Nu aan het lezen:

In gesprek met Bruce LaBruce: ‘Ik ben een punk dada-baby!’

In gesprek met Bruce LaBruce: ‘Ik ben een punk dada-baby!’

 

In november vond in East London het Fringe! Queer Film and Arts Festival plaats. Dit jaarlijkse festival gewijd aan LHBTIQA + cinema, kunst, seksualiteit en diversiteit bestaat al sinds 2011. Tijdens deze editie werden in tien galeries, bioscopen en pop-uplocaties meer dan twintig shorts en films vertoond. 

Een van de films die deel uitmaakte van het programma van 2018 en die in het bijzonder mijn aandacht trok, was de nieuwste film van Bruce LaBruce, It Is Not the Pornographer That Is Perverse (2018). De titel is een verwijzing naar de beruchte film It Is Not the Homosexual That is Perverse, But the Society in which He Lives van Rosa Von Praunheim uit 1971. Met zijn film wilde LaBruce hetzelfde idee toepassen op de pornograaf en pornografie.

De Canadees Bruce LaBruce (1964) is in de eerste plaats een kunstenaar, die in de jaren 80 de drijvende kracht was achter Queercore en deel uitmaakte van de New Queer Cinema-beweging die tot in de jaren 90 in Amerika actief was. Als kunstenaar is hij is vooral bekend om het trappen tegen heilige huisjes. Provoceren en choqueren vormen een belangrijk onderdeel van zijn artistieke credo.

Wat is de betekenis van de titel It Is Not the Pornographer That Is Perverse?
Als populair medium is pornografie niets anders dan een weerspiegeling van de seksualiteit van een cultuur, een soort onbewuste interpretatie van hoe seksualiteit wordt ervaren in een bepaalde periode. Er bestaat een vreemde misvatting dat pornografie zomaar uit het niets verschijnt, of dat het wordt gemaakt door kwaadaardige en perverse mensen die het opdringen aan een nietsvermoedend en onschuldig publiek. Het is reëler om het te zien als een weergave van de populaire seksuele verbeelding, iets dat pornografen als basis gebruiken en vervolgens op verschillende manieren vertegenwoordigingen. Ze vervullen dus een functie door een ​​cultuur zijn seksualiteit en zijn onderbewuste verlangens als fantasie uit te laten drukken, hoe donker of politiek incorrect die ook zijn. Het is een speelse zone die ons in staat stelt om deze fantasieën uit te werken, zodat we niet seksueel onderdrukt worden. Dat is belangrijk omdat seksuele repressie vaak leidt tot vreselijke dingen zoals autoritarisme en seksueel geweld. Ik geloof dat alle pornografen artiesten zijn. Sommigen zijn goed, sommigen zijn slecht, maar ze interpreteren cultuur via een seksuele lens, vaak door het gebruik van verhalen en conventies. Mensen kijken vaak neer op pornografen, maar ik denk dat ze noodzakelijk zijn voor een gezonde seksuele cultuur.

In een artikel dat je in 2000 schreef voor The Guardian, voorspelde je dat pornografie veel meer mainstream zou worden. Je zei daarin ook dat het steeds minder om de esthetiek zou gaan omdat de grens tussen kunst en porno aan het vervagen was. Nu, achttien jaar later, is porno makkelijk toegankelijk via het web en goedkoop om te maken (iedereen kan thuis filmen met een mobiele telefoon en het uploaden). Wat vind je van deze ontwikkeling?
Het is een groot onderwerp, maar laten we beginnen met het pre-internetmodel. Ik las net hoe moeilijk het in de jaren 40 en 50 was om bijvoorbeeld pornografische foto’s of tijdschriften te vinden. Toen ik een tiener was, in de jaren zeventig, was de enige toegang die ik tot ‘pornografisch’ materiaal had de boekenverzameling van mijn broer. Zo kwam ik in contact met William S. Burroughs’ Naked Lunch, Henry Millers Tropic of Capricorn en Anais Nins Spy in the House of Love. Porno was heel specifiek en nog beperkt. In de winkel werden pornografische tijdschriften verborgen opgesteld en per post werden ze bezorgd in neutrale bruine enveloppen. Er was zowel een gevoel van opwinding als een zekere schaamte bij het zoeken naar porno en het kopen daarvan. Het maakte een deel uit van wat het spannend maakte: het verbodene, een taboe. Laten we niet vergeten dat de zedenpolitie tot in het begin van de jaren zeventig vooral homoseksuelen oppakte. In de jaren negentig werd ik zelfs nog door fotowinkels in Toronto bij de politie aangegeven omdat ze mijn foto’s als obsceen beschouwden.

De komst van video was de eerste kwantumsprong voor porno. Weinig mensen hadden projectoren om thuis pornofilms te bekijken, dus ging men naar seksshops en seksbioscopen waar je die films kon zien. Het was een morsige guilty pleasure, die plaatsvond in een openbare ruimte, waarbij het filmtheater zelf een plek was waar seksueel contact plaatsvond. Met de komst van videoporno was het opeens overal beschikbaar voor iedereen. Je kon het privé in je eigen huis bekijken, dus het werd meer onanistisch en de meer publieke uiting van seksualiteit in theaters en peepshows raakte daardoor in verval.

Is pornografie radicaal veranderd sinds de uitvinding van het internet?
De tweede grote sprong voorwaarts was de opkomst van het internet, dat uiteindelijk leidde tot directe toegang tot een oneindige stroom porno in privésfeer van je eigen huis. De honger naar nieuwe vormen werd daardoor ook steeds onverzadigbaarder en de reguliere porno-industrie groeide. Paradoxaal genoeg werd pornografie dus toegankelijker én meer privé; universeler maar ook persoonlijker. Met de opkomst van het internet groeiden ook het aantal niet-professionele porno-aanbieders, zeg maar de amateursoort. De verscheidenheid aan pornografie nam ook toe, als je kijkt naar het aantal verschillende fetisjen, de verscheidenheid van lichaamstypes en ook de variëteit van geslacht en ras. Je moet het dus plaatsen in de context van een versnelde cultuur, een verlangen naar onmiddellijke bevrediging, gedetermineerde beeldtaal en volledige beschikbaarheid. Alles — fotografie, kunst, film, nieuws — is nu informatie. De vraag is hoe iets uit deze nieuwe pornografische context tevoorschijn kan komen om populair te worden? Een manier is branding: iets heeft een signatuur, een bepaalde stijl, een specifieke esthetiek die opvalt, en die op de een of andere manier het medium naar een hoger plan tilt door iets weer te geven wat nog niet eerder vertoond is.

Is je manier van filmen — je eigen stijl — veranderd door deze ontwikkelingen van pornografie?
Ik heb persoonlijk verschillende strategieën. Ik meng genres op onverwachte manieren. Ik benader de reguliere cinema met een pornografische gevoeligheid en pornografie met een filmische gevoeligheid, en ik probeer geen onderscheid tussen beide te maken. Ik blijf niet in mijn rijstrook. Ik maak elke vorm van pornografie: mannelijk, vrouwelijk, bi, straight, transgender, en ik beweeg tussen de mainstream en het alternatief, of tussen porno en niet-porno. Na een pornofilm maak ik een reguliere film zonder expliciete seks. Ik behoud wel altijd mijn eigen persoonlijke stem en signatuur: een bepaalde romantiek, het omverwerpen van zowel esthetische als culturele conventies, een verbintenis tot politieke incorrectheid en politieke onrust, tegendraadsheid, radicaal pragmatisme, enzovoort. Porno is groter dan ooit, maar vreemd genoeg is het nog steeds gehuld in schaamte en onbegrip. Je moet lenig zijn en een punkgevoel hebben om je tussen de pornowereld en de meer reguliere kunst- en filmwereld te begeven.

In meerdere interviews en artikelen benadruk je het belang van esthetiek en vorm in je cinema, en het feit dat porno tegenwoordig alleen draait om de seksuele inhoud, en artistieke aspiraties negeert. Denk je dat dit ook de reden is waarom tegenwoordig zoveel negativiteit bestaat ten aanzien van porno, omdat het onrealistische verwachtingen zou scheppen over wat seks is of zou moeten zijn?
Het is zo moeilijk om tegenwoordig een soort algemeenheden te creëren. Het ‘ideale’ gebeeldhouwde en gespierde lichaam — wat men ‘lichaamsfascisme’ kan noemen – is nog nooit zo erg aanbeden als nu, maar er is ook een ongekende toename van geseksualiseerde beelden met alternatieve lichaamstypes en idealen van schoonheid. In dat laatste geval kan porno als toegankelijker en democratischer worden beschouwd in termen van wie er aan kunnen deelnemen en uitvoeren. In zekere zin zijn er geen voorwaarden meer over wie aan porno mee kan doen. Porno en seks worden beiden oneindig uitgebuit door het kapitalisme en tegelijk op een bijna sociaal-democratische manier gedemocratiseerd, wat je vooral ziet met amateurporno. Voor reguliere porno is er zeker een nieuw tijdperk aangebroken, waarin individuele seksscènes of korte scenario’s, in tegenstelling tot langere films met een soort verhalende continuïteit, de standaard zijn geworden. Deels vanwege de constante vraag naar nieuwe producten en deels vanwege de verkorte aandachtsspanne veroorzaakt door internetgebruik. Maar verhalende porno heeft altijd bestaan, en in feite lijkt er sprake te zijn van een terugkeer naar langere, ambitieuzere pornofilms met een verhalende of conceptuele inslag. De anti-porno-conservatieven en -feministen zijn ook nog aanwezig, maar in het late kapitalisme is het verkopen van goederen en het maken van winst de belangrijkste drijfveer, dus alle ‘morele’ overwegingen worden op een laag pitje gezet. Als de algoritmen van een bedrijf laten zien dat het zijn winstmarge kan vergroten door het merk een beetje met porno te laten flirten, in de vorm van een crossover-campagne bijvoorbeeld, dan zal dat ook gebeuren, ongeacht de ‘morele’ implicaties.

In je nieuwste film It Is Not the Pornographer That Is Perverse, laat de eerste van de vier verhalen (Diablo in Madrid), een moeilijke relatie zien tussen een engel en de duivel. Het is de eeuwige strijd tussen goed en kwaad. Vertegenwoordigt deze strijd op een bepaalde manier de onderdrukte seksualiteit die in deze wereld bestaat, zoals in samenlevingen die nog steeds worstelen met onderdrukte seksualiteit, extreem geweld tegen vrouwen en de LGBTQ + -gemeenschap?
Ik weet niet of ik zulke verheven ambities aan Diablo in Madrid zou toeschrijven. Dat verhaal is echt bedoeld als vrij luchtig en speels. Hoewel, het is geïnspireerd door de korte film La Terre Vista Dalla Luna van Pier Paolo Pasolini, dus ik denk dat het wel een aantal betwistbaar diepgaande universele seksuele thema’s behandelt. Veel van mijn films bevatten seksuele scènes op begraafplaatsen, een constante herinnering aan de onlosmakelijke relatie tussen seks en dood zoals geponeerd door Freud en vele anderen. Het kerkhof is ook een plek waar seksualiteit taboe is. Waar seksuele impulsen worden verdrongen ten gunste van rouw en contemplatie. Een plaats waar decorum en waardigheid ten koste van alles moeten worden gehandhaafd. Het is dus een aanlokkelijke plek voor diegenen die aangetrokken worden door het verbodene en het taboe. In Diablo in Madrid rijst de duivel op uit de grond om mannelijke rouwenden te verleiden en seks met ze te hebben, zelfs als ze huilen om hun overleden dierbaren. We filmden het in het Cementerio de Nuestra Señora de la Almudena, een van de grootste begraafplaatsen in West-Europa. Het was een soort overweldigende locatie, een enorme bottenboomgaard met graven zo ver het oog reikt. Er was ook niemand in de buurt en weinig toezicht, dus we hadden alle ruimte om te spelen met ideeën. Het grappige van de film is dat de onschuldige engel ingaat op de agressieve seksuele avances van de sexy kleine duivel, die weinig om seksuele geaardheid of correct gedrag geeft. Hij verleidt zelfs een jonge man die op het kerkhof rouwt om de dood van zijn echtgenoot. Een brutale kritiek op de nieuwe conservatieve instelling van het homohuwelijk, een van mijn pet peeves. Aan het einde van het verhaal zijn de engel en de duivel vriendjes geworden en leidt de duivel hem door de doorgang naar de hel. Het is een knipoog naar de universele perceptie die nog steeds bestaat, dat homoseksualiteit het werk van de duivel is: als men dat wil, dan zijn wij dat ook, maar we zullen dan heel sexy zijn en veel plezier hebben als we het doen!

Religie en de tradities van de patriarchale samenleving hebben de samenleving geleerd om seksualiteit als obsceen en vulgair te zien. Homoseksualiteit moet daarbij ontmoedigd worden en als een ziekte worden behandeld. Je verhaal eindigt met de duivel die de engel verleidt en hem op een bepaalde manier ‘geneest’ van zijn heteroseksualiteit geneest. Wat dat de boodschap achter het verhaal?
Oh goh, in mijn gedachten is de engel al in het begin homo! Hij wordt tenslotte gespeeld door de ultra-schattige en onschuldig ogende Sean Ford en een knul zo mooi en met zo’n romige huid kán niet hetero zijn, haha! Allen King, die de duivel speelt, is ook ontzettend schattig, dus ze zijn echt a match made in heaven, ook al gaan ze naar de hel! De boodschap van de film is simpel. De sociale en culturele beperkingen en voorschriften die voor seksualiteit gelden en die dicteren hoe jij je privé en publiekelijk seksueel moet gedragen, worden allemaal kunstmatig opgelegd. Seksueel verlangen kan deze conventies op elk moment verstoren. Natuurlijk kan het feit dat de film plaatsvindt op een beroemde katholieke begraafplaats en dat het katholicisme homoseksualiteit heeft onderdrukt (met catastrofale gevolgen als je het grote Roomse misbruikschandaal als voorbeeld neemt), niet worden genegeerd.

Sam Steverlynck vermeldt in zijn artikel The Art of the Peepshow in EXTRA EXTRA Nouveau Magazine Erotique dat kunst, en meer specifiek cinema, een weerspiegeling is van de realiteit. Het is vaak gekoppeld aan de metafoor van Plato’s allegorie van de grot, het beeld dat de Griekse filosoof koos om onze beperkte kijk op de werkelijkheid op te roepen. Denk je dat dat waar is?
Een bioscoop is duidelijk erg vergelijkbaar met Plato’s allegorie van de grot vanwege de manier waarop we kijken. Wanneer we een film in de bioscoop zien, zitten we in zekere zin ‘vastgeketend’ aan onze stoelen: gedwongen om recht vooruit naar het scherm te kijken. En wat we zien is een projectie die van achter ons komt. De metafoor is dus in sommige opzichten bruikbaar. Zo is cinema het meest propagandistische en bedrieglijke van de kunstvormen, een medium dat ons in zekere zin hypnotiseert met een verkeerde voorstelling van de werkelijkheid. Een film kan er realistisch uitzien, maar is eigenlijk een zeer zorgvuldig geconstrueerde en gemanipuleerde weergave van de werkelijkheid. Maar cinema heeft ook veel andere aspecten. Films worden geprojecteerd op een scherm en moedigen ons daarmee aan om onszelf, in Freudiaanse zin — onze eigen ervaringen en emoties en verlangens — te projecteren op wat er op het scherm wordt getoond. Vooral in de dagen van de filmprojectie heeft het flikkeren van de film ook een soort hypnotiserend effect gecreëerd, een manipulatie van de hersengolven die ons in een passieve of ontvankelijke toestand brengen. Wanneer je porno toevoegt aan die vergelijking, wordt het passieve en het verleidelijke aspect verdubbeld omdat het pure visuele plezier wordt versterkt door de opwinding die expliciete seksuele beelden veroorzaken. Dat is waarom ik altijd zeg dat porno het perfecte medium is voor propaganda, en dat is precies hoe ik het gebruik!

Je werk deed me denken aan de Dada-beweging, vanwege je radicalisme en omdat je begon als een filmmaker die Queercore creëerde: een radicale stroming die aanvankelijk geen stroming was. Ben je geïnspireerd door Dada als een kunstbeweging die in opstand kwam tegen de gevestigde en traditionele kunsten en weigerde een ‘isme’ of artistieke beweging te worden?
Ik heb me altijd sterk aangetrokken gevoeld tot de Dada-beweging en het surrealisme, maar ik denk niet dat ik dit doelbewust probeerde na te bootsen met Queercore. Ik heb altijd een zekere gevoeligheid gehad voor het absurdisme, en in feite heb ik de neiging om de wereld in het algemeen als absurd te beschouwen. Een standpunt dat steeds nuttiger is geworden naarmate de ‘beschaving’ voortschrijdt. Maar voor mij hebben Queercore en punk in het algemeen inderdaad veel gemeen met de dadaïstische visie.

Dada was een artistieke opstand tegen kunst. Is dat wat je probeerde te doen met Queercore en jouw cinema?
Dada was een reactie op de Eerste Wereldoorlog en de politieke corruptie en het blinde nationalisme dat daaraan vooraf ging. Amerikaanse punk was een reactie op Reagan en de Koude Oorlog en de opkomst van conservatisme en nationalisme. Queercore maakte deel uit van die grotere tegenbeweging. Dada was ook tegen de hypocrisie en conventionaliteit van de burgerlijke cultuur en kunst. Het had ook een soort kinderlijk gevoel van rebellie tegenover die tendensen, dus ik heb me altijd aangetrokken gevoeld tot hun houding.

Hans Richter schreef in zijn boek Dada Art and Anti-Art: ‘To outrage public opinion was a basic principle of Dada. […] The devising and raising of public hell was an essential function of any Dada movement, whether its goal was pro-art, non-art or anti-art. And when the public had developed immunity to one kind of poison, we had to think of another.’ Herken jij jezelf in dit citaat en probeer je dit ook met je films te bereiken?
Ja, ik kan me zeker terugvinden in die woorden. Ik heb altijd geloofd in schokwaarde en provocatie omwille van zichzelf. Mensen terroriseren in artistieke termen heeft altijd deel uitgemaakt van mijn artistieke credo. Het is een speelse strategie die ik altijd heb gehad. Misschien een beetje kinderachtig maar ik wil mezelf overtreffen. Het is een spel van constant uitdagen dat ik met mezelf speel. Dus als ik een scène had in een film die sommige mensen choqueerde en woedend maakte, probeerde ik in een scène van een nieuwe film nog veel verder te gaan. Dat om de grenzen van acceptatie zo ver mogelijk te verleggen. Het liefst zou ik mijzelf choqueren. Als ik tijdens het maken van een film het gevoel heb dat ik zelfs voor mijn doen te ver ben gegaan, dan weet ik dat ik de goede kant op ga. Ik heb ook altijd geprobeerd om iets onverwachts te doen. Zo maakte ik LA Zombie, een gorno-film met necrofiele scènes die vol zitten met bloed, gore en expliciete seks. Ik volgde die film op met Gerontophilia, een film die je in vergelijking bijna mainstream kunt noemen. Het was de eerste zonder expliciete seksscènes! Een soort van romantische komedie, ook al gaat het om een achttienjarige jongen met een seksuele fetisj voor ouderen. Dus ja, ik ben een punk Dada-baby!

Dit artikel verscheen eerder in het Engels op Frameland.

 

 

 

 

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken