‘It’s all about death. Memory and desire, aging, and death.’*

Niet vaak dekt de titel van een film de lading ervan zo exact als Albert Serra’s La mort de Louis XIV. Twee uur lang kijken we naar de stervende Zonnekoning; nog altijd het schoolvoorbeeld van de absolute vorst, van het principe van de droit divin, het Godgegeven koningschap. Maar terwijl zijn entourage hem met omzichtige buigingen, applausjes en veel geknik blijft benaderen, heeft het lichaam lak aan al die heiligheid en is de aftakeling onverbiddelijk.

Vrijwel de gehele film ligt de stervende koning (Jean-Pierre Léaud) in bed en rond dat bed is het een komen en gaan van artsen en hofdienaars. In traag uitgesproken zinnen bediscussiëren de heren het herstel van de koning, of eigenlijk het gebrek daaraan. Zijn die plekken op het been van de vorst nu wel of geen koudvuur? En is het vogeltje dat in een kooi naast zijn bed staat wel bevorderlijk voor zijn gezondheid? Intussen raakt de koning steeds meer geïsoleerd. In plaats van met wordt er steeds meer over hem gesproken. Wanneer de camera dicht bij hem is en we bijna zijn perspectief delen, zijn andere personages slechts wazige contouren. Hij is al bezig deze wereld te verlaten en sterven doe je, zelfs wanneer je omringd wordt door anderen, alleen.

Dat sterven voltrekt zich met een slepend ritme, alsof de dikke tapijten niet alleen de voetstappen dempen, maar ook de tijd. De buitenwereld voelt oneindig ver weg. Begint de film nog in de tuinen van Versailles, na die eerste scène komen we niet meer buiten de muren van het kasteel en daarbinnen wordt de wereld steeds kleiner. Een gevoel dat vooral met het spaarzame gebruik van licht wordt versterkt. Af en toe verschijnen er overheidsfunctionarissen aan het bed van Lodewijk XIV of doet hij een poging naar de ministerraad te gaan. Pogingen die binnen een paar meter van het bed stranden. Slechts eenmaal gunt Serra ons nog een blik op buiten, maar het Frankrijk dat zich daar bevindt, de schulden ingejaagd door de vele oorlogen die de koning voerde, dringt nauwelijks meer door de dikke muren heen.

Eerder bepleitte Bouke van Eck op deze site dat je de auteurstheorie ook op bepaalde acteurs kunt loslaten. Bij La mort de Louis XIV kan ik me inderdaad niet voorstellen dat ik de film zou beschouwen zonder daarbij het oeuvre van Léaud daarin te betrekken. Dit is een film die ook over hem gaat, over het soort cinema dat hij vertegenwoordigde. Die oude man met dat trillende gezicht die in korte uithalen om water roept ontroert des te meer, als je dat brutale kereltje op je netvlies hebt dat als veertienjarige auditie deed voor François Truffauts Les quatre cents coups. Als je dat jochie hebt zien opgroeien in de rol van Antoine Doinel en weet hoe de acteur uitgroeide tot icoon van de hyperlevendige nouvelle vague.

Met een weergaloos shot waarin Léaud recht de camera inkijkt wordt zelfs verwezen  naar het beroemde eindshot van Les quatre cents coups. Daar werd de blik van Léaud gevangen in een freeze  frame, de enige manier om die constant wegdansende blik even vast te houden. In La mort de Louis XIV laat Serra de camera juist eindeloos draaien en blijft de blik van Léaud op ons gericht. Te vermoeid om weg te kijken, te uitgeput om te knipperen. Tegenover de vluchtigheid van de jeugd zien we hier de berusting van de ouderdom. Thuisgekomen na La mort de Louis XIV was dat eindshot uit Truffauts film het eerste wat ik opzocht en het trof me dat die oude man en dat jonge ventje dezelfde melancholische blik deelden.

In de korte film Camera van David Cronenberg beschrijft acteur Leslie Carlson een droom waarin hij in een bioscoop zit en de film hem veroudert. In feite is het oeuvre van een acteur een nauwgezette vastlegging van diens ouder worden. En je kunt zelfs zeggen dat elke film de registratie van een sterven is. Want met het vastleggen van het moment, wordt ook de dood van dat moment vastgelegd, zoals Carlson opmerkt. Daarmee verwijzend naar wat Roland Barthes in Camera lucida schreef over fotografie. Minstens zoveel als over een stervende koning gaat La mort de Louis XIV over die essentie van cinema. Daarom hoeven we ook niet te vergeten dat we naar Jean-Pierre Léaud kijken. Integendeel. De herinnering daaraan is het fundament van deze film.

* Citaat afkomstig uit: Camera (David Cronenberg, 2000)

0 reacties

Geef een reactie

Annuleren