Nu aan het lezen:

In gesprek met Jonas Carpignano: ‘Ik wil niet de taal van cinema veranderen, maar juist het standpunt dat het medium inneemt’

In gesprek met Jonas Carpignano: ‘Ik wil niet de taal van cinema veranderen, maar juist het standpunt dat het medium inneemt’

 

Dit jaar vond de negende editie van de 28 Times Cinema-jury plaats tijdens het 75e Filmfestival van Venetië. Dit initiatief brengt vertegenwoordigers van alle 28 landen van de Europese Unie samen in één jury die valt onder de afdeling van de Giornate Degli Autori. Als vertegenwoordiger van Nederland nam ik deel aan de drie discussies, die uiteindelijk de winnaar bepaalden. Dit jaar was dat C’est ça L’amour van Claire Burger. De discussies werden geleid door Karel Och, die lid is van de selectiecommissie op het internationale filmfestival van Karlovy Vary in Tsjechië. De voorzitter van de jury was dit jaar Jonas Carpignano.

Carpignano (1984) is een veelgeprezen Amerikaans-Italiaanse regisseur, wiens eerste twee speelfilms Mediterranea (2015) en A Ciambra (2017) vele prijzen wonnen. Mediterranea ging in première tijdens de Semaine de la Critique van het Filmfestival van Cannes, ontving de prijs voor het beste regiedebuut  van de Amerikaans filmorganisatie The National Board of Review en won de Gotham Independent Film Award voor baanbrekende regisseurs. A Ciambra ging in première bij de Quinzaine des réalisateurs op het filmfestival van Cannes en won de Europa Cinema Label Prize voor de beste Europese film. In 2018 werd de film gekozen om Italië te vertegenwoordigen op de Academy Awards in de categorie beste buitenlandse film. Ik interviewde Carpignano in Venetië tijdens 28 Times Cinema.

Je houding ten aanzien van filmmaken doet mij sterk denken aan die van Nan Goldin en haar benadering van de fotografie. Goldin schreef in haar essay The Ballad of Sexual Dependency (1986) dat ze de betekenis wilde vastleggen van de levens van de mensen die zij had gefotografeerd, om hen de kracht en schoonheid te geven die zij in hen zag. Op die manier slaagde zij erin om sterke portretten te creëren zonder haar subjecten te verheerlijken. Is dat iets dat je ook wilde bereiken met je film A Ciambra ?

Het idee van A Ciambra was om ruimte te geven aan stemmen die voorheen niet aanwezig waren in het Italiaanse filmlandschap. Ik ben ervan overtuigd dat het beeld dat de wereld van het naoorlogse Italië heeft, is voortgekomen uit de cinema van Roberto Rossellini. Volgens zijn visie was Italië antifascistisch, en vocht het tegen het regime van Mussolini. Het was een land waar er sprake was van fel en sterk verzet en ruimte voor maatschappelijk engagement. Hoewel dit beeld slechts gedeeltelijk waar was, slaagde Rossellini erin om Italië te herenigen met zijn cinema en creëerde hij een bijzonder en duurzaam perspectief, een soort nationaal bewustzijn. Film heeft de kracht om dat te doen, om een ​​collectief beeld van een natie te creëren. En voor mij was het erg belangrijk om de stemmen te laten horen die nu ontbreken in de Italiaanse cinema. Daarom ben ik me gaan richten op de nieuwe Afrikaanse immigrantenbevolking of de Roma-gemeenschap. Ik wilde met mijn films het sociale en culturele landschap opnieuw verkennen om te laten zien dat deze verhalen óók Italiaans zijn, en dat het óók gaat over Italianen. Ze verdienen net zo goed tijd en ruimte binnen de huidige cinema.

Dat doet me denken aan wat je eerder zei over het creëren van empathie door middel van cinema. Je eerste film, Mediterranea (2015), gaat over Afrikaanse vluchtelingen. Nu zijn de meeste mensen in het westen opgegroeid met films die vooral gaan over de westerse cultuur. Jouw films worden vertoond voor zo´n publiek, wiens smaak dus voornamelijk is bepaald door westerse cinema. Hoe ga je hiermee om?

Dat is uiteindelijk de uitdaging, toch? Ik zal een ​​voorbeeld geven. Er is een beroemde schrijver die Chinua Achebe heet en uit Nigeria komt. Toen hij zijn eerste roman schreef, destijds de eerste roman over dat deel van Nigeria, schreef hij het in het Engels. Iedereen dacht dat het nogal controversieel was: ‘Je probeert deze groep een stem te geven, maar je schrijft wel in de taal van de kolonisator.’ Dat is een zeer complexe morele situatie. In een ideale wereld zou hij het boek in zijn eigen taal hebben geschreven, maar dat zou zijn publiek hebben beperkt. Op de een of andere manier wilde hij het culturele collectieve geheugen betreden en moest hij daarvoor de Engelse taal gebruiken of aanpassen om dat te doen.

Nu ga ik mezelf niet vergelijken met Chinua Achebe, maar ik wil net als hij ook het morele standpunt van de kolonisator en hun ideologische kompas af kunnen schudden. En dat kan ik doen door gebruik te maken van de beschikbare hulpmiddelen, waaronder het cinematografische medium. Deels probeer ik op een of andere manier de grens te verleggen en te experimenteren, maar de films blijven uiteindelijk beperkt tot meer traditionele filmtalen en -stijlen. Ik probeer zoveel mogelijk tegen die conventies aan te schoppen, maar ik pas ze ook aan omdat ik wil dat de film toegankelijk blijft. Ik wil niet de taal van cinema veranderen, maar juist het standpunt dat het medium inneemt.

Dat is niet altijd eenvoudig. In A Ciambra zijn de zigeuners bijvoorbeeld aan het stelen. En als je dat ziet vanuit je eigen morele en ideologische kompas, zul je ze duidelijk negatief beoordelen wegens hun criminele daden. Maar de film probeert dat niet te doen. De film probeert eenvoudigweg te zeggen: ze doen dit uit noodzaak en ze volgen een patroon dat van generatie op generatie is doorgegeven. Ik probeer niet te zeggen dat alle zigeuners stelen. Ik laat een gezin zien dat zich bezighoudt met deze activiteit en ik probeer aan te geven dat we hen niet moeten beoordelen met ons vaste morele kompas. Omdat ze leven onder andere omstandigheden is de relatie tussen hun gemeenschap en hun omgeving ook anders.

Ik denk dat je films het publiek laten zien dat je kunt meeleven met een groep mensen waarvan je misschien helemaal niets weet of wiens levensstijl je dubieus vindt. Jouw vergelijking met Chinua Achebe en zijn taalgebruik doet ook denken aan de Senegalese regisseur Ousmane Sembène. In zijn eerste korte film Borom Sarret (1963) maakte hij gebruik van de taal van de kolonisator, de Franzen. Maar toen hij de film in zijn vaderland liet zien, waren de reacties nogal negatief. Ik herinner me dat regssieur Haile Gerima tijdens een Q&A na de screening van zijn Harvest: 3000 years (1976) op het IFFR dit jaar zei: ‘Banishing the African language is banishing the story.

Het is natuurlijk zo dat op dit moment veel jonge Afrikaanse filmmakers hetzelfde zeggen. En ik begrijp waar ze het over hebben. Maar om te komen tot een situatie waarin een andere cultuur opnieuw de taal en de regels kan uitvinden, is het noodzakelijk om meer vertrouwen te hebben in die filmmakers en ze meer bekendheid te geven. Ik geloof dat er onontdekte filmmakers zijn in Afrika en in andere delen van de wereld die echt een nieuwe vorm van cinema kunnen uitvinden. Het is deels een kwestie van de middelen die zij tot hun beschikking hebben. Daarnaast is het ook het werk van filmmakers zoals Ousmane Sembène die een belangrijke figuur was en die daardoor het systeem van binnenuit kon veranderen. Door films te maken die op een of andere manier aansloegen bij een Europees publiek, opende Sembène deuren voor de volgende generatie jonge filmmakers uit Senegal die hopelijk in staat zullen zijn om te experimenteren en meer risico’s te nemen. Helaas gaat de geschiedenis heel langzaam vooruit en hebben we mensen nodig die eerst de deuren openen zodat de volgende groep een stapje verder kan gaan en vervolgens barrières kan doorbreken.

Heb je Timbuktu (2014) van Abderrahmane Sissako gezien?

Ja, ik ben dol op Timbuktu. Ik ben dol op Sissako in het algemeen. Ik heb al zijn films gezien.

In verband met deze film, we horen tegenwoordig bijna dagelijks nieuwsberichten over terrorisme, vluchtelingen en fundamentalisten. Social media spelen in dat opzicht een belangrijke rol en hebben een globaal platform gecreëerd. In Timbuktu zijn de terroristen permanent bezig met hun mobiele apparaten en maken ze behendig gebruik van film en fotografie om hùn waarheid te verkondigen.

Ja, daar hebben we laatst over gesproken: het idee van cinema als een politiek of ideologisch wapen. Ik geloof dat filmmakers van nature mensen zijn die samenwerken en een gevoel van gemeenschap kunnen creëren. Het is een gevecht om je visie op de kaart te krijgen. De filmgemeenschap groeit gestaag en we kunnen iets creëren dat op zijn eigen manier een effectief hulpmiddel kan zijn. Iedereen gebruikt cinema op zijn eigen manier en ik zou nooit iemand willen beperken in zijn mogelijkheden om te zeggen wat hij of zij met het medium wil zeggen. Ik denk wel dat sommige van deze openlijk gepolitiseerde boodschappen die in de bioscoop circuleren alleen hun eigen publiek aanspreken en tegelijkertijd anderen vervreemden.

Maar ik heb veel vertrouwen in de kijker en hoe mensen in dialoog gaan over wat ze op het scherm zien. Als dingen openlijk politiek zijn, weten mensen dat het medium wordt gebruikt om ze te manipuleren. Ze kunnen het onderscheiden en negeren of afwijzen. Een minder openlijke politieke manier om gebruik te maken van cinema is om afstanden tussen mensen weg te nemen. Een van de grote voordelen die film mogelijk heeft gemaakt, is het wegvallen van het onderscheid tussen openbaar en privé. Mensen hebben meer toegang tot elkaar en we kunnen cinema niet alleen gebruiken om te leren over de wereld, maar ook om de afstand te verkleinen. Dat gevoel van samenleven met een andere cultuur, zoals je dat met een persoon zou kunnen doen, kan wederzijds begrip en wederzijdse empathie creëren. Ik heb mijn films nooit echt in een sociaal-politieke context willen plaatsen. Voor mij gaat filmmaken altijd over het presenteren van een personage, een enkel persoon, voor een publiek. Door het creëren van begrip, een band of legame-forte (een sterke verbinding), zoals wij in Italië zeggen, verandert hopelijk ook de manier waarop iemand de mens in het algemeen ziet.

Zien we in Europa en de rest van de wereld op het moment niet het tegenovergestelde? Door bestaande onenigheid of nieuwe opkomende tegenstellingen weigeren mensen met elkaar in gesprek te gaan of wordt het al snel een schreeuwwedstijd.

We hebben A Ciambra gemaakt in het kleine stadje Gioia Tauro, waar ik woon. Vooruitgang voltrekt zich nooit snel, het gaat altijd met trage stappen. Gioia Tauro is altijd aan zijn lot overgelaten. Mensen wilden daar nooit echt naartoe, en ik denk dat een van de dingen die mensen verraste, was dat ik er zoveel tijd wilde doorbrengen. Niet als een filmmaker, maar als een persoon. Ik heb daar vrienden gemaakt voordat ik een film wilde maken. En toen we uiteindelijk de film maakten, hebben we deze overal in de stad gescreend. We hebben zojuist de laatste editie van ons filmfestival afgesloten en elk jaar hebben we het slotfeest in de Ciambra (de zigeunergemeenschap waar A Ciambra werd gefilmd). Dit jaar waren er meer dan 350 mensen. Het was geen strak georganiseerde gebeurtenis, het waren gewoon mensen die dansen en plezier hebben. Maar het feit dat mensen vonden dat ze naar de Ciambra konden gaan en zich er welkom voelden, is gedeeltelijk te danken aan het feit dat ze in de film en door het festival steeds vaker zijn blootgesteld aan hoe het leven eruit ziet in de Ciambra. Deze nabijheid heeft zeker bijgedragen aan een positiever imago en reputatie van de mensen daar en het heeft ook geleid tot meer begrip. Mensen zijn niet meer bang om naar de Ciambra te gaan. Het tegendeel is ook gebeurd uiteraard. Mensen zien de film en het bevestigt wat ze altijd hebben gedacht over zigeuners: ‘Zie je wel! Dat is precies hoe ze zijn!’ Als dat is wat je meeneemt na het zien van de film dan is dat prima. Maar als het deuren voor je opent zodat je dieper in een andere wereld kan duiken, dan is dat een succes voor mij.

Hoe heb je zo’n ruimte en sfeer weten te creëren?

Het is een klein stadje en er is veel goede wil. Er zijn niet veel films gemaakt in Gioia Tauro. De weinige die daar zijn opgenomen, zijn snel gedraaid: een crew komt aan, gaat filmen en vertrekt vervolgens weer en laat een puinhoop achter. Ik heb dat nooit gedaan, omdat ik daarheen ben gegaan, een korte film heb gemaakt en er ben gebleven. Ik denk dat de bewoners weten dat ik er niet alleen ben omdat ik de stad wil gebruiken vanwege zijn culturele betekenis, maar omdat ik in de stad investeer en daar graag woon. Dat heeft ons de blijvende steun gegeven die we nodig hebben om door te gaan met het organiseren van evenementen, zoals ons filmfestival.

Was er een verband tussen hoe mensen reageerden op je films en de staat van het debat rond de vluchtelingencrisis in die periode?

De vluchtelingencrisis is al heel lang een groot probleem in Italië en in het algemeen zijn raciale relaties altijd al een zeer gevoelig onderwerp in het land. Mijn moeder is Afro-Amerikaans en mijn vader is Italiaans. Dus ik ben altijd zeer bewust en gevoelig geweest voor de raciale dynamiek in Italië. Voor mij was het geen nieuw onderwerp om te ontdekken en het was iets waarin ik me altijd al verder in wilde verdiepen. Toevallig bevond Italië zich op het hoogtepunt van de vluchtelingencrisis toen ik Mediterranea aan het maken was. De dag dat de film verscheen, tijdens de Critics-week in Cannes, was er volgens mij een krantenkop over een paar duizend mensen die voor de kust van Malta waren omgekomen. De actualiteit van het onderwerp zorgde voor aandacht voor de film die er anders misschien niet was geweest. Dat gezegd hebbende, ik heb de film niet gemaakt vanwege de actualiteit ervan. Ik volg dit onderwerp al mijn hele leven en toen ik een film probeerde te maken duurde het uiteindelijk vier jaar voordat hij daadwerkelijk uitkwam. Dus het was nooit opzettelijk en we hebben nooit geprobeerd om mee te liften op de actualiteit. Het gebeurde gewoon.

Hoe was het om de voorzitter van de jury te zijn? Vond je het moeilijk om zoveel invloed te hebben? En was het moeilijk om je in woorden uitdrukken?

Ik denk niet dat het moeilijk was, want ik heb een geweldige tijd gehad. Deze groep is fantastisch en ik heb veel geleerd door naar ieders mening te luisteren. Het moeilijkste, als het over het discussiëren over films gaat, is om niet negatief over te komen. Ik ben al lang actief in de filmwereld en daarom heb ik sterke meningen, maar voor mij was het belangrijk dat ik door niemand gezien werd als ‘De Voorzitter’. Ik wilde ons gesprek niet domineren, beïnvloeden of manipuleren. Omdat iedereen een zeer sterke mening had, was het voldoende om die mening te uiten, zodat de rest het kon absorberen.

De winnaar, C’est ça l’amour , is geen film die de box office zal doen ontploffen, of overal zal worden vertoond. Dat wij de film een zetje geven vind ik belangrijk en terecht, want zo’n soort film kan echt profiteren van de extra aandacht.

 

 

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken