Nu aan het lezen:

IDFA – verslag 1

IDFA – verslag 1

Afgelopen woensdag is voor de 29e keer het IDFA van start gegaan. In de komende tien dagen zullen zo’n 200.000 bezoekers het grootste documentairefestival ter wereld bezoeken. The Guardian schreef een paar dagen geleden nog dat we leven in “the golden age of documentaries.” Met marathondocumentaires als Making a Murderer en OJ: Made in America is de documentaire het bingewatching–tijdperk binnengetreden en de laatste jaren wordt steeds vaker (en met veel succes) door documentairemakers geëxperimenteerd met vorm (denk aan The Act of Killing van Joshua Oppenheimer) en met de grens tussen feit en fictie (denk aan Stories we Tell van Sarah Polley).

Een documentaire die naadloos in die ontwikkeling past is Houston, We Have a Problem! van Boštjan en Źiga Virc. De film vertelt het wonderlijke verhaal van het Joegoslavische ruimtevaartprogramma dat in 1961 werd gekocht door de Amerikanen voor miljoenen dollars. Het is een verhaal dat zowel in de grote lijnen als in de details verbaast. Zo vertelt een medewerker van de geheime dienst dat ze na de succesvolle verscheping van het ruimteprogramma via Marokko allemaal een pistool kregen van generaal Tito, toenmalig leider van Joegoslavië. Het klinkt allemaal te fantastisch om waar te zijn. En dat is het voor een groot deel ook.

Eigenlijk zegt filosoof Slavoj Žižek dat aan het begin van de film al met zoveel woorden en toch gaan we mee in deze krankzinnige geschiedenisles, die op vakkundige wijze wordt opgediend, gelardeerd met archiefbeelden, historici en een oude man in een rolstoel die in de jaren zestig door Tito naar Amerika werd gestuurd. In zijn thuisland werd zijn dood in scène gezet om dat te verbergen. Nu wordt hij voor het eerst met zijn dochter herenigd. Zo gaat Houston, We Have a Problem! dus eigenlijk niet over geschiedenis, maar over het gemak waarmee we geloven. Of je zou ook kunnen zeggen: ons falen om sceptisch te zijn. En onder alle bizarriteit zegt de film wel degelijk iets over de wereld en verhoudingen daarbinnen tijdens de roerige jaren zestig.

We blijven even bij ruimte-ambities. Toen Vice in 2012 Copenhagen Suborbitals bezocht was het nog de werkelijk geworden jongensdroom. De oprichters: Peter Madsen en Kristian von Bengtson. De missie: een betaalbare raket bouwen die, bemand, de ruimte ingestuurd kon worden. In de Deense documentaire Amateurs in Space van Max Kester zien we hoe die jongensdroom over een periode van vijf jaar scheuren begint te vertonen en langzaam afbrokkelt. Maar eerst is er die droom. Madsen en Von Bengtson wilden bewijzen dat iedereen de ruimte in kan, wat natuurlijk relatief is. Ze zijn afhankelijk van giften en crowdfunding en van de kennis die ze zelf hebben en rond zich verzamelen. Maar dat ze in alle opzichten ver verwijderd zijn van de miljarden van bijvoorbeeld NASA moge duidelijk zijn. Ze halen hun materialen bij de bouwmarkt om de hoek en de Ikea. Er zit zelfs een haarföhn in de raket verwerkt.

Het is allemaal ontzettend charmant, maar je voelt dat het onhoudbaar is. Naarmate het project groeit, ontstaat er ook meer professionalisme en dat staat Peter tegen. Hij ziet zichzelf als een ultieme amateur en voor hem is het niet meer dan logisch dat hij al zijn tijd aan de raket besteedt. Een scheiding tussen werk en privéleven bestaat voor hem niet. Dat is anders voor Kristian, die thuis een gezin heeft en waarde hecht aan het concept weekend. Zo loopt een droom die zelfs de grootste stoïcijn enthousiast maakt, stuk op uiteindelijk vrij banale onenigheden. En dat stemt toch droevig.

Van toekomstdromen naar een uitgestrekt en vervagend verleden. In het ingetogen A Young Girl in Her Nineties zien we choreograaf Thierry Thieû Niang op bezoek gaan bij de geriatrische afdeling van een Frans ziekenhuis. Hij zet muziek op en danst en nodigt de (voornamelijk Alzheimer-)patiënten uit hem daarbij te vergezellen. Zoals de 92-jarige Blanche, die in de armen van de charismatische choreograaf een levenslust hervindt die ze allang verloren leek. Plotseling breekt door die oude, wat afwezige blik een flirterige glinstering.

Het is mooi om te zien en ontroerend en de zeer observerende en toch intieme benadering van regisseurs Valeria Bruni Tedeschi (die we vooral kennen als actrice uit onder meer 5×2 en La Seconda Volta) en Yann Coridian sluit daar mooi op aan. De gesprekken tussen Niang en de oude vrouwen zijn melancholisch en regelmatig ook geestig. Het is fascinerend om te zien hoe zijn komst de dynamiek tussen de vrouwen verandert. We zien jaloezie ontstaan, sporen van verliefdheid en aandachttrekkerij. Vooral bij Blanche die, wanneer Niang haar vraagt hoe oud ze is, twintig antwoordt. Wat in haar beleving op dat moment wellicht de waarheid is.

Grappen over Hitler en nazi’s: geen probleem, maar grappen over de concentratiekampen: dat gaat te ver. Of niet? Het is een vraag die de documentaire The Last Laugh onderzoekt, aan de hand van talloze fragmenten en een trits aan komieken met een joodse achtergrond, van Sarah Silverman tot Mel Brooks. Het gaat uiteraard over Roberto Begnini’s Oscarwinnende La Vita e Bella, die ook hier de meningen verdeelt. En over Jerry Lewis’ legendarische The Day the Clown Cried. Legendarisch omdat slechts een handvol mensen de film, waarin Lewis een clown speelt die in een kamp voor Duitse politiek gevangenen en uiteindelijk zelfs Auschwitz terechtkomt, ooit zag.

Wat eigenlijk de voornaamste conclusie is na het zien van The Last Laugh is dat er eigenlijk nergens consensus over bestaat. Niet over de vraag wat grappig is, niet over de vraag of humor grenzen kent, niet over de vraag wie eigenlijk grappen mag maken over Hitler en zijn gruweldaden en wie dat dan grappig mag vinden. Interessant zijn de scènes waarin we met Renee Firestone, de enige van haar familie die Auschwitz overleefde, meekijken naar een aantal komische sketches. Als toeschouwer hebben we plots het gevoel dat we haar permissie nodig hebben. Alsof het pas oké is om het grappig te vinden als zij het ook grappig vind. Haar blik als overlevende en niet-komiek is essentieel voor de film. Het houdt ons ervan bewust dat discussies over humor niet vrijblijvend zijn. Nee, humor mag niet gecensureerd, maar dat betekent niet dat we hoeven te vergeten dat er soms achter die humor enorm veel pijn en verdriet zit. Om te eindigen met het citaat waar de film mee opent: “Whoever has cried enough, laughs.”

“My feeling is that we are sitting on a time-bomb”, zegt Khalo Matabane aan het einde van zijn documentaire A Letter to Nelson Mandela. Zijn film kwam uit vlak na de dood van Mandela, die in zijn laatste jaren als mens eigenlijk volstrekt was verdwenen achter het symbool dat hij was. Het idee dat hij representeerde. Maar tegelijk was het wonder van Mandela langzaam aan het uitwerken en begon de realiteit dat er in Zuid-Afrika nog altijd grote ongelijkheid heerst, dat er nog geen sprake is van gelijke kansen en economische vrijheid, steeds meer wortel te schieten. Het land dat als schoolvoorbeeld dient van verzoening en vergiffenis, balanceert wellicht op een veel onstabielere grond dan we dachten, vermoedt Matabane.

Die conclusie is eigenlijk waar hij zijn documentaire had moeten beginnen. Want wat betekent dat? Voor hoe we naar de geschiedenis kijken van Apartheid en de rol van Mandela . En uiteraard naar de toekomst. Veel van die vragen kunnen we wel vinden in A Letter to Nelson Mandela, maar het zijn vragen waar op gestuit wordt, zonder dat er vervolgens echt diep wordt doorgegraven. De documentaire is opgezet als een open brief aan Mandela, maar te vaak wordt de persoonlijke urgentie en reflectie even op de zijlijn gezet ten faveure van het aanstippen van de bekende momenten in de geschiedenis. Terwijl het juist zou moeten gaan over die soms ongemakkelijke, maar wel belangrijke vragen. Naar wat verzoening eigenlijk betekent en of zoiets echt mogelijk is.

Houd Cine in de gaten voor meer artikelen over het IDFA

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken