Nu aan het lezen:

IDFA – verslag 2

IDFA – verslag 2

Moet journalistiek altijd objectief zijn? Is dat mogelijk? Wenselijk? Peshmerga, waarin de Franse intellectueel Bernard-Henri Lévy langs de frontlinie van de strijd tegen IS reist, is geen objectieve film. Het is een ode aan de Peshmerga, de Koerdische strijdkrachten die op de grond de voornaamste tegenpartij vormen van IS. Lévy, immer gekleed in kreukloos Dior-maatpak, portretteert de Peshmerga en hun leiders als onzelfzuchtig en heldhaftig. Het is een tikje romantiserend en Lévy’s voice-over had hier daar wat ingeperkt mogen worden, maar het maakt Peshmerga niet minder belangwekkend.

https://www.youtube.com/watch?v=k2SCmEQYKh8

Want deze documentaire maakt een oorlog zichtbaar die zich voor een groot deel buiten ons gezichtsveld voltrekt. Wat eigenlijk vreemd is, aangezien het een strijd is die ons direct aangaat. IS heeft immers gruwelijke aanslagen gepleegd in Europa, is er medeverantwoordelijk voor dat onze onderbuiken ons met steeds meer succes bespelen. De documentaire roept daarmee de vraag op waarom dit buiten ons zichtveld blijft. Zoals ik me er eigenlijk al jaren over verbaas dat uitgerekend in deze tijd dit soort conflicten alleen maar onzichtbaarder lijken te worden. In zijn nieuwste documentaire HyperNormalisation stelt Adam Curtis dat de complexe werkelijkheid aan ons zicht wordt onttrokken door een versimpelde versie die overheden, bedrijven en media ons voorspiegelen. Ik vrees dat  hij een punt heeft.

Met The Missing Picture maakte Rithy Panh een van de mooiste documentaires uit 2013. Middels kleifiguren verbeeldde hij zijn kindertijd, die eigenlijk geen kindertijd was onder de schaduw van de tirannie van de Rode Khmer. Het regime ontnam hem zijn familie en joeg hem op de vlucht naar Thailand. Ook in zijn nieuwste film is die donkere periode uit de Cambodjaanse geschiedenis leidraad, maar Exile is een stuk minder toegankelijk. Het is een soms ondoordringbare labyrint van symboliek en poëzie die zich eigenlijk in één kijkbeurt niet laat vatten. Een associatief en abstract essay over ballingschap en revolutie en de noodzaak de knagende honger te stillen.

https://www.youtube.com/watch?v=bhUgsICOTbY

De complexe ideeën die worden gepresenteerd in de voice-over vergen van de kijker een concentratie die tegelijk wordt ondermijnd door het meditatieve ritme en de dromerige beelden. Dat lijkt een bewuste keuze; Panh wil het de kijker niet makkelijk maken en dat is hem zijn goed recht. Het grootste deel van de film bevinden we ons in een hut met een man. Hij slaapt, bereidt voedsel; ratten, slakken. In die hut verschijnen en verdwijnen constant voorwerpen. Een bureau met een telefoon, een kast met wat boeken. Maar ook wolken van watten, een maan, borden met rijst en foto’s. Verbeeldingen van dromen en herinneringen. Relieken van wie hij ooit was of van de mensen die hij geweest had kunnen zijn.

God Knows Where I Am vertelt het bizarre verhaal van Linda Bishop, die de laatste maanden van haar leven doorbracht in een onbewoonde boerderij, zich slechts voedend met appels en toen die op waren verse sneeuw. De documentaire van de broers Jedd en Todd Wider, die eerder documentaires produceerden en hiermee hun regiedebuut maken, begint met de vondst van het lichaam en onderzoekt vanaf daar hoe het leven van deze vrouw zo tragisch kon eindigen. Door antwoorden te zoeken bij haar zus, dochter en vrienden. Maar vooral ook aan de hand van stemmige shots van het interieur van het huis en fragmenten uit het dagboek dat Bishop bijhield, waarin ze precies bijhield hoeveel appels ze nog had en mijmerde over ene Steve die haar op de eerste dag van Advent zou komen halen.

Maar God Knows Where I Am is ook een aanklacht tegen het Amerikaanse zorgsysteem, wat zo vaak tekort schiet bij psychische problemen. Bishop leed aan schizofrenie en psychoses en zat gevangen in de paradox van haar ziekte die haar ervan overtuigde dat ze niet ziek was. Ronduit schokkend is dat Bishop uit een psychiatrische instelling werd ontslagen zonder dat de familie op de hoogte werd gesteld en met een rapport dat onderkende dat Bishop aan wanen leed en waarschijnlijk opnieuw in aanraking zou komen met justitie. Vanuit het huis waar ze haar laatste maanden doorbracht zien we zo nu en dan een shot van het huis van de buren. Slechts een paar honderd meter verderop. Het is een pijnlijke herinnering aan hoe makkelijk een mens kan verdwijnen in onzichtbaarheid, zelfs als anderen nabij zijn.

In de jaren tachtig maakte journalist Jean Carper voor de CNN een item over de ziekte van Alzheimer, een toen nog vrijwel onbekende naam voor wat daarvoor simpelweg seniliteit heette. Wetenschappers verwachtten een geneesmiddel te vinden binnen tien jaar. Of zelfs nog sneller. Inmiddels zelf in de tachtig debuteert Carper met Monster in the Mind als filmmaker. Want die onbeduidende ziekte is uitgegroeid tot een van de grootste monsters van onze tijd. Of zoals Carper het illustreert: droomde ze vroeger nog van dokter Frankenstein, tegenwoordig droomt ze van dokter Alzheimer.

Monster in the Mind gaat vooral ook over die angst en de vraag in hoeverre die ergens op gebaseerd is. Carper herkent de angst bij zichzelf, maar is ook nuchter genoeg om te beseffen dat ze die niet blindelings moet volgen. Ze benadert het onderwerp met een nieuwsgierigheid en vitaliteit die ontzettend aanstekelijk is. Het verwondert ook niet dat ze veel van de meest vooraanstaande onderzoekers voor de camera krijgt. Zelf noemt ze zich grappend een Alzheimer-experts-groupie. Die experts bagatelliseren de ernst van Alzheimer niet, maar doorprikken wel wat mythes en onheilsprofetieën en een aantal benadrukt dat we ons brein tot op zekere hoogte weerbaar kunnen maken. Door geheugentraining en, vooral, lichaamsbeweging. Ik ga maar even een rondje wandelen.

Houd Cine in de gaten voor meer artikelen over het IDFA

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken