Nu aan het lezen:

De Flaneur en het niets: Un Homme Qui Dort

De Flaneur en het niets: Un Homme Qui Dort


Op woensdag 4 juli is er in De Uitkijk in Amsterdam een eenmalige vertoning van de film Un Homme Qui Dort. George Vermij was al in de ban van deze bijzondere Franse film. Op Cine daarom een vertaling van zijn essay dat eerder op Frameland verscheen.

Laat ik beginnen met een bekentenis. De afgelopen maanden was ik geobsedeerd door een obscuur boek dat ik ooit in een tweedehands boekenwinkel heb gevonden. Escape Attempts: The Practice and Theory of Resistance to Everyday Life (1976) van Stanley Cohen en Laurie Taylor, gaat over onze (meestal onsuccesvolle) strategieën om te ontsnappen aan de alomtegenwoordige houdgreep van het moderne bestaan.

Denk bijvoorbeeld aan die talloze keren dat je vastzit in het verkeer, pendelend tussen een geestdodende kantoorbaan en je huis. De afstompende routine die je te wachten staat als je eindelijk bij je bureau bent aangekomen. De lange dag loopt ten einde met het vooruitzicht het kantoor te verlaten en weer naar huis te gaan. Een toevluchtsoord waar, volgens Cohen en Taylor, we ons kunnen concentreren op identity work en onze “echte” levens.

We proberen krampachtig te ontsnappen aan de dufheid en herhaling van het dagelijks leven en gebruiken daar een breed scala aan strategieën voor. We kunnen bijvoorbeeld naar de film gaan of onszelf in een hobby verliezen. We kunnen ons ook mentaal terugtrekken, of, met behulp van drugs of alcohol, een uitweg vinden door middel van bedwelming. Al deze pogingen worden gevoed door een knagend gevoel van ontevredenheid. Of om de woorden van Guy Debord en de Situationisten te gebruiken: ‘Het echte leven is elders.’

Maar alhoewel Cohen en Taylor erkennen dat de toestand van de moderne mens somber is, benadrukken ze ook de uiteindelijke nutteloosheid van onze wens om te ontsnappen. In het boek onderzoeken ze de eerder genoemde vluchtroutes. Voor elke categorie beschrijven ze op slimme wijze ook de valkuilen en paradoxen, want elke tijdelijke ontsnapping kan het gevoel van beknelling alleen maar vergroten als we terug moeten keren naar de dagelijkse sleur. Net zo problematisch voor hen is de standaardisatie en commodificatie van vluchtroutes. Een geheel verzorgde all-in-vakantie wordt net zo minutieus georganiseerd als een dag op kantoor. Een film die ons probeert te ontroeren, of ons naar een andere wereld wil brengen, maakt evengoed gebruik van clichés en formules die op den duur monotoon en zielloos aanvoelen.

Tijdens het lezen van Escape Attempts doken beelden op van de naamloze protagonist in Bernard Queysanne’s hypnotische Un Homme Qui Dort (1974). Hij realiseert zich ook dat het voortzetten van zijn dagelijkse routine een zinloze daad is. Hij heeft het gevoel dat hij nooit geschikt was voor het leven. Alles wat hij als student ambieert, voelt kunstmatig en doelloos. Daarom kiest hij voor het pad van de interne ballingschap. Hij trekt zich terug in zijn kleine zolderappartement, zijn colleges sociologie slaat hij over en het contact met zijn vrienden vermijdt hij. In de ogen van Cohen en Taylor zou hij worden aangemerkt als een vluchter die zich in zijn eigen geest nestelt en de wereld om hem heen op afstand houdt. Een van de extremere ontsnappingspogingen die gevaarlijk kunnen zijn en waar geestesziekte en waanzin op de loer ligt.

Un Homme Qui Dort is een bewerking van de gelijknamige roman van Georges Perec die het verhaal vertelt vanuit de ongebruikelijke 2e persoonsperspectief. Hij begint het boek met dit mooie citaat van Franz Kafka:

Het is niet nodig dat je het huis verlaat. Blijf aan tafel zitten en luister. Nee, luister niet, wacht gewoon af. Wacht niet eens af en wees volledig stil en alleen. De wereld zal zichzelf aan jou openbaren om te worden ontmaskerd, het kan niet anders, in extase zal het voor je wringen.

Het boek is een angstaanjagend gedetailleerd verslag van iemand die vast zit in zijn hoofd omdat hij niet kan omgaan met de wereld daarbuiten. De bewerking van Queysanne is grotendeels trouw aan de tekst van Perec. Fragmenten uit het boek vormen de basis voor monologen die worden vergezeld door zwart-wit beelden van Parijs die in gelijke mate vervreemden en hypnotiseren.

Ludmila Mikaël is de ongeziene vrouwelijke verteller, die de mentale reis van de protagonist nauwkeurig beschrijft. Jacques Speisser speelt de onrustige student in een zwijgende rol. De film toont hem in verschillende situaties. Zittend op zijn bed in zijn kleine zolderkamertje. Een poster van Rene Magritte’s schilderij La réproduction interdite aan zijn muur die zijn gemoedstoestand weerspiegelt. Later volgen wij hem door de stad. Na een bioscoopbezoek slentert hij door de straten en probeert hij op te gaan in de anonieme drukte, zodat hij kan verdwijnen. Hij spreekt geen woord in de film, waardoor zijn vervreemde en lege blikken al het werk doen. Verrassend genoeg heeft de Engelse versie van de film een afstandelijke Shelly Duval die ons met haar vertelstem door het verhaal leidt.

Un Homme Qui Dort is een soort ontbrekende schakel tussen de levendigheid van de nouvelle vague en de meer nuchtere films die daarop volgden. De setting van de jaren zeventig is erg toepasselijk. Het was het decennium dat volgde op de mogelijkheden van de jaren zestig. Alle beloften en illusies leken voorbij. De geest van ’68 was een verre herinnering. Je voelt dit ook in andere films uit dat decennium, zoals Jean Eustache’ La Maman en La Putain (1973). Net als de verveelde personages in de films van Eustache is de student in Un Homme Qui Dort in een lethargische toestand beland, zich realiserend dat de wereld niet kan worden veranderd.

Maar zijn geestestoestand en wens om te verdwijnen voelt des te meer contemporain in een tijd waarin de harde realiteit lijkt te zijn aangescherpt. Neem deze monoloog bijvoorbeeld in Philippe Harel’s onderschatte Extension du Domaine de la Lutte (1999), een bewerking van het gelijknamige boek van Michel Houellebecq. Daarin komt de hoofdpersoon, een depressieve kantoormedewerker van in de veertig, tot een duister besef als hij laat in de nacht door een verlaten stad slentert:

Terugdenkend aan mei ’68, zeiden sommige mensen dat het een geweldige tijd voor hen was. Al pratend met vreemden leek alles mogelijk. Ik geloofde ze. Anderen herinnerden zich dat er geen treinen reden en dat er geen brandstof was. Ik geloofde ze ook. Beide versies waren het eens over één ding: een paar dagen was op magische wijze de enorme beklemmende machine plotseling tot stilstand gekomen. Er was een aarzeling, een onzekerheid. Een staat van spanning. Een zekere rust verspreidde zich over Frankrijk. Natuurlijk liep de machine daarna nog sneller en meedogenlozer door. Mei ’68 had de weinige morele regels ingetrokken die de verslindende kracht ervan hadden belemmerd. Toch was er een pauze, een aarzeling, een moment van grootse twijfel geweest.

Het is door het lopen en dwalen dat deze personages zich nog steeds enigszins vrij voelen. Het idee van het willekeurig lopen heeft een lange traditie die teruggaat tot de negentiende-eeuwse wandelingen van Charles Baudelaire en de fascinatie voor de Flâneur die Walter Benjamin ertoe bracht om in de 20e eeuw zijn onafgemaakte Passagenwerk te schrijven. Dichter bij de tijd van Perec en Queysanne, zijn er de psychogeografische reizen door Parijs die Guy Debord ondernam met zijn situationistische vrienden in de jaren vijftig en zestig. De ontsnapping begint voor de deur en de straten om je heen. Of neem deze prachtige woorden van de hoofdpersoon in Eric Rohmer’s L’amour l’apres-midi (1972) die uit de sleur wil ontstijgen:

Ik hou van de stad. De voorsteden zijn benauwend. En ondanks het geduw en de rumoer, vind ik het niet erg om in de menigte te duiken. Ik hou van de mensenzee net zoals ik van de oceaan hou. Niet om verzwolgen te worden, of erin verloren te gaan. Ik rijd over een schuimkop als een eenzame surfer, volg het ritme van de golven, maar vind daar ook de mijne wanneer de golf opbreekt en verdwijnt. Net als de oceaan is de menigte een middel voor mijn dromen. Bijna al mijn gedachten vinden hun opsprong op straat (…)
Onze student dwaalt ook door Parijs in de traditie van al die anderen vóór hem. In de stad vindt hij een labyrint zonder een middelpunt waar het verliezen van jezelf het enige is dat ertoe doet. Queysanne heeft de gave om ons de veranderende gezichten van Parijs te laten zien. Charmant en pittoresk in beelden van oude passages en de Seine, maar ook een monsterlijke metropool in de greep van verandering en moderniteit. Gebouwen worden afgebroken en op de boulevards staan strakke onpersoonlijke flats. Voor al zijn beloften levert de straat slechts een gedeeltelijke ontsnapping voor onze held in Un Homme Qui Dort.

Naarmate de film het einde nadert, is het niets waar de student naar op zoek is niet zo makkelijk te bereiken. De realiteit sijpelt door de spleten en bevestigt zichzelf opnieuw. Zijn ontsnappingspoging is een tijdelijke afleiding gebleken. De afsluitende monoloog vergezeld van een hypnotische elektronische soundtrack verkondigt een bittere waarheid die is bereikt terwijl de camera over de stad zweeft. Het is een passende epifanie die de film weer naar Cohen en Taylor’s boek brengt en dat ook eindigt met deze ambigue woorden:

The more recent heroes (…) are only too aware of this risk. The feeling that society is an arbitrary system (…) out of which one might simply try to escape is always followed by the realization that ‘by stepping aside for a moment’ there might be the void. The enclaves, free areas, escape tunnels might disintegrate into jellies – yet the identity left behind is a prison. So these heroes oscillate between total inertia and mindless role-playing. They attempt disentanglement but then are caught in new commitments and struggle to re-enter the world. (…) more often they resort to inner space, to fantasy. But they do believe (…) that somewhere between inertia and commitment lies a space of personal freedom.

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken