Nu aan het lezen:

Gene Hackman in Scarecrow en The Conversation

Gene Hackman in Scarecrow en The Conversation

 

In 1973 won Jerry Schatzberg’s Scarecrow de Gouden Palm op het filmfestival van Cannes. Een jaar later viel de eer te beurt aan Francis Ford Coppola’s The Conversation. Maar het zijn geen films over winnen. Het zijn films over verliezen. Met in de hoofdrol een man die dat ongeëvenaard mooi kan: Gene Hackman.

Filmtheoreticus Thomas Elsaesser schreef dat het openingsshot van een film vaak het verhaal in een notendop vertelt. Scarecrow opent met een shot van een glooiend veld met op de voorgrond een hek van prikkeldraad. Een man komt aanlopen vanuit de verte, een koffertas hangt over zijn schouder. Hij tracht tussen de draden van het hek door te stappen, maar komt vast te zitten. Daarna valt hij ook nog in een greppel. Het lot, of het toeval, brengt deze door Gene Hackman gespeelde Max samen met een man die zich voorstelt als Francis (Al Pacino) en zijn kleine postuur compenseert met charmante brutaliteit.

De twee liften naar een wegrestaurant waar Max boven de havermout, roerei en koffie zijn plan uit te doeken doet. Hij wil een autowasserij beginnen. In Pittsburgh, want daar heeft hij wat geldt in de bank. Hij vraagt Francis zijn zakenpartner te worden. Die stemt in, maar vraagt wel of ze onderweg langs Detroit kunnen gaan, want daar heeft hij een kind. Of het een jongen of meisje is weet hij niet, dus heeft hij een lamp gekocht. “I figured a lamp would do fine either way.”

Hackman 4Scarecrow is een typisch Amerikaanse film. Over eenzelvige mannen die zich nooit kunnen vestigen omdat het werk altijd daar is waar jij net niet bent. En dus zijn ze onderweg. Ondanks dat in Max’ ogen zijn plan niet kan falen (“There’s always cars. And there’s always dirt”) voelen we al bij aanvang dat het geluk voor deze twee misfits niet is weggelegd. De film doet daarin denken aan het grimmigere Midnight Cowboy met Jon Voight en Dustin Hoffman.

Die laatste was goed bevriend met Hackman sinds de twee elkaar in de jaren vijftig ontmoetten in Californië, waar ze zich buitenbeentjes voelden tussen wat Hackman in een interview met Vanity Fair “walking surfboards” noemde. Ze trokken naar New York waar ze Robert Duvall ontmoetten en gedrieën struinden ze jarenlang audities af. Hackman was 34 toen hij zijn eerste filmrol speelde en brak drie jaar later door met zijn bijrol in Bonnie and Clyde, waarvoor hij een Oscarnominatie ontving. In de jaren zeventig vestigde hij definitief zijn status met rollen in Superman en uiteraard The French Connection, waarvoor hij zijn eerste Oscar won.

Hackman mag dan het onopmerkelijke voorkomen van een everyman hebben, zijn rollen zijn enorm divers. Kijk alleen al naar de (corrupte) agenten die hij speelde; van de zwetende, hypernerveuze Leo Holland in Cisco Pike, tot de keiharde, racistische Popeye Doyle in The French Connection en de paradoxale Rupert Anderson in Mississippi Burning. Wat op papier vergelijkbare rollen lijken, worden in de handen van Hackman unieke karakters met hun eigen driften en gebreken.

In het Vanity Fair-interview beschrijft Hackman hoe zijn vader hen verliet toen hij 13 was. Hij stak zijn hand op naar zijn op straat spelende zoon en vertrok. “It was so precise”, herinnert Hackman zich. “Maybe that’s why I became an actor. I doubt I would have become so sensitive to human behavior if that hadn’t happened to me as a child—if I hadn’t realized how much one small gesture can mean.” Dat besef is ook wat zijn acteren zo briljant maakt. Hackman’s begaafdheid zit in de nuance; in precies die kleine gebaren, de wijze waarop zijn stem niet over, maar naar binnen slaat als hij zijn stem verheft, in dat ingehouden en half-gemeende lachje waar het woord ‘chuckle’ voor lijkt te zijn uitgevonden.

Hackman 3In The Conversation is het één klemtoon die het verschil betekent tussen winnen en alles verliezen. De film opent met een shot van bijna drie minuten. We zien een plein vanuit de lucht en traag beweegt de camera dichterbij, zwenkt een tikje en begint een mimespeler te volgen die zwalkend over het pleintje beweegt, twee honden blaffen naar hem. Hij gaat naast een man staan en kopieert diens bewegingen. De man begint te lopen, de mimespeler volgt hem. De man draagt een grijze, semi-transparante regenjas in precies dezelfde kleur als de straatstenen. Hij lijkt bijna doorzichtig. Hij zou willen dat dat waar was.

Dat shot is nog maar het begin van de in totaal krap tien minuten durende openingsscène. Het is een van die unieke scènes in de filmgeschiedenis waaraan alles klopt: de regie van Francis Ford Coppola, de cinematografie van Haskell Wexler (die overigens niet veel later de productie verliet wegens meningsverschillen met Coppola) en niet te vergeten het geluidsontwerp van Walter Murch.

De film gaat over afluisterexpert Harry Caul die denkt een moordcomplot te ontwaren in de tapes. Hij besluit voor eens in zijn leven niet aan de zijlijn te blijven staan, met desastreuze gevolgen. The Conversation is een film van en over precisie en dat is exact waarom het Hackman bracht tot zijn (in mijn ogen) mooiste rol. Er zijn weinig, misschien wel geen andere acteurs die van de flegmatieke binnenvetter Harry Caul een zo complex en fascinerend personage hadden kunnen maken.

Waar de laatste jaren Robert de Niro ons regelmatig ineen doet krimpen van plaatsvervangende schaamte en Al Pacino er een op z’n zachtst gezegd wisselvallige rolkeuze op nahoudt, daar ging Gene Hackman in 2004 met pensioen. Sindsdien schrijft hij historische romans. In 2011 gaf hij een zeldzaam interview aan GQ magazine waarin hij terugblikt op zijn acteercarrière. “Overall I’m pretty satisfied that I made the right choice when I decided to be an actor”, zegt hij daarin, met de typische reserve waarmee hij altijd over acteren spreekt. Grote woorden besteedt hij er niet aan. Op de vraag hoe hij herinnert wil worden antwoordt hij: “As a decent actor.”

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken