Als ik aan rebellie denk, denk ik in eerste instantie aan de jeugd. Aan anarchistische punkers en onhandelbare kinderen. Aan een verzet tegen alles dat establishment is. Waarmee de rebellie van de jeugd ook een spiegel is van de samenleving, van het paradigma waartegen men zich afzet. Maar ik denk ook aan het verzet tegen volwassenwording, de weigering van een kind om op te groeien en de eigen verbeelding achter te laten. In dit lijstje daarom acht films waarin kinderen en jongeren centraal staan die elk op eigen wijze rebelleren.

 

Out of the Blue (Dennis Hopper, 1980)

Linda Manz heeft slechts in een handjevol films gespeeld, maar of het nu haar debuut is in Terrence Malicks Days of Heaven als het zusje van Richard Gere’s personage, of haar rol als maffe moeder in Harmony Korine’s Gummo, ze drukt altijd een stempel. Haar gezicht is eindeloos fascinerend, heeft tegelijk iets onaantastbaars en kwetsbaars. En dat maakt haar ideaal voor de rol van androgyne punktiener in deze film. Hopper had na een klapper (Easy Rider) en een flop (The Last Movie) het regisseren achter zich gelaten, maar nam die taak toch op zich toen de film na amper twee weken zonder regisseur kwam te zitten. Gelukkig maar, want Easy Rider mag dan zijn onbetwiste klassieker zijn, Out of the Blue is zijn beste film.

Qing shao nian nuo zha (Tsai Ming-liang, 1992)

Zoals zo vaak vindt de rebellie in deze film van Tsai zijn oorsprong in lethargie. De film verwijst onder meer in de titel naar Nezha, een god uit de Chinese mythologie, die vaak wordt afgebeeld als jongere en volgens de overdracht zijn vader wil vermoorden. Rebels of the Neon God (zoals de internationale titel luidt) volgt twee jongens in Taipei. Ze jatten geld uit telefooncellen, rijden rond op hun motoren en hangen rond in speelhallen. Elders in de stad ontmoeten we Hsiao Kang, een thuiswonende student die een moeizame relatie heeft met zijn ouders. De levens van deze jongeren raken op ramkoers, maar dat gebeurt met een meditatief ritme dat Tsai in zijn latere films verder zou uitbouwen.

Kid (Fien Troch, 2012)

Deze maand verschijnt Home in de Nederlandse bioscopen en het lijkt erop dat Fien Troch daarmee haar publiek weer een tikje kan uitbreiden. Dat mag ook wel, want deze Vlaamse filmmaakster maakt al een aantal jaar consistent interessante films. Kid gaat over een negenjarige jongen wiens vader afwezig is en moeder uit beeld verdwijnt. Samen met zijn broer Billy komt hij in huis bij zijn oom en tante, maar daar kan hij niet aarden. Ondanks een aantal erg grappige momenten zoemt onder de hele film een toon van onheil. Dat de opstandigheid van Kid weleens een destructieve laag kan hebben, voelen we al vanaf het begin. In de warme, zomerse kleuren van het zacht wuivende gras broeit een constante dreiging.

Seishun zankoku monogatari (Nagisa Ōshima, 1960)

Eigenlijk is wat we zien in Ōshima’s film de negatie van rebellie. Waar we aanvankelijk nog kunnen denken dat het gedrag van deze Japanse jeugd gericht is tegen de samenleving, ontdekken we meer en meer dat het er een product van is. Omringd door geweld en de onverbiddelijk dwingende rol van geld weten ze niet anders dan dat een lichaam klappen opvangt of verkoopt, dat seks en geweld zich nauwelijks laten onderscheiden en dat een relatie pas de moeite waard is als er aan te verdienen valt. Prachtig is hoe Ōshima die gruwelijke conclusie contrasteert met de zachte kleuren en bloemetjesmotieven waar de jongeren zich in hullen. En hoe hij subtiel, maar consequent hun kwetsbaarheid benadrukt.

Made in Britain (Alan Clarke, 1982)

Alleen al de moeite waard voor het explosieve speelfilmdebuut van Tim Roth. Hij speelt Trevor, een opvliegende skinhead die naar een jeugdinstelling wordt gestuurd. Zijn intelligentie maakt dat zijn begeleider hem niet snel wil opgeven, maar ook dat hij doorziet dat zij hem niets kunnen bieden. Dat Groot-Brittannië zo’n fel anarchistische punkbeweging voortbracht is geen toeval. Het dwingende klassensysteem en het Thatcherisme onderdrukten de kansen van veel jongeren en gaven hen veel munitie om zich af te zetten. Clarke richtte zich vaker op de zelfkant van de maatschappij (kijk vooral ook Scum en Road en eigenlijk alles waar je de hand op kan leggen). Hij doet dat compromisloos, maar ook met een compassie die nooit moralistisch voelt.

Over the Edge (Jonathan Kaplan, 1979)

Nog een speelfilmdebuut, ditmaal van Matt Dillon. Hij speelt de rebelse Richie, de slechte invloed op hoofdpersonage Carl (Michael Kramer). Scenaristen Charles Haas en Tim Hunter baseerden zich op een krantenartikel over de golf van jeugdcriminaliteit in een Californische middenklassewijk. In Over the Edge zien we zo’n wijk, opgetrokken met veel oog voor projectontwikkelaars, maar een blinde vlek voor de jeugdpopulatie. Het duurt niet lang voor de verveling inzet en die leidt, in combinatie met een warme zomer en niet-luisterende ouders, tot destructie. De energie van de film is aanstekelijk. Zo aanstekelijk dat de film al snel uit de bioscopen werd gehaald, omdat men kopieergedrag vreesde. Het veroordeelde Over the Edge tot een vergetelheid die de film allesbehalve verdient.

¿Quién puede matar a un niño? (Narciso Ibáñez Serrador, 1976)

De eerste zeven minuten geven een gruwelijk confronterend antwoord op de vraag in de titel. Kinderen, zo wordt ons fijntjes duidelijk gemaakt, zijn structureel slachtoffer van oorlogen die door volwassenen worden ontketend. Dat ze een keer zullen terugslaan lijkt evident en ook begrijpelijk. Al ligt het complexer. Want deze Spaanse horrorfilm biedt geen eenduidige antwoorden. Serrador gebruikt een blauwdruk die we kennen van bijvoorbeeld zombiefilms, maar vervangt de ontmenselijkte monsters door kinderen, waarmee een ethisch conflict ontstaat. Want kwaadaardig of niet, wat doe je als je oog in oog met een kind staat, een geweer in je hand?  Ben je in staat de trekker over te halen? En kun je daarna nog doorleven?

Celia (Ann Turner, 1989)

In de jaren vijftig trachtte Australië het al decennialange hoge aantal konijnen te drukken door hen massaal te infecteren met het myxoma-virus. De daarop volgende uitbraak van myxomatosis verkleinde de konijnenpopulatie van 600 naar 100 miljoen. In die jaren groeit Celia op, die niets liever wil dan een eigen konijn. Die frictie tussen de kinderlijke onschuld en de gruwel van de volwassenwereld staat centraal in de film en komt samen in de rijke fantasieën van de jonge Celia. De film werd in de markt gezet als horror en er zijn zeker een paar momenten die dat rechtvaardigen. Maar Celia is ook een politieke parabel en toch vooral een dromerige en tegelijk nietsontziende studie van een kindertijd die ruw in aanraking komt met volwassenheid en laat zien dat je daartegen wapenen gruwelijke consequenties kan hebben.

0 reacties

Geef een reactie

Annuleren