Nu aan het lezen:

Imagine 2018: ultraviolence

Imagine 2018: ultraviolence


Wie het programma van Imagine Film Festival doorneemt komt een aantal keer woorden als ‘extreem gewelddadig’ en ‘snoeihard’ tegen in de promotietekstjes. Geweld in film heeft iets fascinerends. Wat de meesten van ons in ons eigen leven koste wat kost willen vermijden, zoeken we op in de bioscoop. In 2000 schreef Vivian Sobchack een mooi essay over geweld in films en vooral haar persoonlijke omgang ermee, ‘The violent dance’. Dat levert een aantal interessante aanknopingspunten op om mee naar deze films te kijken.  

De relatie tussen gewelddadige films en de toeschouwer wordt expliciet behandeld in de Spaanse film Dhogs van Andrés Goteira. Het is een film in de lijn van het werk van Michael Haneke en dan specifiek diens Funny Games, die de toeschouwer aanspreekt op zijn of haar medeplichtigheid aan wat er op het scherm gebeurt. De film opent met twee mannen die praten over spelletjes, waarbij een van hen benadrukt dat een spel nooit slechts spel is. Daarna zien we een shot van bioscooppubliek, van ons dus. In de trage scènes die volgen wordt ontzettend veel nadruk gelegd op kijken. In vrijwel elke scène wordt de blik gevangen van een voyeur. Wanneer een man in een taxi telefoneert, zien we de chauffeur hem via zijn achteruitkijkspiegel observeren. Wanneer de man vervolgens met een vrouw flirt in de hotelbar, zien we hoe de andere hotelgasten het tafereel zijdelings gadeslaan. En wanneer de man en vrouw in een hotelkamer belanden, hangt daar een enorm schilderij van kijkende mensen.

Wanneer de toon van de film omslaat en de vrouw (natuurlijk de vrouw) na haar onenightstand opgejaagd wordt, laat Dhogs ons (ik zal niet verklappen hoe) nadenken over de vraag of wij als filmkijker (en ultieme voyeurs) niet een verantwoordelijkheid hebben tegenover de handelingen op het scherm. Is ons verlangen naar geweld in films onschuldig? Of is er een weerslag in de realiteit? De invloed van geweld in films en ook computerspelletjes is geregeld onderwerp van discussie. Stanley Kubrick werd op zijn verantwoordelijkheid aangesproken toen een aantal jongeren zich door diens A Clockwork Orange lieten ‘inspireren’. En na de dodelijke schietpartij op Columbine High School werd direct gewezen naar de gewelddadige computerspelletjes die de twee daders speelden. Maar andersom kun je ook zeggen dat juist het geweld in films en games een manier is om met onze angst ervoor om te gaan. Zoals Sobchack schrijft: “to know violence is to be temporarily safe from the fear of it.”

Maar hoewel voor Sobchack persoonlijk (en ik deel dat) geweld in films altijd moeilijk te verdragen is, erkent zij uiteraard ook dat het vaak entertainment is. Een belangrijke factor daarin is de stilering van geweld, die de doodsangst omzet in iets esthetisch en daarmee minder bedreigends en die we op Imagine onder meer zien in Let the Corpses Tan van het Franse regisseursduo Hélène Cattet en Bruno Forzani, die eerder de giallo herinterpreteerden in onder meer Amer. Met deze film verruilen ze de giallo voor grindhouse, maar wat is gebleven is de hyperstilering van geweld die de giallo zo kenmerkt. Let the Corpes Tan culmineert in een reeks shoot-outs en de manier waarop die gechoreografeerd zijn en in beeld worden gebracht doet, net als bijvoorbeeld Ben Wheatley’s Free Fire, denken aan ballet.

Dat vuurwapens lang domineerden als weapon of choice van helden in films, heeft verschillende redenen, maar een factor zou kunnen zijn dat vuurwapens letterlijk en figuurlijk de afstand tot het slachtoffer vergroten en het daardoor relatief makkelijker is om van het geweld te genieten als toeschouwer. Maar wat opvalt aan films als Free Fire en Let the Corpses Tan is dat ze juist ook veel nadruk leggen op de impact van de kogels; de wonden, het bloed. Waar Sobchack in 2000 nog waarnam dat pijn uit het beeld aan het verdwijnen was ten faveure van amusement, daar is pijn (kijk ook naar de films van Quentin Tarantino) juist weer volop in beeld en deel geworden van het entertainment.

Stilering vinden we ook terug in het tevens Franse Revenge van Coralie Fargeat. De film valt in een subgenre waar zo lang mannen het patent op hadden: de rape-revenge thriller. Fargeat knipoogt rijkelijk naar de – vaak problematische – klassiekers in het genre: haar hoofdpersonage heet Jen, verwijzend naar Jennifer uit I Spit on Your Grave. En de wijze waarop de mannen haar schaarsgekleedheid als uitnodiging opvatten haar te gebruiken en weg te werpen doet denken aan Hannie Caulder, als ook de wijze waarop Jen weigert haar kledingkeuze daarom aan te passen. Zelfs goedbedoeld zijn door mannen geregisseerde rape-revenge films vrijwel altijd problematisch, omdat de verkrachting slechts een katalysator is voor wat ook nog eens vaak een mannelijke fantasie is.

Juist daarom is het interessant dat Fargeat een hoop van de genreclichés in stand houdt (en ook niet al het problematische aan het genre elimineert) en er hier en daar een interessante ondermijning tussen plaatst. Wanneer Jen haar belagers te lijf gaat, gaat dat gepaard met enorme hoeveelheden bloed. En die grote nadruk op bloed doet nadenken over het verschil in betekenis ervan bij mannen en vrouwen. Het raakt aan het in de psychoanalyse gewortelde idee van abjectie en the monstrous feminine waar respectievelijk Julia Kristeva en Barbara Creed over geschreven hebben. Het idee dat de man de vrouw wil zien als puur en rein en elke contaminatie daarvan (dus ook volstrekt natuurlijke dingen als menstruatie of geboorte) beschouwt als monsterlijk. Fargeat speelt met dat idee. Niet door de vrouw te ontzien, maar door de mannen te laten bloeden.

Tegenover de vrouwelijke invalshoek van Revenge staat de hypermasculiniteit in Brawl in Cell Block 99, waarin een veroordeelde drugskoerier op bijna Dantiaanse wijze afdaalt in de hel van het gevangeniswezen. In haar essay schrijft Sobchack ook over mannelijkheid en het veranderende idee daarvan. Als gevolg van technologische ontwikkelingen, schrijft ze, is fysieke kracht steeds minder belangrijk. En dat is iets waar vooral de man onder lijdt. Althans, de man die zijn gevoel van mannelijkheid verbindt aan dat fysieke, macho idee van masculiniteit. Sobchack ziet een verband tussen dat verdwijnende manbeeld en de hoeveelheid geweld in films. Een avondje naar snoeihard geweld kijken als een soort beschaafde variant op rellen bij een voetbalwedstrijd.

Misschien wat kort door de bocht, maar wie de films van S. Craig Zahler op een rijtje zet, ziet wel interessante parallellen. Brawl is de tweede film die hij regisseerde (en ook de tweede die 134 minuten duurt, maar dat terzijde) en wat opvalt is dat beide films zijn gesitueerd in een omgeving waar technologie een minimale rol speelt. In Bone Tomahawk was die omgeving het Amerika van eind negentiende eeuw en hier is het een gevangenis. En in beide films zien we mannen die worden teruggeworpen op of geconfronteerd met hypermasculiniteit. Het grootste deel van de films bestaat uit het etaleren daarvan, uit mannen die met weinig woorden en bruut geweld elkaar te lijf gaan. De kannibalen in Bone Tomahawk zijn er zelfs een soort grotesk uiterste van: pure fysieke kracht, ‘spreken’ doen ze alleen in door merg en been snijdende uithalen. Maar bij beide films kun je je ook wel degelijk afvragen of die hypermasculiniteit nu een oplossing biedt. En of ze niet juist ook het failliet ervan tonen.

 

  • Sobchack, Vivian. ‘The Violent Dance: A Personal Memoir of Death in the Movies’. In: Stephen Prince (ed.) Screening Violence. Rutgers: The State University, 2000.
Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken