Nu aan het lezen:

‘Heaven is stingy’ – de films van Douglas Sirk

‘Heaven is stingy’ – de films van Douglas Sirk


Soms vergeet ik dat Douglas Sirk zijn films maakte in de jaren vijftig. Middenin het decennium dat hij zo scherp wist te portretteren. Hij ontleedde feilloos het destijds zo dwingende ideaalbeeld en deed dat door het in stijl te imiteren. In een retrospectief toont streamingdienst Mubi de komende tijd acht films van Sirk uit de periode van 1953 tot en met 1959.

Dat de als Detlef Sierck geboren filmmaker tegenwoordig als groot filmmaker wordt beschouwd, is niet altijd evident geweest. De eerste artistieke waardering kwam pas vanaf halverwege de jaren zestig, dankzij aandacht in het vooraanstaande Franse filmtijdschrift Cahiers du cinema, van Andrew Sarris in Film Culture en later dankzij het interviewboek Sirk on Sirk, bestaande uit interviews die John Halliday met hem had gedurende een aantal jaren. Tot die tijd werden Sirks films door critici nauwelijks serieus genomen. Zijn melodrama’s kregen het predicaat ‘vrouwenfilm’, wat zoveel betekende als: je kunt erbij zwijmelen en snotteren, maar inhoudelijk heeft het weinig om het lijf. Die misconcepties zijn inmiddels langzaam maar zeker gekeerd, tot aan de terechte zin waarmee Richard Brody zijn profiel van de filmmaker in The New Yorker opende: ‘Douglas Sirk […] may be the most intellectual filmmaker ever to work in Hollywood.’

Het retrospectief opent met All I Desire (1953), een film die vaak wordt beschouwd als de opmaat naar de grote melodrama’s die Sirk in de tweede helft van de jaren vijftig aan elkaar reeg. Daar valt wat voor te zeggen. De zwart-witfilm heeft nog niet de karakteristieke Technicolor-stijl en het einde werd hem door de studio opgedrongen en is nogal zoetsappig. Tegelijk doet het de film ook wat tekort, want All I Desire is een scherpe en ontroerende studie naar het verlangen om een groots leven te leiden. Naomi Murdoch (gespeeld door de geweldige Barbara Stanwyck) keert na jaren afwezigheid terug naar haar geboortedorp en het gezin dat ze daar achterliet. De mate van begrip die Sirk opbrengt voor een vrouw die haar ambities niet zomaar wegschuift voor een gezin is, vooral voor die tijd, opmerkelijk. Hij relativeert de schade die zij gedaan heeft niet (zowel aan zichzelf als aan hen die ze achterliet), maar veroordeelt haar ook niet.

Magnificent Obsession (1954) is de eerste film waarin veel typische Sirk-elementen samenkomen en wordt niet toevallig gekenmerkt door twee langlopende samenwerkingen. Allereerst die met acteur Rock Hudson, met wie Sirk acht films maakte. Magnificent Obsession was hun derde en betekende de doorbraak van Hudson. Een minstens zo belangrijke collaboratie was die met cinematograaf Russel Metty. Van de acht films die Mubi vertoont zijn alleen All I Desire (Carl E. Guthrie) en Tarnished Angels (Irving Glassberg) door anderen geschoten. In totaal maakten ze elf films samen. Dat Metty voor geen daarvan zelfs maar een Oscarnominatie ontving, mag wat mij betreft een van de grote mysteries uit de filmhistorie heten (hij won uiteindelijk overigens wel een Oscar, voor zijn camerawerk in Stanley Kubricks Spartacus). In Magnificent Obsession wordt een prachtig spel met licht en schaduw gespeeld, wat refereert aan het blind worden van Jane Wymans personage en tevens aan de lichte en donkere kant in zichzelf waar vooral Hudson personage mee worstelt. De plot van de film grenst aan het potsierlijke, maar herbergt daaronder interessante thema’s als schuld en boete.

Written on the Wind (1956)

Sirk gebruikte de melodramatische en soms een tikje overwerkte plots dan ook vaak als een soort dekmantel voor complexe en controversiële thema’s. Dat blijkt tevens in Written on the Wind (1956), een film die vooral in de tweede helft van twist naar twist wervelt waardoor je nauwelijks doorhebt dat er thema’s als alcoholisme, depressie en miskramen worden aangesneden. En dat alles overgoten met die schilderachtige visuele flair. In een artikel op IndieWire werd Sirks kleurrijke visuele stijl getypeerd als ‘the spoonful of sugar that helps the “medicine” […] go down.’ Maar het was ook een manier om de Hays Code te omzeilen, de strikte regels die voorschreven wat films wel en niet mochten tonen. Seksualiteit, rassenvermenging, abortus; het was taboe. Zijn exuberante stijl en soapachtige plots waren hoe Sirk met dat soort thema’s wegkwam. Dat zijn films daardoor als ‘vrouwenfilms’ werden weggezet, was tegelijk redding en vloek. Het was de reden dat hij de films kon maken die hij maakte, maar ook de reden dat hij pas laat op waarde is geschat.

Maar laten we vooral All that Heaven Allows (1955) niet overslaan, een titel die onbedoeld ook toonde hoe de studio’s Sirks ware bedoelingen zelden doorzagen: ‘They thought it meant you could have everything you wanted’, vertelde Sirk aan Halliday. ‘I meant it exactly the other way round. As far as I’m concerned, heaven is stingy.’ Het is zijn bekendste film, die de inspiratie vormde voor vele films erna, zoals Angst essen die Seele van Rainer Werner Fassbinder en Todd Haynes’ Far from Heaven. Een film die gebruikmaakte van de verse sterrenstatus van Hudson en Wyman na Magnificent Obsession. In een tijd waarin de mannen in Hollywoodfilms altijd ouder waren dan de vrouw (veel is daarin overigens niet veranderd), waren hier die rollen omgedraaid. Wyman was acht jaar ouder dan Hudson. Het leeftijds- en klasseverschil tussen hun personages (Wyman speelt een rijke weduwe, Hudson een tuinier) en eigenlijk vooral de wijze waarop de maatschappij dat veroordeelt, staat hun liefde in de weg. Zoals in veel films van Sirk zijn spiegels en reflecties een belangrijk visueel motief. Zijn personages trachten zich te conformeren aan een ideaalbeeld, ten koste van zichzelf. Ze maken de perceptie van anderen bepalend voor hun zelfbeeld en trachten zich daarvan te bevrijden.

There’s Always Tomorrow (1956)

Perceptie speelt ook een cruciale rol in de zwart-witfilm There’s Always Tomorrow (1956). Fred MacMurray en Barbara Stanwyck (eerder samen te zien in Remember the Night en natuurlijk Double Indemnity) spelen speelgoedmaker Cliff Groves en designer Norma Miller. Twintig jaar eerder waren ze bevriend en werkten samen, tot zij plotseling vertrok. Nu ze elkaar opnieuw tegenkomen, voelen ze zich direct weer vertrouwd bij elkaar Al snel trekken de kinderen van Cliff (die zoals vaak in films van Sirk conservatiever zijn dan de ouders) verkeerde conclusies. Alhoewel, helemaal ongelijk hebben ze ook weer niet. Want zijn contact met Norma doet Cliff beseffen dat hij is komen vast te zitten in zijn gezinsleven. In een decennium waarin het gezin bijna het absolute ideaal was, toont Sirk een andere kant van die medaille. Al in de eerste scènes zien we op subtiele wijze hoe het gezin langs elkaar heen leeft. ‘I’m tired of being taken for granted’, verzucht Cliff en hij vergelijkt zichzelf met de robot die hij heeft ontworpen. ‘Wind me up in the morning and I walk and talk all day.’ Prachtig is ook hoe ambivalent Sirk de film eindigt en hoe daarin opnieuw perceptie een hoofdrol speelt.

Ook in The Tarnished Angels (1957), een verfilming van William Faulkners Pylon, koos Sirk voor zwart-wit. We treffen hier hetzelfde soort bekraste zielen als in andere Sirk-films, maar het ontbreken van de felle kleuren van Technicolor geeft daaraan een andere dimensie. Hier is geen schone schijn meer, geen hoop op een ontsnapping. Het maakt Tarnished Angels tot een van Sirks sombere films, waarin een aantal sobere scènes misschien wel de grootste indruk maken. Zoals wanneer een door Hudson gespeelde journalist in gesprek raakt met een door Dorothy Malone gespeelde parachutist, terwijl haar man in de aangrenzende kamer zit. Het is een intieme scène – zij ligt in bed in haar nachtjapon – maar toch kiest Sirk niet voor een seksuele ondertoon. Ze zien in de ander een beschadigd mens en herkennen daarin zichzelf. Dat de kleuren niet van het scherm spatten betekent overigens niet dat er visueel niets te genieten valt. Vooral de spectaculaire vliegscènes zijn zestig jaar na dato nog steeds nagelbijtend spannend.

Imitation of Life (1959)

Met A Time to Love and a Time to Die (1958) greep Sirk terug op een onderwerp dat zijn leven heeft getekend: de Tweede Wereldoorlog. Als theatermaker kreeg hij in de jaren dertig te maken met inmenging en intimidatie van de nazi’s en in 1937 vertrok hij (tevens omdat zijn tweede vrouw Joods was) naar Amerika. ‘What happened in Germany altered my whole outlook on life in every single way’, zei hij daar zelf over in een interview met Halliday. ‘It made me pessimistic – and suspicious of people.’ En toch is dat niet wat we terugzien in deze film. A Time to Love and a Time to Die gaat juist over het verder leven met je littekens, het opnieuw leren mensen toe te laten. John Gavin speelt Ernst, een Duitse soldaat die op verlof is en zijn ouderlijk huis gebombardeerd aantreft. Op zoek naar zijn ouders ontmoet hij Elizabeth (Lilo Pulver), wier vader in een concentratiekamp zit, omdat hij zich negatief uitliet over de oorlog. De compassie waarmee Sirk naar zijn Duitse hoofdpersonages kijkt en laat zien dat de oorlog ook van hen slachtoffers maakte, is voor deze tijd wellicht niet opzienbarend, maar zo kort na de oorlog en gemaakt door een man die zich gedwongen zag zijn thuisland achter te laten, is het dat wel.

Imation of Life (1959) was de laatste film die Sirk maakte in Hollywood en brengt veel Sirk-elementen en -thema’s samen (je zou overigens kunnen zeggen dat elke film van Sirk Imitation of Life had kunnen heten). De film lijkt aanvankelijk te gaan over Lora Meredith (Lana Turner), een witte vrouw die ervan droomt actrice te worden en in haar goedheid een dakloze zwarte vrouw en haar dochter (Annie en Sarah Jane) in huis neemt, waar zij met haar dochtertje woont. Maar op vernuftige wijze verschuift Sirk de focus naar Annie en Sarah Jane. Sarah Jane belichaamt wat socioloog W.E.B. du Bois double consciousness noemde; ze beschouwt zichzelf altijd via de ogen van de ander, in dit geval de witte maatschappij. En wat ze met die ogen ziet, ontstelt haar zo dat ze haar huidskleur ontkent. Iets waar ze door haar lichte tint mee wegkomt, zo lang haar moeder maar wegblijft. In de wijze waarop Sirk haar portretteert toont hij wat mij betreft het meesterschap van zijn regisseren. Want hoe hartverscheurend hij ook laat zien hoeveel pijn Sarah Jane haar moeder doet, toch is de film ook begripvol naar haar worsteling. En zo wist Sirk altijd personages te schetsen die we niet per se sympathiek hoeven te vinden, maar die in al hun mankementen en gehavendheid wel compassie verdienen.

De dikgedrukte titels in de tekst zijn te zien in het retrospectief van Mubi. Kijk op de site van Mubi om te zien welke films wanneer beschikbaar zijn.

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken