni cynisch en verbitterd heeft gemaakt en Gilliam zal geregeld op die rand hebben gebalanceerd.

In een terugblik op Time Bandits zegt Michael Palin (die van die film het script schreef): ‘I wouldn’t write about horses going through wardrobes in a child’s bedroom because I wouldn’t know quite how you do that, but Terry does because he’s not afraid of the potential of cinema in any way.’ Maar het is niet alleen de potentie van cinema, maar vooral ook die van de verbeelding. Gilliam weet dat hij nooit als een Don Quichot kan loskomen van de grond, van die begrenzende realiteit. Dat hebben al die productiebeslommeringen uit zijn carrière hem wel duidelijk gemaakt. Maar net als zo veel van zijn personages laat hij zich daardoor niet weerhouden. Alleen als je stopt te springen weet je zeker dat je nooit zult vliegen, maar als je blijft proberen, is er altijd de kans dat die ene sprong de wetten van de logica aftroeft. Zoals Gilliam antwoordde toen hem in een interview over The Zero Theorem in 2014 werd gevraagd naar de status van zijn Quichot-project: ‘Every intelligent person around me says, “Walk away from it.” But those are reasonable people.’

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken