Nu aan het lezen:

De Indiaan in Amerikaanse Cinema

De Indiaan in Amerikaanse Cinema

 

“Je moet niet weglopen van de pijn”, zegt Cory Lambert (Jeremy Renner) tegen Martin (Gil Birmingham), wiens dochter vermoord is teruggevonden. Maar vooral: het is het woord van een witte Amerikaan tegen een inheemse Amerikaan. Ik vond het een ongemakkelijk moment. Zoals ik ook het uitgangspunt van Wind River (vanaf deze week in de bioscoop te zien) ongemakkelijk vind. Wanneer het lichaam van een jonge vrouw wordt gevonden in het besneeuwde landschap van het Indianenreservaat Wind River, wordt FBI-agente Jane Banner (Elizabeth Olson) ingevlogen. Bij het lichaam wordt ze vergezeld door de lokale native politie en hun sheriff (Graham Greene) en door Cory, die het lichaam vond. Van die mensen vraagt ze uitgerekend de laatste, de enige andere blanke, om haar te helpen bij het onderzoek.

In een terugblik op haar film Daughters of the Dust (1991), over een Gullah-familie in de vroege 20e eeuw, zei Julie Dash dat ze het gevoel had dat de spaarzame films die werden gemaakt over Afro-Amerikanen niet echt over hen gingen, maar gemaakt werden om hun geschiedenis aan anderen uit te leggen. Dat is precies het gevoel dat ik kreeg bij Wind River. Het is een sterke thriller, goed geschreven en effectief geregisseerd door Taylor Sheridan, maar de film heeft ook onmiskenbaar iets didactisch.


Een goed voorbeeld van Julie Dash’ opmerking, die ook toont dat het geen kwestie is van goede of slechte intenties, is Kevin Costners Dances with Wolves uit 1990. De film geeft een positief beeld van Indianen en is niet volstrekt eenzijdig in dat beeld. Maar het is toch vooral een film die vanuit een witte protagonist aan een blank publiek uitlegt dat Indianen heus geen primitieve wilden zijn en dat hun manier van leven waardevol is. Het perspectief van de witte, heteroseksuele man is overweldigend dominant in Amerikaanse cinema en maakt elke andere groep – vrouwen, de LGBT-gemeenschap, elke andere huidskleur – onvermijdelijk de ander.

In het geval van de inheems-Amerikanen speelt daarbij dat voor ons als Europeanen het beeld van hen voor een aanzienlijk deel bepaald wordt door hun representatie in Hollywood. Het meest hardnekkige beeld komt uit westerns en het is een misvormd beeld. Indianen waren in de vroege westerns de antagonisten; een primitieve en homogene groep vijanden, levend in tipi’s en schietend met pijl en boog. Dat er een grote hoeveelheid stammen is, vaak met eigen gebruiken en talen of dialecten, werd genegeerd. Zet ze een verentooi op, laat ze onverstaanbaar brabbelen en je hebt een Indiaan. Wat natuurlijk vraagt om grappen, zoals blijkt uit onderstaand fragment uit Neil Diamonds (nee, niet die Neil Diamond) documentaire Reel Injun uit 2009.

Uitzonderingen waren er uiteraard. Zoals Delmer Daves’ Broken Arrow (1950) met James Stewart, die bekendstaat als een van de eerste grote westerns waarin Indianen in een positief daglicht werden gesteld, of het moreel interessante The Man from Laramie (1955) van Anthony Mann, tevens met Stewart. Maar meestal was de representatie van de Indianen negatief, op het denigrerende af. En vaak stond tegenover hen John Wayne als de ultieme cowboy. Het bloedbad van Wounded Knee was in 1890 de laatste grote slag die de Indianen werd toegebracht, maar de witte Amerikanen vochten tot in de vroege 20e eeuw met de Apaches. En toen begon het schrijven van het nieuwe narratief, waarin de oorspronkelijke bewoners de Ander werden en de witte bezetter de nieuwe definitie van de Amerikaan. John Wayne paste perfect in dat narratief, was de belichaming van die nieuwe definitie. Hij was de “true American” tegenover de “native Americans”.

Maar zoals iemand zegt in het eerder genoemde Reel Injun: “We’re not Indians, we’re not Native Americans, we are older than that. We are human beings.” Met zoveel woorden ook gezegd door Old Lodge Skins in Arthur Penns Little Big Man uit 1970. Ook een film vanuit een wit perspectief, maar wel eentje die de clichés en stereotypen over Indianen op de hak neemt. Zowel negatieve als positieve. Chief Dan George (die ook zijn opwachting maakte in The Outlaw Josey Wales) speelt bijvoorbeeld  wat aanvankelijk het cliché lijkt van de spirituele, wijze oudere, maar hij doet dat met een subtiele, droge humor die dat cliché ook weer omver haalt, zoals in onderstaande scène.

In zijn messcherpe analyse van de representatie van Afro-Amerikanen in Hollywoodfilms, The Devil Finds Work, schreef James Baldwin dat ook positieve stereotypen problematisch zijn. Dat die vaak als functie hebben de witte mens gerust te stellen. Datzelfde geldt in het geval van de Indianen. De mythologisering van de Indiaan als stoïcijnse en superieure strijder bagatelliseert bijvoorbeeld hoe oneerlijk de strijd was tussen de Indianen en de witte mens. En daarom is het belangrijk dat ook al die clichés worden doorbroken. Dat gebeurt in Little Big Man, maar ook in Milos Formans One Flew over the Cuckoo’s Nest (1975), waarin Wil Sampson een doofstomme Indiaan speelt. Aan het einde van de film blijkt dat hij gewoon kan praten, waarop McMurphy in de lach schiet. “You fooled ‘em, Chief”,  schatert hij. “You fooled ‘em all.”

Chief Bromden speelde het beeld van de Indiaan dat de witte mens geruststelt; deaf and dumb. Om vervolgens het fort dat de witte mens rond hem heeft opgetrokken kapot te smijten en zijn eigen vrijheid op te eisen. In de jaren negentig leek iets soortgelijks te gebeuren in de Amerikaanse filmwereld. Er kwam een groep filmmakers op die vanuit een uitgesproken native perspectief films maakte en daarmee succes had. Films als Dance Me Outside en Powwow Highway, maar vooral de films van Chris Eyre. Diens Smoke Signals gaat specifiek over de worsteling om je identiteit te vormen als het narratief altijd bepaald wordt door de ander, en ontsnapt aan het perspectief van die ander door zo radicaal het eigen perspectief te kiezen. Wit Amerika wordt ironisch ‘as foreign as it gets’ genoemd. Smoke Signals is een film die het narratief naar zich toetrekt, het met recht opeist en dat doet met humor.

In Reel Injun wordt deze periode met veel euforie belicht. En terecht. Maar we moeten toch ook concluderen dat de stemmen van deze makers niet echt tot de mainstream zijn doorgestoten, dat een grote doorbraak van die dijk tussen dat dominante, witte perspectief en de perspectieven van de Ander tot op heden is uitgebleven. Zo vaak lijkt er een kentering, maar blijkt die toch weer te verzanden. De Oscar van Kathryn Bigelow werd onthaald als doorbraak, maar in 2016 daalde het percentage vrouwelijke regisseurs in het topsegment van Hollywood ten opzichte van het jaar daarvoor naar zeven procent. En dit jaar was er de winst van Barry Jenkins Moonlight en het grote succes van Jordan Peele’s Get Out wat hoop geeft voor de stem van de Afro-Amerikanen. Maar de doorbraak is pas definitief als het water blijft stromen en we niet volgend jaar moeten concluderen dat het gat in de dijk gewoon weer gedicht is.

De opleving en de daaropvolgende uitdoving van het succes van inheems-Amerikaanse filmmakers laat zien hoe hardnekkig de hegemonie van de witte man in cinema is. Een film als Wind River is daar in z’n eentje niet schuldig aan en het maakt die film op zichzelf ook niet slecht. Je zult mij ook nooit horen zeggen dat het perspectief van de witte, heteroseksuele man niet interessant of waardevol is. Dat is het namelijk wel. Je zult mij ook nooit horen zeggen dat het tonen van de ander als Ander per definitie problematisch is. Dat is het namelijk niet. Problematisch is het pas als dat praktisch het enige perspectief is dat we krijgen. Keer op keer op keer. En dat moet veranderen. Leg de ander niet uit. Geef hem of haar de eigen stem terug.

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken