Nu aan het lezen:

Hoe duur was de suiker

Hoe duur was de suiker


Het geboorteland van mijn ouders laat zich niet makkelijk vastleggen. Hoe duur was de suiker, nu te zien op Netflix, doet een poging om zijn licht op een stukje gedeelde geschiedenis te laten schijnen.

Toen deze verfilming van het boek van Cynthia McLeod in 2013 in première ging, werd hij ontvangen met zowel lovende woorden als nuchtere kritiek, zoals het een grootschalige Nederlandse productie betaamt. Begrijpelijk: de film is esthetisch indrukwekkend, de cast schittert bij tijd en wijle, maar door de nadruk op soap-elementen laat het verhaal te wensen over. Sterker nog, tegen het einde van de film had ik het gevoel tegenover een stel vozende pubers in een overvolle treincoupé te zitten. Get a room. Je wil wel wegkijken maar het lukt niet.

De gemengde gevoelens over de film komen uit mijn onderbuik. Misschien ligt er ook een soort hoop aan ten grondslag. Als de Nederlands-Surinaamse geschiedenis wat bekender is, kan ik  eindelijk ontsnappen aan de momenten — neem een willekeurig feestje — waarop er wordt gevraagd: ‘hoe komt het toch dat je zo netjes Nederlands spreekt?’ en, ‘ben je geadopteerd?’ Het kan alsnog oer-Hollands gezellig worden, daar niet van, maar ik creëer liever mijn eigen pijnlijke stiltes. Laat mij maar opvallen door mijn ongemakkelijke danspasjes in plaats van mijn kleur.

Zonder gekheid, er zijn genoeg argumenten te bedenken om de koloniale geschiedenis een plek in de spotlights te geven. Alleen moet die geschiedenis natuurlijk wel aankomen. En dat is nou precies het probleem.

Het is niet dat het niet zichtbaar is, de gedeelde geschiedenis. Er zijn veel invloeden over en weer doorgesijpeld. Mijn witte medelanders eten veganistische roti, zitten op hiphop, African dance en salsa-les. Hebben patta’s aan. Het gekke is alleen dat het bewustzijn zich vaak tot het straatniveau beperkt. Zowel in de positieve als in de negatieve stereotypen. Gouden tanden die te luid bellen in de trein, daar hoor ik af en toe wat over. Dieper begrip — de vraag of de laatste fascistische stap van het Forum van Democratie om mijn IQ aan mijn kleur te verbinden ook iets met deze gedeelde geschiedenis te maken heeft — is zeldzamer. Dat dit soort aannames niet abnormaal waren voor de gemiddelde achttiende-eeuwse Nederlander, zien we in Hoe duur was de suiker.

Het verhaal wordt verteld door de tot slaaf gemaakte Mini-mini (Yootha Wong-Loi-Sing). Ze heeft dezelfde leeftijd en waarschijnlijk dezelfde vader als haar meesteres Sarith (Gaite Jansen), maar daar houdt de vergelijking zo’n beetje op. We zoomen in op het moment dat Sarith de huwbare leeftijd bereikt en het haar, ondanks haar schoonheid, niet lukt om aan de man te raken. Haar frustraties voeren de boventoon en Mini-mini krijgt de volle laag. Ondanks Sariths duidelijke verdorvenheid, blijft Mini-mini loyaal.

Dit verandert nadat Sarith trouwt met een plantagehouder, zwanger raakt van een ander, en Mini-mini met de planter en het kind achterlaat. Hoewel Mini-mini onontkoombaar afhankelijk is — ze ontworstelt zich uit de klauwen van haar meesteres om in de greep van haar liefde voor de planter te raken — lukt het haar toch om zich los te maken. De film eindigt met een notie van haar autonomie. Dit gaat samen met de ontwikkelingen in de kolonie. Hendrik (Maurits Delchot), de eerste liefde van Mini-mini, ontsnapt aan de slavernij, noemt zichzelf Caesar, en leidt de Marrons in de opstand tegen de plantagehouders.

In het schetsen van achtergronden slaagt de film. We krijgen een indruk van het extreme geweld waarmee slavernij gepaard gaat, en de verhouding tussen zwart en wit. De FvD-positie komt voorbij wanneer een slavenhouder vindt dat de planter zijn plek bovenaan de evolutieketen verloochent door zijn liefde voor Mini-mini. Haar loyaliteit wordt schrijnend neergezet en als de GTST-elementen het script niet hebben overgenomen, overtuigt Sarith ook. Vooral Caesar blijft bij, de opstandeling die zich niet aan de liefde en niet aan een verknipte maatschappij kan overgeven.

Er zijn bar weinig Nederlandse films die zich in de gekoloniseerde landen afspelen. En als een film niet terug kan grijpen op een traditie, moet hij nieuw terrein ontginnen. De zoektocht van het scenario is voelbaar. Het afwisselen van de Nederlandse en Surinaamse blik komt vaak geforceerd over. Dit komt vooral door de eenzijdigheid van de dominante vrouwelijke hoofdrol, Sarith, en het disproportionele soap-gehalte van haar dialogen. De ontwikkelingen van de personages verhouden zich in dit historische drama niet realistisch tot hun omgeving.

Eén typisch Nederlandse filmtraditie houdt regisseur Jean van de Velde in stand: de blote borsten vliegen je om de oren. Game of Thrones lijkt in dat opzicht het verlegen nichtje van Hoe duur was de suiker. Vooral in de huiselijke situaties waarin de slavinnen samen zijn met de plantersvrouwen valt het op. De kotomisi, traditionele Surinaamse klederdacht, is ontstaan omdat de Nederlandse plantersvrouwen de slavinnen liever bedekt zagen, zodat ze de mannen niet in verleiding zouden brengen. Vandaar de onflatteuze vorm. Wellicht ten overvloede: deze tactiek werkte niet. Het is een van de redenen dat er toch een vraag bij mij is blijven hangen: zou een soortgelijke film in 2018 nog met een witte, mannelijke regisseur worden gemaakt?

Desondanks staat het belang van de film voor mij buiten kijf. Het is een positieve ervaring om een grote productie te zien die zich grotendeels afspeelt in Suriname en gesproken is in Sranang Tongo (Surinaams). Conclusie is wel dat de ontwikkeling nog in zijn kinderschoenen staat.

Ik hoop dat het moment nog komt. Dat ik enthousiaster dan Trafassi kan uitpakken over een zinderende filmervaring, die beter beklijft dan je plakkende blouse als je in de verzengende hitte op Zanderij uit het vliegtuig bent gestapt.

Tja, je bent Woke en je wil wat.

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken