Nu aan het lezen:

IDFA 2018: Nationalisme

IDFA 2018: Nationalisme

 

Het nationalisme rukt op en dat is ook documentairemakers niet ontgaan. In dit verslag vier films waarin nationalisme en hier en daar zelfs contouren van fascisme onder de loep worden genomen.  

Victory Day is Sergej Loznitsa’s verslaglegging van de Russische Dag van de Overwinning, waarop het verslaan van nazi-Duitsland wordt gevierd. In het Berlijnse Treptower Park komen mensen uit voormalige Sovjet-landen samen bij het Sowjetisches Ehrenmal, waar de gevallen soldaten van Het Rode Leger worden geëerd. Aan de oppervlakte lijkt Victory Day een simpele observatie van een volksfeest, maar de film vereist een vertaalslag om te begrijpen wat de beelden van Loznitsa werkelijk vertellen. Die vertaalslag zit in het lezen van de symbolen en vlaggen die de bezoekers bij zich hebben, de kleding die ze dragen. Zo is er de nadrukkelijke aanwezigheid van de Russische motorclub Nochnye Volki (nachtwolven). Deze motorclub bewondert Stalin, heeft banden met Poetin en had een rol in het annexeren van de Krim. En ook in het zo onschuldig lijkende zingen en dansen van volksliedjes zit een diepere betekenis. Hier wordt niet simpelweg de overwinning van destijds gevierd, maar ook openlijk gezwolgen in en terugverlangd naar de tijd van de Sovjet-Unie. Niks daarvan wordt verteld in de film, wat maakt dat Victory Day voor de één een gesloten boek zal blijven en voor de ander een onthullend portret.

De Slowaakse Peter Švrček is een welbespraakte, tikje nerderige en net afgestudeerde twintiger. Peter Švrček is ook de charismatische leider van een groep paramilitairen. Met When the War Comes levert Jan Gebert een beangstigend portret af van deze jongeman. De groep die hij leidt is als een blauwdruk van het ontstaan van een fascistische samenleving. Geleidelijk worden alle sporen van democratie uit de organisatie gewist. Švrček besluit eigenhandig dat het beter is als hij en zijn beste vrienden in de hoogste posities permanent worden aangesteld. Is veel praktischer en die verkiezingen zijn een wassen neus, want hij wint toch wel. Zijn vrienden knikken instemmend. De rekruten krijgen een nummer en de oefeningen in de bossen worden steeds serieuzer. Wat eerst nog lijkt op relatief onschuldig rollenspel krijgt steeds meer kenmerken van militaire trainingen, inclusief de vernedering die daar zo vaak intrinsiek mee verbonden is.

Ondertussen groeit hun bestaansrecht ook buiten die bossen. Lokale festivals huren hen in als beveiligers en op scholen mogen ze komen vertellen hoe belangrijk vaderlandsliefde is en de bereidheid je te willen offeren voor de natie. Wat When the War Comes misschien nog wel verontrustender maakt, is dat Gebert en daarmee de documentaire nooit uit het oog verliest hoe jong Švrček en zijn kompanen nog zijn. Ontstellend zijn juist de momenten waarin ze plots even uit hun ‘rol’ vallen en we zien dat het eigenlijk nog maar kinderen zijn die op een jongensachtige manier kicken op deze doorgeschoten versie van oorlogje spelen. Aan het einde van de film kondigt Švrček aan dat hij de politiek ingaat. En dat lijkt helaas helemaal geen absurd idee.

Nog zo’n griezelig portret is Errol Morris’ American Dharma, over Steve Bannon. Net als in documentaires als The Fog of War (over Robert McNamara) en The Unknown Known (over Donald Rumsfeld) laat hij zijn subject uitgebreid aan het woord. Het kwam hem op kritiek te staan. Hij zou Bannon te veel vrij baan geven en te weinig kritische vragen stellen. Maar juist door Bannon de ruimte te geven openbaart zich van alles. Zo valt op hoe consequent Bannons spreken doorspekt is van oorlogsvocabulaire. Zoals hij het vaak heeft over ‘trenches’ en ‘weaponizing’. Steeds in overdrachtelijk zin, maar juist dat maakt het zo venijnig. Fascinerend is ook hoe hij reageert op het tegengas dat Morris wel degelijk zo nu en dan geeft. Zoals wanneer hij Bannon voor de voeten werpt dat Trumps beleid toch haaks staat op de liefde voor de arbeidersklasse die Bannon immer predikt. Bannon zwijgt even en vraag dan: ‘Waarom?’ Een overbodige vraag, want Morris heeft dat al uitgelegd, maar toch trapt hij in de val en legt het opnieuw uit. Waarmee hij zichzelf de persoon maakt die iets te verklaren heeft in plaats van Bannon en zo plots zijn overwicht kwijt is.

Morris beschouwt Bannon als een Jekyll en Hyde-achtig figuur. Iemand met twee gezichten. Hij is in interviews iemand die rustig en welbespraakt zijn analyse op de wereld geeft en met diezelfde kalmte betoogt dat totale destructie nodig is. American Dharma bewijst dat Bannon een intelligente man is die heel goed begrijpt hoe politiek werkt en tegelijk feilloze voelsprieten heeft voor wat mensen willen horen. Dat is wat de documentaire de kijker dwingt onder ogen te zien. Want voor Morris is dat de kern van wat hem gevaarlijk maakt. Wanneer Morris vertelt dat zijn zoon kwaad op hem was omdat hij in de voorverkiezingen op Clinton stemde en niet op Bernie Sanders vraagt Bannon (gespeeld) verontwaardigd hoe hij dat kon doen. ‘Because I was afraid of you guys’, antwoordt Morris. ‘I still am.’

Angst is ook een grote factor in Hungary 2018 van Eszter Hajdu. Zij volgt daarin de campagne van oud-premier Ferenc Gyurcsány tijdens de meest recente verkiezingen in Hongarije. Gyurcsány hoopt dat de oppositie erin zal slagen de regeerperiode van Viktor Orbán te beëindigen. Het is een ongelijke strijd. Orbán en zijn partij Fidesz controleren de media, hebben veel meer geld te besteden en het kiessysteem werkt in hun voordeel. Maar vooral houdt Orbán de kiezers in de greep met angst voor wat Gyurcsány schamper de ‘heilige drie-eenheid’ van vijanden noemt: zakenman George Soros, Brussel en migranten. Schaamteloos zuigen ze doembeelden uit hun duim. In Zweden verven vrouwen massaal hun haar donker omdat ze bang zijn te worden verkracht door migranten. En in Groot-Brittannië worden kinderen en masse door hun ouders naar klinieken gebracht voor geslachtsoperaties.

‘Oorlogspsychose’ is het woord dat Gyurcsány gebruikt voor wat Orbán aanwakkert. In de Doc Talk na afloop vertelt hij dat wanneer hij op campagnebijeenkomsten wilde praten over dingen als zorgkosten of het onderwijs de aandacht meteen verslapte. De reële problemen van de Hongaren zijn verdrukt door de angst voor abstracte en illusionaire gevaren. Dat is ook wat we in de documentaire terugzien. Gyurcsány’s vechtlust is aanstekelijk, maar we zien hoe hij telkens stukloopt op die muur van oorlogsretoriek. Gyurcsány is strijdbaar, nog steeds. Hij blijft ervan overtuigd dat dit niet de ware aard is van de Hongaren en herhaalt het in de Doc Talk nog maar eens, elk woord nadrukkelijk uitsprekend: ‘Orbán will lose power.’ Maar voor nu kruipt het land nog steeds vervaarlijk dicht richting een fascistische staat. Zoals Gyurcsány in de documentaire opmerkt: ‘een dictatorschap wordt gebouwd achter de schermen van de democratie.’

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken